CBb 6 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:691
Landbouw. Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Verweerder heeft een aantal van de door appellante opgegeven percelen niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de uitbetaling van de basisbetaling en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2018, omdat deze niet op 15 mei 2018 aan haar ter beschikking zouden hebben gestaan. Percelen behoren tot een bedrijf – en de landbouwer kan hierover dus beschikken – als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel. Het College is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellante op 15 mei 2018 op basis van een geldige gebruikstitel de bevoegdheid had om de in geschil zijnde percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van haar landbouwactiviteiten te gebruiken. Beroep ongegrond. Wel toekenning schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl