CBb 25 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:516

Meststoffenwet (Msw) artikel 23, derde lid; Uitvoeringsbesluit Msw artikel 72b; Pilot bedrijfsspecifieke fosfaatevenwichtsbemesting (BEP-pilot (Stcrt. 2015, 5401) In dit geding moet de vraag worden beantwoord of verweerder bij het bestreden besluit terecht de generieke korting heeft toegepast. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder rekening had moeten houden met de deelname van appellante vanaf 2016 tot heden aan de BEP-pilot door bij de vaststelling van haar fosfaatrecht met betrekking tot haar fosfaatruimte te rekenen met haar BEP-norm, wat ertoe zou leiden dat de generieke korting niet wordt toegepast omdat de fosfaatruimte dan groter is dan de fosfaatproductie. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft bij het per 1 januari 2018 vaststellen van fosfaatrecht onderscheid gemaakt tussen (een grote groep) deelnemers aan de BEP-pilot vanaf 2015 (door rekening te houden met hun extra fosfaatruimte uit de BEP-pilot en hen grondgebonden te achten) en (een kleinere groep) deelnemers vanaf latere jaren, waaronder appellante (door geen rekening te houden met hun extra fosfaatruimte uit de BEP-pilot). Verweerder heeft voor dat onderscheid geen deugdelijke motivering gegeven, ondanks daartoe meermalen in de gelegenheid te zijn gesteld. Het College verbindt daaraan de gevolgtrekking dat verweerder het bestreden besluit ook niet deugdelijk kan motiveren. Daarom oordeelt het College het bestreden besluit in strijd met het verbod van willekeur. Verweerder heeft ten onrechte in het geval van appellante bij het vaststellen van haar fosfaatrecht geen rekening gehouden met haar BEP-ontheffing en ten onrechte de generieke korting opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken