CBb 2 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:97
Accountantstuchtrecht. Afgifte controleverklaring als bedoeld in artikel 2:328, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarin de accountant zijn oordeel geeft over de mededelingen van het bestuur als bedoeld in artikel 2:327 van het BW, over de vaststelling van de ruilverhouding van de aandelen. Niet gebleken dat is voldaan aan artikel 2:328, zesde lid, van het BW op grond waarvan die verplichting van de accountant met instemming van de aandeelhouders van de fuserende vennootschappen buiten toepassing kan blijven. De accountant heeft in hoger beroep weliswaar fusieakten overgelegd, maar de op grond van zijn onderzoek naar de juridische fusie afgegeven verklaring heeft mede betrekking op een fusie die niet tot stand is gekomen, zodat de verklaring alleen daarom al niet op juiste feiten is gebaseerd. Dat de accountant er ten tijde van de afgifte van zijn verklaring niet van op de hoogte was dat de desbetreffende vennootschap vooralsnog niet in het fusieproces zou worden meegenomen, is duidelijk een uitvloeisel van het feit dat hij nooit contact heeft gehad met de aandeelhouders. Dat in de overgelegde fusieakten is opgenomen dat de aandeelhouders van de fuserende vennootschappen hebben afgezien van het opstellen van bedoeld verslag doet er niet aan af dat de accountant op dit voor zijn opdracht wezenlijke punt slechts op een mededeling van de notaris is afgegaan, terwijl het, gezien de wettelijke voorschriften waaraan fusies van naamloze en besloten vennootschappen moeten voldoen, op zijn weg had gelegen te verifiëren dat de aandeelhouders daadwerkelijk ermee instemden dat geen verslag zou worden opgesteld. Verder heeft de accountant er ook in hoger beroep blijk van gegeven onvoldoende zicht te hebben op de gevolgen van de juridische fusie voor de vermogens van de participanten. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat voor de beoordeling van het aan de orde gestelde handelen of nalaten van de accountant voorlichting of onderzoek van een deskundige nodig is. In een speculatief betoog over onregelmatigheden en fraude en de vermeende betrokkenheid van de accountant daarbij, zonder dat daarvoor een spoor van bewijs wordt geleverd, kan in ieder geval geen aanleiding worden gevonden een deskundige te benoemen. De vaststelling dat de accountant in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en met het conceptueel raamwerk heeft gehandeld, houdt niet tevens in dat hij niet eerlijk en niet oprecht is opgetreden. Klagers hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de accountant ook het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden. Geen aanleiding voor een zwaardere maatregel. Beide hoger beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl