Gerecht EU 28 januari 2026, T-653/24, ECLI:EU:T:2026:48

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (prejudiciële kamer)

28 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Accijns – Andere indirecte belastingen op accijnsgoederen – Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG – Begrip ‚andere indirecte belasting’ – Tarifaire bijdrage over de transmissie en distributie van elektriciteit – Doorberekening van de belasting aan de verbruiker – Rechtstreeks en onlosmakelijk verband tussen de belasting en het elektriciteitsverbruik”

In zaak T‑653/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissing van 29 november 2024, ingekomen bij het Hof op 6 december 2024, in de procedure

Accorinvest,

Société générale

tegen

Ministre de l’Économie, des Finances et de la Souveraineté industrielle et numérique,

wijst

HET GERECHT (prejudiciële kamer),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, T. Pynnä (rapporteur), J. Laitenberger, G. Hesse en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 18 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 12 september 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Accorinvest en Société Générale, vertegenwoordigd door S. Espasa Mattei en J.‑P. Renaudin, advocaten,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en M. Herold als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee in het hoofdgeding gevoegde procedures tussen Accorinvest respectievelijk Société générale enerzijds en de ministre de l’Économie, des Finances et de la Souveraineté industrielle et numérique (minister van Economische Zaken, Financiën en Industriële en Digitale Soevereiniteit, Frankrijk) anderzijds over de rechtmatigheid van een belasting die deze vennootschappen op grond van de Franse regelgeving hebben betaald voor het sluiten van overeenkomsten voor toegang tot het elektriciteitsnet.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Richtlijn 2008/118 is ingetrokken bij richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB 2020, L 58, blz. 4). Richtlijn 2008/118 blijft echter ratione temporis van toepassing op de feiten in het hoofdgeding.

4 Artikel 1 van richtlijn 2008/118 bepaalde: „1. Bij deze richtlijn wordt de algemene regeling vastgesteld ter zake van de directe of indirecte heffing van accijns op het verbruik van de volgende goederen, hierna ‚accijnsgoederen’ genoemd: a) energieproducten en elektriciteit vallende onder richtlijn 2003/96/EG [van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51)]; [...] 2. De lidstaten kunnen op accijnsgoederen nog andere indirecte belastingen met specifieke doeleinden heffen, mits daarbij de communautaire belastingvoorschriften inzake de accijns of de btw in acht worden genomen wat betreft de vaststelling van de maatstaf van heffing en de berekening, de verschuldigdheid en de controle van de belasting, met dien verstande dat de bepalingen betreffende vrijstellingen niet tot die belastingvoorschriften behoren. 3. De lidstaten kunnen belastingen heffen op: [...] b) diensten, daaronder begrepen diensten die betrekking hebben op accijnsgoederen, mits die belastingen niet het karakter van een omzetbelasting hebben. [...]”

Nationaal recht

5 Artikel 18 van loi no 2004‑803, du 9 août 2004, relative au service public de l’électricité et du gaz et aux entreprises électriques et gazières (wet nr. 2004‑803 van 9 augustus 2004 betreffende de openbare dienst voor elektriciteit en gas en de elektriciteits- en gasbedrijven; hierna: „wet van 9 augustus 2004”) bepaalt: „I. Er wordt een tarifaire bijdrage over de transmissie en distributie van elektriciteit ingevoerd ten gunste van de Caisse nationale des industries électriques et gazières [(nationaal fonds voor de elektriciteits- en gassector, Frankrijk)]. [...] II. Deze tarifaire bijdrage is verschuldigd: 1° voor elektriciteit: a) door de beheerders van de openbare transmissie- of distributienetten die deze bijdrage, bovenop het tarief voor het gebruik van de openbare transmissie- en distributienetten [...], innen bij de verbruikers [...] met wie deze beheerders een overeenkomst betreffende toegang tot het net hebben gesloten; b) door elektriciteitsleveranciers die deze bijdrage, bovenop hun verkoopprijs, innen bij de verbruikers [...], wanneer deze leveranciers een overeenkomst betreffende toegang tot het net hebben gesloten [...] om aan deze verbruikers te leveren; c) door elektriciteitsleveranciers die deze bijdrage, bovenop de verkooptarieven [...], innen [...]; [...] III. De tarifaire bijdrage is gebaseerd op: 1° voor elektriciteit: – het vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het tarief voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten, wanneer de tarifaire bijdrage verschuldigd is overeenkomstig punt II, 1°, onder a); – het vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het gedeelte met betrekking tot het gebruik van de netten, begrepen in de verkoopprijs van elektriciteit, wanneer de tarifaire bijdrage verschuldigd is overeenkomstig punt II, 1°, onder b); – het vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het gedeelte met betrekking tot het gebruik van de netten, begrepen in de gereguleerde tarieven voor de verkoop van elektriciteit, wanneer de tarifaire bijdrage verschuldigd is overeenkomstig punt II, 1°, onder c); [...] IV. De tarifaire bijdrage uit hoofde van de door onder punt II genoemde personen gesloten overeenkomsten voor het verrichten van de onder punt I genoemde diensten is verschuldigd op het tijdstip van de inning van de vooruitbetalingen of de prijs door de bijdrageplichtige of, naar keuze van laatstgenoemde, op het tijdstip van debitering daarvan; in dat geval is zij hoe dan ook verschuldigd op het tijdstip van de inning van de vooruitbetalingen of de prijs wanneer deze voorafgaat aan de debitering. [...] VII. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld bij een na advies van de Conseil d’État [(hoogste bestuursrechter, Frankrijk)] vastgesteld decreet.”

6 Artikel 1 van décret no 2005‑123, du 14 février 2005, relatif à la contribution tarifaire sur les prestations de transport et de distribution d’électricité et de gaz naturel (decreet nr. 2005‑123 van 14 februari 2005 betreffende de tarifaire bijdrage over de transmissie en distributie van elektriciteit en aardgas; hierna: „decreet van 14 februari 2005”), in de versie die gold tot en met 31 juli 2017, bepaalde het volgende: „I. Het vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het tarief voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten, vermeld in artikel 18, punt III, lid 1, van de wet van 9 augustus 2004, bestaat uit de som van: – de jaarlijkse beheerscomponent, zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de geldende tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten; – de jaarlijkse meetcomponent, zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de geldende tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten; – het vaste gedeelte van de jaarlijkse afnamecomponent [...]; – het vaste gedeelte van de jaarlijkse component voor aanvullende en noodstroomvoorzieningen [...]”.

7 Artikel 1 van het decreet van 14 februari 2005, in de versie die van toepassing is vanaf 1 augustus 2017, bepaalt: „[...] [H]et vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het tarief voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten bestaat uit de som van de in de leden 1 tot en met lid 4 opgesomde tariefcomponenten, zoals vastgesteld in de besluiten tot goedkeuring van de geldende tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitstransmissie- en distributienetten: 1° de jaarlijkse beheerscomponent; 2° de jaarlijkse meetcomponent; 3° het vaste gedeelte van de jaarlijkse afnamecomponent. Dit vaste gedeelte bestaat uit de elementen van de tariefformules met betrekking tot deze component, die afhankelijk zijn van het gecontracteerde vermogen, met uitzondering van de maandelijkse componenten voor overschrijdingen van het gecontracteerde vermogen; 4° het vaste gedeelte van de jaarlijkse component voor aanvullende en noodstroomvoorzieningen. Dit vaste gedeelte bestaat uit de jaarlijkse component voor aanvullende en noodstroomvoorzieningen, exclusief het aandeel energie en de maandelijkse componenten voor overschrijdingen van het gecontracteerde vermogen wanneer de noodstroomvoorziening zich in een ander spanningsbereik bevindt dan dat van de hoofdstroomvoorziening.”

8 Artikel 2 van het decreet van 14 februari 2005 luidt als volgt: „De elektriciteitsleverancier die de tarifaire bijdrage int overeenkomstig artikel 18, punt II, 1°, onder b) of c), van de wet van 9 augustus 2004, berekent het vaste gedeelte, exclusief belastingen, van het aandeel netgebruik in de verkoopprijs of de verkooptarieven overeenkomstig artikel 1.”

9 Artikel L. 341‑3 van de code de l’énergie (energiewetboek, Frankrijk) bepaalt: „De methoden voor het vaststellen van de tarieven voor het gebruik van de openbare transmissie- en distributienetten voor elektriciteit worden bepaald door de Commission de régulation de l’énergie [(commissie voor energieregulering, Frankrijk)]. [...]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

10 Accorinvest en Société générale zijn twee vennootschappen naar Frans recht die een tarifaire bijdrage over de transmissie en distributie van elektriciteit (hierna: „tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit”) hebben voldaan in hun hoedanigheid van eindverbruiker van elektriciteit.

11 In twee afzonderlijke procedures hebben Accorinvest en Société générale de Tribunal administratif de Paris (bestuursrechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) verzocht om de Franse Staat te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter hoogte van de door hen betaalde tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit voor respectievelijk de jaren 2016 tot en met 2018 en de jaren 2017 en 2018. Ter ondersteuning van hun vordering hebben deze vennootschappen gesteld dat die bijdrage een „andere indirecte belasting op accijnsgoederen” is in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118, en dat de bij die bepaling gestelde belastingvoorschriften niet in acht zijn genomen. Bij beschikkingen van 26 april 2021 heeft de president van de eerste afdeling van de Tribunal administratif de Paris de ingestelde vorderingen afgewezen omdat zij zijn ingesteld bij een rechterlijke instantie die niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

12 Naar aanleiding van de hoger beroepen van Accorinvest en Société générale heeft de Cour administrative d’appel de Paris (bestuursrechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) deze beschikkingen vernietigd en, na zich bevoegd te hebben verklaard om de zaak te behandelen, hun schadevorderingen afgewezen omdat er geen „rechtstreeks en onlosmakelijk verband” bestond tussen de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit en het elektriciteitsverbruik in de zin van de rechtspraak van het Hof, zodat deze bijdrage niet binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 viel.

13 Accorinvest en Société générale hebben elk cassatieberoep ingesteld bij de Conseil d’État, de verwijzende rechter.

14 De verwijzende rechter merkt op dat de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit is gebaseerd op het vaste gedeelte van de tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitsnetten, dat in wezen afhankelijk is van het spanningsbereik en het in de overeenkomst inzake de aansluiting op de netten gecontracteerde vermogen, met uitsluiting van het variabele gedeelte van die tarieven, dat uitsluitend afhankelijk is van de hoeveelheid verbruikte elektriciteit.

15 De verwijzende rechter wijst er om te beginnen op dat het eerste middel van Accorinvest en Société générale, namelijk dat de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit wettelijk aan de eindverbruiker van elektriciteit wordt doorberekend, de vraag doet rijzen of het bestaan van een wettelijk mechanisme voor de doorberekening van belasting aan de eindverbruiker van een accijnsgoed op zichzelf impliceert dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen die belasting en het verbruik van dat goed, ook al wordt die belasting berekend los van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid van het goed. Hij merkt voorts op dat hun tweede middel, namelijk dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen deze bijdrage en het elektriciteitsverbruik, de vraag doet rijzen of er bij een belasting die uitsluitend is gebaseerd op het vaste gedeelte van de tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitsnetten, maar die verschuldigd is uit hoofde van de door de verbruikers of hun leveranciers gesloten overeenkomsten voor toegang tot het net, sprake is van een dergelijk verband. De verwijzende rechter is van oordeel dat deze vragen, die zien op de uitlegging van richtlijn 2008/118, beslissend zijn voor de beslechting van het geding.

16 In die omstandigheden heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 1, lid 2, van richtlijn [2008/118] aldus worden uitgelegd dat het bestaan van een wettelijk mechanisme voor de doorberekening van de belasting aan de eindverbruiker van een accijnsgoed op zichzelf impliceert dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen die belasting en het verbruik van dat goed en dat er derhalve sprake is van een andere indirecte belasting in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn [2008/118], ook al wordt die belasting berekend los van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid van het goed? 2) Moet artikel 1, lid 2, van richtlijn [2008/118] aldus worden uitgelegd dat een belasting als de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit, die gebaseerd is op het vaste gedeelte van de tarieven voor het gebruik van de openbare elektriciteitsnetten – met uitsluiting van het variabele gedeelte van deze tarieven, het enige gedeelte dat afhankelijk is van de verbruikte hoeveelheid elektriciteit –, maar die verschuldigd is uit hoofde van de door verbruikers of hun leveranciers gesloten overeenkomsten voor toegang tot het net, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband heeft met het elektriciteitsverbruik en derhalve moet worden beschouwd als een andere indirecte belasting in de zin van die bepaling?”

Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

17 Bij op 19 november 2025 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte hebben Accorinvest en Société générale naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.

18 Tot staving van hun beroep voeren Accorinvest en Société générale in wezen aan dat de conclusie van de advocaat-generaal argumenten bevat waarover de belanghebbenden hun standpunten niet hebben kunnen uitwisselen. De analyse van de advocaat-generaal is namelijk, aldus Accorinvest en Société générale, gebaseerd op een contextuele aanpak op basis van de doelstellingen van richtlijn 2008/118 wat formaliteiten en controle betreft, welke aanpak noch door de belanghebbenden in hun schrifturen is besproken, noch in de tijdens de mondelinge behandeling gestelde vragen aan de orde is gekomen.

19 In dat verband zij er ten eerste aan herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet voorzien in de mogelijkheid dat de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden opmerkingen indienen naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal. Ten tweede heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen in zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Gerecht is niet gebonden door deze conclusies noch door de redenering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties deze in die conclusie onderzoekt (zie arrest van 14 maart 2024, f6 Cigarettenfabrik, C‑336/22, EU:C:2024:226, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20 Het is juist dat volgens artikel 222 van zijn Reglement voor de procesvoering het Gerecht in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, met name wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een belanghebbende na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Gerecht, of wanneer de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten niet hebben kunnen uitwisselen.

