CBb 23 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:304
De beroepen gaan over gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof imidacloprid, een neonicotinoïde. Er is geen procesbelang meer bij de beroepen die betrekking hebben op vier van deze middelen, omdat de toelatingen ervan zijn ingetrokken en deze middelen niet meer zijn toegelaten op de Nederlandse markt. De door de Bijenstichting de Stichting Noordbrabants Landschap aangevoerde argumenten dat zij desondanks nog wel procesbelang hebben heeft het College afgewezen. Zij hebben gewezen op de gevolgen die imidacloprid kan hebben voor bijen, maar dat onvoldoende als (begin van een) onderbouwing voor de conclusie dat zij daadwerkelijk (zelf) schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit. Ook is een rechtstreeks verband tussen het bestreden besluit en de achteruitgang van de biodiversiteit in de periode van 2014 tot de momenten waarop de toelatingen zijn ingetrokken niet aangetoond. Wat betreft het aangevoerde belang dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor een besluit voor een toekomstige periode blijft het College bij zijn uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) dat het toepasselijke toetsingskader voor het Ctgb de verplichting inhoudt om telkens een op dat specifieke middel en het daarmee beoogde gebruik toegesneden beslissing te nemen tegen de achtergrond van de dan voorhanden wetenschappelijke kennis. De beoordeling van een aanvraag tot (wijziging van een) toelating is zo specifiek dat, zo er al sprake zou zijn van enige onwettigheid, deze onwettigheid zich in de toekomst niet mechanisch, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, zal herhalen. Het College beklemtoont dat het procesbelang van de Bijenstichting en NBL niet (enkel) door tijdsverloop verloren is gegaan, maar (ook) nadat zij met of ten minste gaandeweg hun beroep de nagestreefde uitkomst, namelijk beëindiging van de toelating van de betreffende middelen, hadden bereikt. Het College oordeelt verder dat de situatie in het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2018 in de zaak Ronald Vermeulen/België wezenlijk verschilt, zodat daaraan geen procesbelang ontleend kan worden. Het College beoordeelt nog wel de beroepsgronden die betrekking hebben op Admire. Dit middel is op grond van een nieuwe Europese Verordening ingetrokken, maar het mag gebruikt worden tot 2022. Het College is tot de conclusie gekomen dat de over Admire genomen besluiten in stand kunnen blijven. Het gaat erom dat de aanvrager aantoont dat het op de markt te brengen middel geen schadelijke effecten heeft op de gezondheid van mensen en dieren en geen onaanvaardbare effecten heeft voor het milieu. Daarbij gaat het om effecten van het gebruik volgens de voorschriften. Het niet halen van de waterkwaliteitsnorm en het niet naleven van het waterzuiveringsvoorschrift doen daarom op zichzelf niet af aan de rechtmatigheid van de toelating van Admire.
De uitspraak op rechtspraak.nl