CBb 4 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:240

Artikel 1, sub n, van de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 zondert van het begrip speur- en ontwikkelingswerk uit het bouwen van een pilot-plant op productieschaal met een productieve of commerciële betekenis. Dit betreft een uitzondering, zodat een ruime uitleg van deze wettelijke bepaling niet is aangewezen. Het is aan verweerder, die zich immers op deze uitzondering beroept, om aannemelijk te maken dat de proeflijn een productieve of commerciële betekenis heeft. Verweerder is daarin niet geslaagd. Hij heeft nagelaten hiernaar gericht onderzoek te doen, in de veronderstelling dat voor een beroep op de uitzondering volstaat dat, zoals hier, niet op voorhand valt uit te sluiten dat een pilot-plant op productieschaal productieve of commerciële betekenis zou kunnen hebben. Daarbij is verweerder dus uitgegaan van een verkeerde wetsuitleg. De beroepsgrond slaagt. De op 30 december 2013 afgegeven beschikking laat aan duidelijkheid niets te wensen over, voor de hier van belang zijnde kosten is de aanvraag afgewezen. Het telefoongesprek dat op 30 december 2013 plaatsvond, vormt een duidelijke bevestiging dat de onderhandelingen zijn geëindigd en dat verweerder met de door hem voorgestelde 25% de grens van zijn oplossingsbereidheid had bereikt. Onder die omstandigheden vormde het resultaat van het overleg zoals dat op 6 januari 2014 aan appellante werd meegedeeld een op zijn minst verrassende breuk met verweerders eerdere, aan appellante kenbare opstelling. Dat had appellante ten minste tot enige voorzichtigheid aanleiding behoren te geven. De mededeling van 6 januari 2014 is voor appellante niet gedragsbepalend geweest. Kort na die mededeling moet het voor haar uit de berichten van de dossierhouder duidelijk zijn geworden dat de door haar veronderstelde toezegging nogal discutabel was. Daar komt nog bij dat de mededeling van 6 januari 2014 niet (volledig) ongeclausuleerd was en dat deze mededeling nog veel wezenlijke details onuitgewerkt laat. In dat verband heeft de aandacht van het College getrokken dat het door verweerder voorgestelde percentage (25%) mede betrekking had op een aanzienlijke kostenpost, die in de beschikking van 30 december 2013 ten volle is gehonoreerd, terwijl de mededeling van 6 januari 2014 geen uitsluitsel geeft of die kostenpost mede in de 50% zou worden betrokken. Appellante heeft zodoende geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan de mededeling van 6 januari 2014 dat haar aanvraag tot 50% zou worden gehonoreerd. Art 3.52a, 1, Wet inkomstenbelasting 2001 Art 1, sub n, Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 Art 5 Besluit RDA Art 1, sub g, Besluit RDA

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken