CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:112
De omstandigheid dat mogelijk een interne, kerkrechtelijke rechtsgang zou openstaan, ontslaat verweerster niet van haar wettelijke onderzoeksplicht (artikel 4 en 5 Hrb) en kan niet afdoen aan de publiekrechtelijke bevoegdheid en verplichting van verweerster om een besluit te nemen inzake een opgave tot inschrijving en op basis van een ontvankelijk bezwaar over te gaan tot een volledige heroverweging. Het College overweegt voorts dat de genoemde onderzoeksplicht niet zover gaat dat verweerster, in het kader van de door haar bij de toepassing van deze wettelijke bepalingen aan te leggen toetsing, zich een oordeel zou moeten vormen omtrent de door appellanten gestelde – en tussen hen en belanghebbenden voorwerp van een civiel geding zijnde – toepasselijkheid van Duits en/of kerkelijk recht en de gevolgen daarvan voor de gelding van dwingendrechtelijke voorschriften van Nederlands burgerlijk recht. Verweerster heeft zich op het standpunt mogen stellen dat ter zake het oordeel van de burgerlijke rechter moet worden afgewacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl