CBb 15 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:982
Landbouw. Korting op de uitbetaling van betalingsrechten omdat verweerder van 3 percelen een kleinere oppervlakte in aanmerking neemt dan de landbouwer had opgegeven. Het College beoordeelt ambtshalve of appellante bij het intekenen van die 3 percelen – met name bij het intekenen van de daarbinnen gelegen plantvakken en een poel – (een) kennelijke fout(en) heeft gemaakt. Het College oordeelt dat geen sprake is van kennelijke fouten, nu appellante er niet in is geslaagd om de plantvakken en de poel zo nauwkeurig als van haar mocht worden verwacht uit te tekenen. Wel heeft verweerder ten aanzien van één perceel, waarin de wallen behorend tot de vesting van [plaats] zijn gelegen, geen overtuigend bewijs ingebracht dat tot de conclusie leidt dat een daarin gelegen driehoekig gedeelte grond is verruigd. Appellante heeft foto’s getoond waarop grazende koeien op dat gedeelte grond zijn te zien. Het College oordeelt dat verweerder dat driehoekige gedeelte grond alsnog als subsidiabele landbouwgrond dient aan te merken. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl