CBb 14 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:274

Verweerder heeft in redelijkheid besloten tot invordering van twee verbeurde dwangsommen vanwege het niet voldoen aan de opgelegde last onder dwangsom. Het gezondheidsprotocol waarvan appellant in zijn inrichting gebruik maakte voldoet niet aan artikel 3.14, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Uit de tekst en de strekking van artikel 3.14, eerste lid, van het Bhd volgt dat een gezondheidsprotocol waarvan in een inrichting gebruik wordt gemaakt, moet zijn toegespitst op de gezelschapsdieren die in die inrichting worden gehouden. Uit deze bepaling blijkt immers dat het protocol gericht moet zijn op de dagelijkse controle van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven. Gesteld noch gebleken is dat appellant zich nader heeft laten informeren omtrent het juiste gebruik van een gezondheidsprotocol, hetgeen tot zijn verantwoordelijkheid als bedrijfsmatig houder van dieren behoort.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken