CBb 16 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:407

Artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet en 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (aanleg infrastructuur) In verband met de realisatie van de Centrale As (N356), heeft appellante delen van haar (deels gepachte) grond moeten afstaan aan de provincie Friesland. De Centrale As loopt nu over voormalig land van appellante en doorkruist op vier verschillende locaties haar bedrijf waardoor dit versnipperd is geraakt. Het beroep op artikel 72a, eerste lid, Uitvoeringsbesluit slaagt niet. Gebleken is dat er op 2 juli 2015 weliswaar minder dieren aanwezig waren dan in 2013 (op de alternatieve peildatum), maar dat de dieraantallen in de periode 2013-2015 fluctueren en dat er in januari en april 2015 zelfs meer dieren op het bedrijf waren dan in 2013, terwijl de infrastructurele werken in april 2015 zijn begonnen. Hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd acht het College onvoldoende om aan te nemen dat er op 2 juli 2015 sprake was van een tijdelijke daling in de veebezetting ten gevolge van de infrastructurele werkzaamheden. Het beroep op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid slaagt evenmin. Niet geproduceerde melk (oftewel, productiedaling als gevolg van dierziekte) kan niet worden betrokken in de vaststelling van de omvang van de melkproductie 2013. Er dient een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum plaats te vinden. Voor het betrekken van niet gerealiseerde melkproductie (ten gevolge van ziekte), is, evenals voor het betrekken van niet gerealiseerde uitbreiding, geen plaats (zie de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4, en van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken