CBb 9 januari 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AA9413
Dat de vergoeding die de leden daarvoor betalen, ligt besloten in hun contributie, maakt niet dat niet gesproken kan worden van een premie, zijnde de in geld uitgedrukte tegenprestatie, in de zin van artikel 1, eerste lid, onder r, van de Wtv. Dat de aanvullende juridische dienstverlening die appellante met het Rechtshulp Plus Pakket aanbiedt, niet een hoofdactiviteit voor haar vormt, staat evenmin in de weg aan verweersters beslissing, omdat van een schadeverzekeringsbedrijf in de zin van de Wtv ook sprake kan zijn, indien slechts een deel van de activiteiten als zodanig is aan te merken. Appellante heeft voorts aangevoerd dat vakverenigingen sinds jaar en dag juridische diensten aan hun leden verlenen en dat het recht hierop inherent is aan de lidmaatschapsverhouding. Dienaangaande overweegt het College dat niet met grond kan worden gesproken van een interne dienstverlening die blijft binnen de grenzen van een ondersteuning die vakorganisaties traditioneel hun leden plegen te bieden. Immers, naar appellante niet heeft weersproken, het Rechtshulp Plus Pakket gaat verder dan een ondersteuning bij arbeids- en sociaalrechtelijke kwesties, maar omvat ook een professionele, door derden te verlenen rechtsbijstand die op andere dan genoemde rechtsgebieden van toepassing is, en die strekt ten behoeve van een kring van verzekerden die niet strikt tot de leden zelf is beperkt. Reeds daarom kan bedoelde verwijzing van appellante naar een sinds jaar en dag bestaande juridische dienstverlening van vakverenigingen, haar niet baten.
De uitspraak op rechtspraak.nl