CBb 2 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:98

Accountantstuchtrecht. De accountantskamer heeft overwogen dat geen (beroeps)regel zich verzet tegen het uitvoeren van een samenstelopdracht voor een controleplichtige vennootschap. Ter zitting van het College heeft betrokkene naar voren gebracht dat deze overweging in theorie juist is, maar dat in de praktijk de beroepsgroep geen samenstellingsopdracht pleegt te aanvaarden van een controleplichtige cliënt. Betrokkene heeft aangegeven dat ook hij dit uitgangspunt hanteert, maar dat hij in het onderhavige geval op basis van de toen aanwezige gegevens heeft geconcludeerd dat de vennootschap niet controleplichtig was, zodat er ook in dat opzicht geen beletsel was om de samenstellingsopdracht te aanvaarden. Het College ziet geen aanleiding dit voor onjuist te houden. Dat sprake was van een controleplichtige vennootschap is onvoldoende komen vast te staan. Het College ziet niet in waarom betrokkene op de opdracht van de bestuurders van de vennootschap om de geconsolideerde jaarrekening 2017 van de holding samen te stellen niet had mogen aanvaarden. Betrokkene mocht zich zelf een oordeel vormen of hij over voldoende informatie zou kunnen beschikken om de opdracht uit te voeren en hij heeft dit ook steeds onderzocht. Verder heeft betrokkene voldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat hij in zijn oordeel ongepast zou worden beïnvloed. Hij heeft tijdig onderkend dat ook klager, gelet op zijn positie binnen het concern, belang had bij (de wijze van uitvoering van) de opdracht en heeft, juist gelet daarop, uitgebreid met klager gecorrespondeerd, hem steeds de gelegenheid gegeven de voor de uitvoering van de opdracht benodigde stukken aan te leveren en hem in het vooruitzicht gesteld dat over het concept van de jaarrekening met hem in overleg zal worden getreden. De inspanningen van betrokkene zijn er sinds de aanvaarding van zijn opdracht telkens op gericht geweest de voor de uitvoering van de samenstellingsopdracht benodigde informatie te verzamelen. Op het professioneel gedrag van betrokkene in deze zaak valt niets aan te merken. Het uit het ingediende klaagschrift blijkende gebrek aan vertrouwen in hem mocht voor betrokkene aanleiding zijn als voorwaarde voor aanvaarding van een uitgebreidere opdracht mede te stellen dat de jegens hem gemaakte verwijten niet langer zouden worden gehandhaafd. Van met het fundamentele beginsel van integriteit strijdig handelen is geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken