CBb 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1065
Artikel 23, derde lid, van de Msw. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht geconcludeerd dat appellant niet grondgebonden is, nu appellant perceel 19 op 15 mei 2015 niet als landbouwgrond in gebruik had en appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij 0,17 hectare grasland meer tot zijn beschikking had. Dat verweerder in zijn besluitvorming is uitgegaan van een gemiddeld aantal stuks jongvee dat niet overeenkomt met de CRV-rundveestaat heeft geen invloed op de vastgestelde hoeveelheid fosfaatrecht of de toegepaste korting nu de fosfaatproductie groter blijft dan de fosfaatruimte. Aan appellant wordt wel een schadevergoeding toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl