CBb 4 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:75
Het College verklaart het beroep van appellant ongegrond. Een redelijke uitleg van artikel 18, eerste lid, van de Hrw in verbinding met de artikelen 23 en 31 van het WvK brengt met zich dat in het geval wanneer sprake is van een dadingsovereenkomst, waarin de beëindiging van de vof is overeengekomen, ieder van de vennoten zelfstandig bevoegd is om opgave ter inschrijving van de beëindiging van de vof en de in dat verband gedreven onderneming in het handelsregister te doen. Verweerster heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende bevoegd was tot het doen van de in geding zijnde opgave en dat hiervoor de toestemming van appellant niet was vereist. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat verweerster de inschrijving van de ontbonden vof in het handelsregister dient te handhaven, onder de aantekening dat de vof per 1 juli 2018 in liquidatie verkeert met de vennoten als vereffenaren, overweegt het College dat verweerster terecht stelt dat hiervoor geen wettelijk verplichting valt aan te wijzen.
De uitspraak op rechtspraak.nl