CBb 16 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:403

Artikel 2, eerste lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen. Het door appellant niet-naleven van artikel 2, eerste lid, Warenwetbesluit heeft de minister gebaseerd op het onderzoek van de toezichthouders van NVWA, zoals beschreven in het door een van hen naar waarheid opgemaakte en ondertekende rapport van bevindingen van 23 mei 2017. Het College stelt voorop dat het aan de minister is om het bewijs te leveren van de feiten die hij ten grondslag legt aan het boetebesluit. Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een naar waarheid opgemaakt en ondertekend rapport van een toezichthouder, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Naar het oordeel van het College voldoet het rapport van bevindingen van 23 mei 2017 niet aan de eisen waaraan het moet voldoen om te kunnen dienen als bewijs van overtreding door appellant van de hygiënevoorschriften. De bevindingen zijn in het rapport slechts zeer summier, in algemene bewoordingen en onvoldoende duidelijk omschreven. De bevindingen worden ook niet ondersteund door bijbehorende foto’s waaruit (de aard en de mate van) de vervuiling blijkt. Het College is van oordeel dat appellant een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat een groene verkleuring tussen de tegelwand en de koelceldeur kan worden waargenomen. Voor de verkleuring op het onderste deel van de spanten – volgens appellant waren het roestplekken en stond een verfbeurt in de planning – heeft appellant een verklaring gegeven die, gezien het ontbreken van enig feitelijk detail in de omschrijving van de bevindingen in het rapport, op voorhand niet onaannemelijk voorkomt. Ter zitting van het College heeft de betreffende toezichthouder overigens als getuige slechts verklaard dat hij zich de verontreinigingen waarover in het rapport wordt gesproken niet meer herinnert, maar aanneemt dat hij heeft opgeschreven wat hij toen heeft geconstateerd. Het College is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister het rapport van bevindingen van 23 mei 2017 in zoverre niet als basis voor zijn besluitvorming heeft mogen gebruiken en ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit heeft overtreden en hem daarvoor een boete heeft opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken