CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:620

Accountantstuchtrecht. NVCOS 5500N transactiegerelateerde adviesdiensten. Een accountant die een rapport inzake de waardering van de aandelen van een vennootschap heeft uitgebracht en die van een aandeelhouder, niet zijnde de opdrachtgever, het verzoek krijgt de achterliggende stukken te verstrekken, dient er in de regel op te wijzen dat een aandeelhouder zonder meer aanspraak heeft op inzage in of verstrekking van de jaarstukken. In de hier aan de orde zijnde context acht het College het echter niet verwijtbaar dat appellant dit achterwege heeft gelaten. In zoverre hoger beroep gegrond. Het feit dat het College dit klachtonderdeel alsnog ongegrond acht, doet aan de ernst van de voor het overige vastgestelde tuchtrechtelijke verwijten niet af. Appellant moet met name ernstig worden aangerekend dat hij ter uitvoering van de opdracht inzake de waardering van de aandelen van een vennootschap een rapport heeft uitgebracht dat op wezenlijke onderdelen niet op deugdelijke grondslagen berust, dat hij daarbij zijn oren te veel naar zijn opdrachtgever heeft laten hangen en er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat in de context waarin hij rapporteerde te verwachten viel dat zijn rapport deel zou kunnen gaan uitmaken van een gerechtelijke procedure. Bij de weging van de ernst van de gedraging en de zwaarte van de op te leggen maatregel komt naar het oordeel van het College wel degelijk gewicht toe aan het feit dat appellant zich eerder bij het uitvoeren van een opdracht tot aandelenwaardering (in het kader van het verlenen van bijstand aan een partij in een echtscheidingsprocedure) schuldig heeft gemaakt aan het onvoldoende betrachten van objectiviteit en aan onvoldoende zorgvuldig en deskundig handelen. De accountantskamer heeft terecht passend en geboden geacht appellant de maatregel op te leggen van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken