CBb 27 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:757
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: artikelen 1, 23 en 25; Regeling S&O-afdrachtvermindering: artikel 2, aanhef en onder l. S&O-verklaring plantveredeling; vraag of de restplanten die appellante verkoopt prototypes met commerciële waarde zijn en de kosten en uitgaven die daarmee samenhangen niet in aanmerking komen voor S&O-afdrachtvermindering. Correctie S&O-verklaring. In de uitspraak van 5 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:49) heeft het College geoordeeld dat verweerder de planten die door appellante in het veredelingsproces zijn afgekeurd en verkocht, terecht aanmerkt als ‘prototypes met gebruikerswaarde’, zodat het kweken van die planten niet als S&O is aan te merken en de op die werkzaamheden betrekking hebbende uren, kosten en uitgaven niet voor een S&O-verklaring in aanmerking komen. Nu appellante ook de planten waar het hier om gaat verkoopt, bestaat geen aanleiding anders te oordelen. Het College ziet ook bij het subsidiaire standpunt, inhoudende dat de verdeelsleutel die verweerder voor een aantal kostenposten heeft toegepast ook voor de overige, afgewezen posten zou moeten gelden, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 5 februari 2019. Dat verweerder in dit geval op grond van de Handleiding een aantal posten met toepassing van een verdeelsleutel deels in aanmerking heeft genomen, doet hier niet aan af. Verweerder heeft terecht een correctie-S&O-verklaring afgegeven. Verweerder heeft de verkochte restplanten terecht als prototypes met gebruikerswaarde aangemerkt. De daarmee samenhangende kosten en uitgaven komen niet voor S&O in aanmerking. Het College is met verweerder van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder naar aanleiding van de aanvraag wist of behoorde te weten dat de restplanten werden verkocht.
De uitspraak op rechtspraak.nl