CBb 14 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:879

Accountantstuchtrecht. Appellant was bestuursvoorzitter van een accountantsorganisatie en in die functie verantwoordelijk voor het stelsel van kwaliteitsbeheersing binnen de organisatie. De klagers konden zich niet vinden in de totstandkoming van een door de organisatie aan een bestuursorgaan uitgebracht rapport en hebben onder andere daarover een klacht ingediend tegen appellant. Appellant heeft ter zitting verklaard dat bij het uitbrengen van het desbetreffende rapport enkele zaken niet goed zijn gegaan maar dat sprake is geweest van een incident. Gezien de toelichting ter zitting en in aanmerkend nemend dat in het dossier concrete voorbeelden van andere gevallen die in een andere richting wijzen ontbreken, acht het College de verklaring van appellant dat de wijze waarop het rapport is uitgebracht een incident was en geen sprake was van een gebruikelijke werkwijze niet onaannemelijk. Het College onderschrijft niet het oordeel van de accountantskamer dat sprake was van een symptomatische tekortkoming in het kwaliteitssysteem. Het College volgt evenmin het oordeel dat appellant heeft nagelaten passen de maatregelen te treffen toen bleek dat sprake was van materieel onvolledige informatie. Op de vragen van klagers over de opstellers van het rapport is door de afdeling Juridische Zaken van de accountantsorganisatie vlot en adequaat gereageerd. Dat appellant de beantwoording van die vragen conform de interne procedures heeft overgelaten aan de afdeling Juridische zaken maakt voor dat oordeel geen verschil. Het hoger beroep is gegrond. Het College verklaart de relevante klachtonderdelen alsnog ongegrond. De waarschuwing vervalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken