CBb 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:427
Msw, artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit, artikel 1 van het EP en de Dienstenwet. Naar het oordeel van het College is in het geval van appellante geen sprake van een nieuw gestart bedrijf. Ook het beroep van appellante op artikel 1 van het EP slaagt niet. Appellante liep met de beslissing om een nieuwe locatie aan te kopen en te gaan exploiteren op de wijze zoals zij heeft gedaan, gezien het moment in de tijd, meer dan het gebruikelijke ondernemersrisico. Dat die beslissing gevolgen heeft voor de verdere bedrijfsvoering, komt voor rekening van appellante. Van bijzondere omstandigheden om van dit beginsel af te wijken, is het College niet gebleken. Ook het beroep van appellante op artikel 28 van de Dienstenwet slaagt niet. Het College vindt in de Dienstenwet, de bijbehorende parlementaire geschiedenis, noch in de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) een aanknopingspunt voor de stelling van appellante dat de melding buitengewone omstandigheden en/of het beroep op artikel 1 van het EP als een aanvraag van vergunningen moet worden opgevat.
De uitspraak op rechtspraak.nl