CBb 29 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:684

Meststoffenwet: artikel 23, derde lid, artikel 27, eerste lid en artikel 29, tweede lid. Algemene wet bestuursrecht: artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 8:89, tweede lid. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: artikel 6. Schadevergoedingsverzoek beperkt tot € 25.000,-. Geen strijd met relativiteitsvereiste. Causaal verband. Appellant stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij niet over het benodigde aantal fosfaatrechten beschikte om tijdig aan zijn contractuele verplichting tot overdracht daarvan aan [X] te voldoen. Omdat appellant over onvoldoende fosfaatrechten beschikte heeft verweerder zijn melding overdracht fosfaatrechten afgewezen. Om alsnog aan de overeenkomst met [X] te kunnen voldoen moesten vervangende (duurdere) rechten worden gekocht. Appellant heeft de gestelde schade onderbouwd met een berekening van de gemaakte kosten en facturen waaruit de aankoop van 408,66 kg door [X] voorgefinancierde fosfaatrechten tegen een aankoopprijs van € 254,- per kg blijkt. Het College komt dan ook tot het oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in elk geval ten minste € 25.000,- aan schade heeft geleden. Door verweerder wordt ook niet betwist dat de schade van appellant tenminste € 25.000,- bedraagt. Naar het oordeel van het College was appellant niet gehouden tot het opnemen van een ontbindingsclausule. Hij mocht er vanuit gaan dat hij de beschikking zou krijgen over het aantal fosfaatrechten dat in de servicemelding vermeld stond (hetgeen bij het primaire besluit ook gebeurd is). Het College wijst de verzochte schadevergoeding dan ook toe tot een bedrag van € 25.000,-.. Appellant heeft recht op € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken