CBb 16 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:404

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, Tabaks- en rookwarenwet. In een ruimte, gebouw of inrichting waar een werknemer zijn werkzaamheden verricht of pleegt te verrichten niet of onvoldoende voldaan aan de verplichting tot het instellen en handhaven van een rookverbod. Het door appellant niet-naleven van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, Tabaks- en rookwarenwet heeft de staatssecretaris gebaseerd op het onderzoek van de toezichthouders van NVWA, zoals beschreven in het door een van hen naar waarheid opgemaakte en ondertekende rapport van bevindingen van 23 mei 2017. Het College stelt voorop dat het aan de staatssecretaris is om het bewijs te leveren van de feiten die hij ten grondslag legt aan het boetebesluit. Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een naar waarheid opgemaakt en ondertekend rapport van een toezichthouder, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Het College is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ruimte in zijn bedrijfsgebouw, gezien de (huiselijke) inrichting ervan, had moeten worden aangemerkt als een privéruimte als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, Tabaks- en rookwarenbesluit. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding geven aan de juistheid en de volledigheid van de inhoud van het rapport van bevindingen te twijfelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken