CBb 31 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:848
Landbouw. Appellant stelt beroep in tegen de herberekening van de uitbetaling van betalingsrechten over de jaren 2016 (zaak 20/333) en 2017 (zaak 20/1207). Bij die herberekening is de uitbetaling op een lager bedrag vastgesteld. Verweerder heeft namelijk één perceel niet meer in aanmerking genomen, omdat het perceel volgens verweerder feitelijk bij een derde in gebruik was. Die derde heeft aan het onderhavige geding deelgenomen. Zowel verweerder als de derde hebben met stukken onderbouwd dat het perceel feitelijk in 2016 en 2017 bij de derde in gebruik was. Het College constateert dat appellant in deze procedure stellingen naar voren heeft gebracht die ongeloofwaardig zijn en/of tegenstrijdig met andere door hem ingenomen stellingen. Voorts heeft appellant ter zitting geen afdoende verklaring of toelichting gegeven op door het College gestelde vragen. Dit leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat appellant in 2016 en 2017 het feitelijk gebruik had van het betreffende perceel. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl