CBb 11 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:272
Nu ACM de in de WACC opgenomen kostenvoet voor vreemd vermogen voor de komende reguleringsperiode afstemt op de kosten van nieuw vreemd vermogen, valt niet uit te sluiten dat de in de eindinkomsten opgenomen rentevergoeding voor vreemd vermogen geen volledige dekking biedt voor de kosten voor vreemd vermogen, aangezien de kosten van lopende leningen in de komende reguleringsperiode – gegeven de daling van de rente die zich in de afgelopen jaren heeft voorgedaan – hoger liggen dan de verwachte kosten voor nieuw aan te trekken vreemd vermogen. ACM heeft ontoereikend gemotiveerd waarom zij afwijkt van eerdere reguleringsperioden. Bij de bepaling van de WACC geldt als uitgangspunt dat een gereguleerde onderneming haar financieringskosten vergoed krijgt. In zijn uitspraak van 23 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:184, r.o. 9.4.2) heeft het College specifiek in deze zin geoordeeld ten aanzien van de keuze van een onderneming voor langjarige in plaats van (wellicht goedkopere) kortjarige financiering met vreemd vermogen. Bij gebreke van een beursnotering, is het onmogelijk om de bèta van TenneT op basis van geobserveerde marktdata van TenneT zelf te berekenen; ACM is aangewezen op vergelijkbare ondernemingen die wel beursgenoteerd zijn. ACM heeft voldoende onderbouwd dat de betrokken ondernemingen vergelijkbaar zijn met TenneT. Het is weliswaar niet uitgesloten dat TenneT per saldo hogere risico's loopt dan ondernemingen in de vergelijkingsgroep, maar het ligt – gelet op de onderbouwde stelling van ACM dat de ondernemingen voldoende vergelijkbaar zijn met TenneT – op de weg van TenneT om concrete omstandigheden aan te dragen die daarop wijzen. Hierin is TenneT naar het oordeel van het College niet geslaagd. Het College neemt aan dat het gewicht voor bevolkingsdichtheid modelconform is bepaald. Dat roept de vraag op of een model dat bij een, betrekkelijk geringe, stijging van de WACC met 1,64%, een zodanige verschuiving in de relatieve kostenverklarende gewichten van de outputfactoren vertoont dat het gewicht voor bevolkingsdichtheid bijna wordt gehalveerd, voor reguleringsdoeleinden bruikbare resultaten oplevert. Daar komt bij dat het maximale gewicht van bevolkingsdichtheid abrupt afneemt bij een WACC tussen de 5 en 6%, en de coëfficiënt tot de 5% en vanaf de 6% stabiel verloopt. Door de outlierdetectie wijzigt de vergelijkingsgroep zodanig dat voor de resterende waarnemingen een mindere mate van correlatie bestaat tussen kosten enerzijds en output op bevolkingsdichtheid anderzijds, met een lagere coëfficiënt als gevolg. ACM heeft betoogd dat het juist een kenmerk is van de robuustheid van het model dat de outlierdetectie atypische waarnemingen verwijdert. De factor bevolkingsdichtheid is vooral gerelateerd aan de opex, en niet aan de capex, wat, zo begrijpt het College, in de visie van ACM ook verklaart waarom de coëfficiënt van bevolkingsdichtheid bij een stijgende WACC (want stijgende capex) afneemt. Deze stelling van ACM verklaart de halvering van het gewicht van bevolkingsdichtheid niet afdoende, nu bij WACC-stijgingen tot 5% en vanaf 6% geen grotere wijzigingen in dit gewicht optreden. Er is dus geen sprake van dat het opex-karakter van de factor bevolkingsdichtheid in algemene zin ertoe leidt dat stijgende WACC/capex een afname van het gewicht ervan tot gevolg heeft. Het College gaat er dan ook vanuit dat de halvering van dit gewicht uitsluitend is terug te voeren op de in het model opgenomen outlierdetectie, die bij een WACC tussen de 5 en 6% het aantal bruikbare observaties wijzigt. Naar het oordeel van het College stelt het kostenbenchmarkmodel in de toepassing op de nu voorliggende vergelijkingsgroep de uitkomsten op zodanige wijze afhankelijk van het gebruikte WACC-niveau, dat deze uitkomsten vanuit reguleringsoogpunt niet zonder meer aan de berekening van de (statisch) efficiënte kosten ten grondslag kunnen worden gelegd. De kans is reëel – zoals TenneT ook heeft betoogd – dat bij een toekomstige toepassing van het model waarbij een lager WACC-niveau wordt gehanteerd (bijvoorbeeld het voor 2014-2016 vastgestelde percentage) de efficiëntie van TenneT wezenlijk hoger uitvalt dan nu, ook zonder dat sprake is van reële efficiëntieverbeteringen van de kant van TenneT. Dergelijke fluctuaties verhouden zich niet met het ook door ACM onderschreven belang van bestendigheid en voorzienbaarheid van de regulering en nopen naar het oordeel van het College tot een aanmerkelijk terughoudender toepassing van de uitkomsten van de benchmark. Bezien in de gehele context van artikel 16, zesde lid, van de Elektriciteitsverordening kan aan de door Tennet aangehaalde zinsnede niet de conclusie verbonden worden dat deze bepaling TenneT verplicht de operationele kosten van de NorNed-kabel te voldoen uit de veilinggelden. Deze grond slaagt niet. De besluiten van ACM om de operationele kosten van de NorNed-kabel in de regulering te betrekken blijven in stand.
De uitspraak op rechtspraak.nl