CBb 29 januari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ4110
Accountantstucht. Fraude. De klacht luidde (klachtonderdeel a) dat de accountant bij de controle van de jaarrekeningen, ondanks dat deze had gewezen op een frauderisico, de door een medewerker van klaagster gepleegde fraude niet heeft gesignaleerd, (klachtonderdeel b) dat de door de accountant afgegeven goedkeurende accountantsverklaringen niet op een deugdelijke grondslag berusten en (klachtonderdeel c) dat de accountant heeft gehandeld in strijd met de eisen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag. Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen gegrond verklaard en de accountant de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het door de accountant ingestelde hoger beroep is gegrond. Het College verklaart klachtonderdeel a in hoger beroep alsnog ongegrond omdat de accountant omtrent het niet ontdekken van de fraude geen verwijt kan worden gemaakt. De primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en ontdekken van fraude berust bij klaagster zelf. De grief faalt ten aanzien van klachtonderdelen b en c. Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat klachtonderdeel c gegrond is, hoewel het aan de accountant te maken verwijt geen betrekking heeft op de advisering aan klaagster, maar op het niet treffen van voldoende controlemaatregelen door de accountant. Gelet op dit verzuim moet worden geoordeeld dat de afgegeven goedkeurende accountantsverklaringen niet op een deugdelijke grondslag berusten, zodat klachtonderdeel b eveneens gegrond is. Het College acht eveneals de accountantskamer de maatregel van schriftelijke waarschuwing passend en geboden. (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0080)
De uitspraak op rechtspraak.nl