CBb 21 juni 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW9934
Beroep tegen de door de accountantskamer getroffen voorlopige voorziening van tijdelijke doorhaling ivan de betreffende accountant het register. Het beroep tegen de getroffen voorziening is ongegrond. Het NIVRA had om deze voorziening verzocht nu een vierde klacht in korte tijd was ingediend tegen de accountant waarbij het om eenzelfde tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging ging. Het betreft een ordemaatregel die kan worden opgelegd in het geval tegen een accountant ernstige bezwaren zijn gerezen en het gezien de bescherming van het openbaar belang aangewezen is de accountant met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen. Gelet op de aard van die klachten (grievend en grof taalgebruik in verschillende verschijningsvormen) en het ontbreken van aanwijzingen – ondanks de reeds aan appellant opgelegde maatregelen – dat appellant de ernst van zijn gedragingen inziet en tot gedragsverandering zal overgaan is er in dit geval voldoende grond voor het oordeel dat een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn zodat het tijdelijk doorhalen van de inschrijving van betrokkene is aangewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl