CBb 22 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:1016
Accountantstuchtrecht. Klacht over de controle van jaarrekeningen ingediend tegen de accountant die de dagelijkse leiding had over het controleteam, nadat aan de eindverantwoordelijke accountant de maatregel van waarschuwing is opgelegd. Het verwijt dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden door in het controleproces geen vragen te stellen en nooit te twijfelen, is niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat in de tuchtprocedure tegen de eindverantwoordelijke accountant van betrokkene en haar rol in het controleproces niet is gebleken, volstaat niet. Dit zegt niets over de wijze waarop betrokkene haar werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij deze stand van zaken kan niet van betrokkene worden verlangd dat zij stukken uit het controledossier overlegt teneinde het gestelde verwijt te weerleggen. Verder is ook niet aannemelijk gemaakt dat de jaarrekening geen getrouw beeld geeft van het eigen vermogen of resultaat of niet aan wet- en regelgeving voldoet. Een aantal opgeworpen punten heeft appellant niet nader toegelicht en sommige zijn van zodanig ondergeschikte betekenis dat ze in het kader van deze klacht over handelen of nalaten in het kader van de controle van de jaarrekening buiten beschouwing kunnen blijven. In een aantal gevallen heeft appellant bovendien veeleer een kwestie van boekhouding aan de orde gesteld en voor zover hij een verificatie- of evaluatieprobleem in het kader van de controle van de jaarrekening heeft aangekaart, heeft betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat de kwestie vanwege de gehanteerde materialiteitsgrens buiten de scope van de controle viel. Alles bijeengenomen is het College van oordeel dat niet gebleken is dat betrokkene in haar werkzaamheden tekort is geschoten.
De uitspraak op rechtspraak.nl