CBb 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:106
Zaaizaad en Plantgoedwet 2005 (ZPW) Kwekersrecht. Het College is van oordeel dat verweerder niet bevoegd is een door hem verleend kwekersrecht in te trekken. Uit de artikelen 75 en volgende van de ZPW vloeit voort dat het de civiele rechter is die bevoegd is tot vernietiging van het kwekersrecht, en dat zodanige vernietiging te allen tijde kan worden gevorderd door een belanghebbende dan wel door of namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Met deze bevoegdheid van de civiele rechter is de door verweerder bepleite (impliciete) bevoegdheid van verweerder tot intrekking van een verleend kwekersrecht niet verenigbaar. Indien verweerder zou worden gevolgd in zijn standpunt dat hem, impliciet, de bevoegdheid toekomt tot het intrekken van een verleend kwekersrecht, zou dat meebrengen dat geschillen tussen kwekers over een verleend kwekersrecht via besluitvorming door verweerder aan de bestuursrechter in plaats van aan de civiele rechter zouden kunnen worden voorgelegd. Een kweker zou dan verweerder kunnen verzoeken een aan een ander verleend kwekersrecht in te trekken. Daarmee zou de op de artikelen 75 en 78 van de ZPW berustende bevoegdheid van de civiele rechter naar het oordeel van het College op onaanvaardbare wijze worden doorkruist.
De uitspraak op rechtspraak.nl