CBb 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:233
Wet Markt en Overheid. In deze zaak gaat het om een verklaring van ACM op grond van artikel 70c, eerste lid, onder a, van de Mededingingswet, dat appellant niet de integrale kosten van het verhuren van ligplaatsen in boxen aan particulieren in rekening heeft gebracht. Volgens appellant heeft ACM de integrale kosten van de verhuur van ligplaatsen in boxen niet juist berekend. Dat betoog slaagt niet. Het College volgt ACM in het standpunt dat de haveninfrastructuur een productiemiddel betreft. 50% van de kosten van de haveninfrastructuur kunnen worden toegerekend aan de functie havenactiviteiten. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ook heeft ACM het vermogenskostenpercentage op de juiste wijze vastgesteld. Geen strijd met het verbod van reformatio in peius en geen aanleiding tot het toekennen van proceskosten voor bezwaar. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl