CBb 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:206
Tussenuitspraak. Boete opgelegd van € 2.000.000,- wegens overtreding van artikel 2:60, eerste lid, van de Wft. Boetehoogte gebaseerd op het door de overtreding verkregen voordeel, welke mogelijkheid is neergelegd in artikel 1:81, derde lid, van de Wft (oud). Het College sluit aan bij de uitleg van het begrip ‘voordeel’ als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Slechts de kosten die in directe relatie staan tot de overtreding kunnen gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Het is in beginsel aan de overtreder om aannemelijk te maken dat de kosten die worden opgevoerd daadwerkelijk en tot de gestelde hoogte zijn gemaakt en dat deze in direct verband staan met de overtreding. Het College ziet niet in dat belastingen zich zodanig onderscheiden van kosten die in directe relatie tot de overtreding staan dat met de belastingheffing geen rekening dient te worden gehouden. De fiscale aftrekuitsluiting van de bestuurlijke boete staat niet in de weg aan de aftrek van de verschuldigde belastingen. Deze is gecreëerd om te voorkomen dat het effectief bestraffend karakter van de boete wordt ondermijnd indien (een deel van) het bedrag van de opgelegde boete op de fiscus kan worden afgewenteld (Kamerstukken II 1988-1989, 20 857, nr. 3, p. 2). In dit geval ligt de vraag voor of AFM de juiste methode heeft gehanteerd voor het berekenen van het verkregen voordeel om te bepalen of wordt voldaan aan het drempelbedrag van artikel 1:81, derde lid, van de Wft. Niet in geschil is dat de opgelegde boete in zijn geheel onder de fiscale aftrekuitsluiting valt. Van afwenteling in vorenbedoelde zin is dus geen sprake. Het College is daarom van oordeel dat bij het bepalen van het voordeel zoals bedoeld in artikel 1:81, derde lid, van de Wft ook rekening dient te worden gehouden met de over het genoten voordeel verschuldigde belasting. Volgt een bestuurlijke lus.
De uitspraak op rechtspraak.nl