CBb 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:247

Partijen zijn het erover eens dat appellant voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van de knelgevallenregeling als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw. Appellant heeft dan ook recht op toepassing van die regeling. Dat appellant zijn gebruikelijke bedrijfsvoering na de peildatum heeft gewijzigd, doet hier niet aan af. De omstandigheid van de gebruikelijke bedrijfsvoering kan weliswaar een rol spelen bij de vraag of er een causaal verband is, maar verweerder heeft het causale verband in deze zaak niet in twijfel getrokken. Voor wat betreft de vaststelling van de totale melkproductie, is verweerder terecht aangesloten bij de gegevens uit het jaar 2012. Appellant heeft deze gegevens immers zelf in bezwaar ingebracht. De stelling van appellant dat deze periode – bij nader inzien – toch niet representatief is, is niet met stukken onderbouwd, nog daargelaten dat appellant ook niet heeft aangetoond welke periode dan wel representatief zou zijn. Verder is van een individuele en buitensporige last geen sprake. Zoals ter zitting besproken en niet door appellant betwist, ligt de oorzaak van de lage dieraantallen op de peildatum en de daaruit voortkomende gestelde financiële last bij de dierziekte. Van een causaal verband tussen het intreden van het fosfaatrechtenstelsel en de in het rapport gestelde financiële last is dan ook onvoldoende gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken