CBb 4 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:471

Accountantstuchtrecht. Klacht inzake overeengekomen resultaatafhankelijke beloning (success fee) in het kader van het bijstaan van de cliënt bij zijn tweede beroep op de fiscale inkeerregeling. Naar het oordeel van het College moet betrokkene worden aangerekend dat hij niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat het financiële resultaat van zijn inspanningen de hoogte van zijn beloning bepaalt een bedreiging kan opleveren voor zijn objectiviteit. Hij heeft niet bij deze bedreiging stilgestaan en dus ook niets gedaan om te voorkomen dat deze bedreiging zich verwezenlijkt. Voorts heeft betrokkene nagelaten de voor zijn voorstel voor een resultaatsafhankelijke beloning relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken. Het College onderschrijft niet het oordeel van de accountantskamer dat betrokkene het verwijt treft dat hij niet eerlijk en oprecht heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Weliswaar had betrokkene zijn voorstel om naast zijn volledige uurtarief ook een resultaatsafhankelijke beloning af te spreken, op betere informatie moeten baseren, maar dat betekent niet dat hij met het doen van dit voorstel niet integer heeft gehandeld. Het College vernietigt de bestreden uitspraak voor zover de accountantskamer heeft geoordeeld dat betrokkene het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden en hem de maatregel heeft opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand. Het College legt betrokkene de maatregel van berisping op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken