CBb 2 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:92

Wet Dieren. Beroep van stichting, niet zijnde de aanvraagster, tegen de beslissing van de minister van LNV om de diersoort Afrikaanse dwergmuis te plaatsen op de positieflijst als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling houders van dieren. Volgens de Beoordelingscommissie die de Afrikaanse dwergmuis op basis van het door de Wetenschappelijke Adviescommissie Positieflijst ontwikkelde toetsingskader positieflijst zoogdieren heeft beoordeeld, valt deze diersoort in ieder geval in vier van de vijf risicocategorieën. Volgens het toetsingskader wil dit op zijn minst zeggen dat het houden van exemplaren van deze diersoort in Nederland een groot aantal gevaren kent voor het welzijn en/of de gezondheid van dieren en zou moeten leiden tot indeling in de op één na hoogste risicoklasse, namelijk risicoklasse E. De minister heeft in het bestreden besluit, en ook overigens in het kader van deze procedure, niet gemotiveerd waarom hij de in zoverre opgestelde beoordeling van de Beoordelingscommissie niet heeft gevolgd en de Afrikaanse dwergmuis heeft aangewezen als diersoort die zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften kan worden gehouden. Uit het bestreden besluit en hetgeen de minister hierover naar voren heeft gebracht, maakt het College op dat deze beslissing met name is ingegeven door de tijdsdruk voortvloeiend uit de uitspraak van het College van 8 oktober 2019, een uitleg van de jurisprudentie van het HvJ die inhoudt dat een verzoek om een diersoort in een positieflijst op te nemen alleen na een gedegen (voldragen) onderzoek kan worden afgewezen en de omstandigheid dat tot aan het bestreden besluit een vrijstelling heeft gegolden. Nu deze omstandigheden voorbij gaan aan de inhoud van de beoordeling van de Beoordelingscommissie is het College van oordeel dat daarin geen toereikende grond is gelegen voor de conclusie van de minister dat de door de Beoordelingscommissie vastgestelde risico’s er niet aan in de weg staan de Afrikaanse dwergmuis op de positieflijst te plaatsen. Omdat een op die beoordeling toegesneden motivering ontbreekt, berust het bestreden besluit naar het oordeel van het College op een ondeugdelijke motivering en kan dit besluit geen stand houden. De minister dient binnen 26 weken opnieuw op het bezwaar te beslissen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken