CBb 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:382
Geen inbreuk op artikel 1 van het EP. De beroepsgrond van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau en op individueel niveau in strijd is met artikel 1 van het EP faalt. De bijzondere omstandigheid van bedrijfsverplaatsing vanwege natuurontwikkelingsplannen maakt niet dat er in het geval van appellante sprake is van een individuele en buitensporige last. Bij de keuze tot aankoop van een nieuwe bedrijfslocatie en voortzetting van de uitbreidingsplannen op die nieuwe locatie, kan van een melkveehouder als professionele ondernemer worden verwacht dat hij alle daarbij behorende risico’s afweegt, waaronder moeilijkheden bij het verkrijgen van een geschikte, nieuwe locatie, vertragingen bij de vergunningverlening, maar ook de mogelijkheid dat de aanleg van het natuurgebied uiteindelijk geen doorgang vindt. Ook is niet gebleken van een bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding. Het door appellante overgelegde rapport mist voldoende bewijskracht ter onderbouwing van de door haar gestelde financiële last. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
De uitspraak op rechtspraak.nl