CBb 3 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:120
Wet financieel toezicht. Boetes betaaldienstverlener o.a. wegens niet beschikken over een onafhankelijke en effectieve compliance functie (art. 3:17 Wft jo. art. 21 lid 1 Bpr) en tekortschietende naleving van de verplichting tot cliëntmonitoring (art. 3 lid 2 sub d Wwft) en van de opleidingsverplichting (art. 35 Wwft). Dat DNB al op andere wijze, namelijk door het geven van een aanwijzing, het voeren van een normoverdragend gesprek en het geven van een waarschuwing, kenbaar had gemaakt dat appellante tekortschoot in de naleving van wet- en regelgeving brengt niet met zich dat DNB niet meer de bevoegdheid had om ter zake alsnog over te gaan tot oplegging van bestuurlijke boetes. De hier aan de orde zijnde overtredingen kunnen ook zonder het naar gesteld wilsafhankelijke materiaal worden bewezen. De vaststelling van DNB dat appellante in de hier aan de orde zijnde periode ten onrechte niet over een organisatieonderdeel beschikte dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent, is naar het oordeel van het College in de omstandigheden van dit geval een toepassing van aan een betalingsinstelling te stellen eisen van deugdelijk bestuur die overeenkomt met artikel 10, vierde lid, van de Richtlijn betaaldiensten. Bevestiging bestreden uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl