CBb 17 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:679
Met appellant is het College van oordeel dat voor de vraag of de uitscharingsregeling moet worden toegepast, het houderschap van het uitgeschaarde vee een bepalende factor is. Verweerder gaat, om te bepalen aan wie het fosfaatrecht toekomt, ingevolge het bepaalde in artikel 23, derde lid, van de Msw in beginsel terecht uit van de I&R registratie. Deze kan over het algemeen immers voor juist worden gehouden waar het gaat om de vraag wie de dieren houdt. Dat laat onverlet dat in voorkomende gevallen door de melkveehouder aan de hand van voldoende tegenbewijs aangetoond kan worden dat de I&R registratie niet de werkelijke situatie ten tijde van de peildatum weergeeft. In dat geval dient van de aangetoonde, werkelijk situatie te worden uitgegaan. Uit de door appellant gegeven omschrijving van de bedrijfsvoering volgt dat hij (opnieuw) houder was van het vee, nadat het vee eenmaal was teruggekomen van de inschaarder. Appellant heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verweerder in dit specifieke geval niet, althans niet zonder nadere motvering, uit heeft mogen gaan van de I&R registratie.
De uitspraak op rechtspraak.nl