21 In casu beschikt het Gerecht evenwel over alle gegevens die het nodig heeft om uitspraak te doen en hebben Accorinvest et Société générale in hun verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak geenszins aangetoond dat deze moet worden beslecht op basis van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten niet hebben kunnen uitwisselen. Bovendien bevat dit verzoek geen nieuwe feiten die van beslissende invloed zouden kunnen zijn op de door het Gerecht in deze zaak te geven beslissing. In die omstandigheden is het Gerecht, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het niet nodig is om de mondelinge behandeling te heropenen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een wettelijk mechanisme voor de doorberekening van een belasting aan de eindverbruiker van elektriciteit op zichzelf impliceert dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen die belasting, die los van de hoeveelheid daadwerkelijk verbruikte elektriciteit wordt berekend, en het elektriciteitsverbruik, zodat die belasting als een „andere indirecte belasting” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd.

23 Richtlijn 2008/118 strekt blijkens overweging 2 ervan tot harmonisatie van de voorwaarden waaronder accijns wordt geheven op de binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende goederen, ter wille van de goede werking van de interne markt.

24 Volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2008/118 wordt in die richtlijn een algemene regeling vastgesteld ter zake van de directe of indirecte heffing van accijns op het verbruik van de in deze bepaling opgesomde goederen, waaronder „energieproducten en elektriciteit vallende onder richtlijn [2003/96]”.

25 Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118, dat beoogt rekening te houden met het feit dat de fiscale tradities van de lidstaten op dit gebied sterk uiteenlopen en dat indirecte belastingen vaak worden aangewend als instrument van ander beleid dan begrotingsbeleid, staat de lidstaten toe om naast de minimumaccijns andere indirecte belastingen in te voeren waarmee specifieke doeleinden worden nagestreefd (arrest van 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 58).

26 Als uitzonderingsbepaling op het beginsel van harmonisatie van de voorwaarden waaronder accijns wordt geheven op de binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallende goederen, moet artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 strikt worden uitgelegd (zie arrest van 5 maart 2015, Statoil Fuel & Retail, C‑553/13, EU:C:2015:149, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Een belasting die niet direct noch indirect wordt geheven op het verbruik van elektriciteit of van andere accijnsgoederen, valt niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/118 (arrest van 20 september 2017, Elecdey Carcelen e.a., C‑215/16, C‑216/16, C‑220/16 en C‑221/16, EU:C:2017:705, punten 61‑63). Uit de rechtspraak blijkt dat er, wil een belasting kunnen worden aangemerkt als andere indirecte belasting op elektriciteit, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband moet bestaan tussen deze belasting en het verbruik van elektriciteit (zie in die zin arresten van 10 juni 1999, Braathens, C‑346/97, EU:C:1999:291, punt 23, en 3 maart 2021, Promociones Oliva Park (C‑220/19, EU:C:2021:163, punt 54).

28 Om te bepalen of een belasting kan worden geacht een rechtstreeks en onlosmakelijk verband te hebben met het elektriciteitsverbruik wordt er in de rechtspraak rekening gehouden met verschillende factoren.

29 In het arrest van 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems (C‑5/14, EU:C:2015:354, punten 62‑65), heeft het Hof geoordeeld dat er geen rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestond tussen het gebruik van splijtstof – de factor die ervoor zorgde dat de in die zaak aan de orde zijnde belasting verschuldigd was – en het verbruik van elektriciteit. Het Hof heeft daarbij rekening gehouden met twee aspecten. In de eerste plaats hing de hoeveelheid elektriciteit die door een kernreactor werd opgewekt niet rechtstreeks af van de gebruikte hoeveelheid splijtstof, maar kon deze variëren naargelang van de aard en de eigenschappen van de gebruikte splijtstof en naargelang van het rendement van de betrokken reactor. Voorts kon die belasting worden geïnd louter op grond van het feit dat een zichzelf onderhoudende kettingreactie op gang werd gebracht, zonder dat een bepaalde hoeveelheid elektriciteit hoefde te worden verbruikt of zelfs maar te worden opgewekt. In de tweede plaats werd deze belasting niet aan de verbruiker opgelegd maar aan de elektriciteitsproducent, en kon zij niet volledig op de eindverbruikers van elektriciteit worden afgewenteld.

30 In het arrest van 3 maart 2021, Promociones Oliva Park (C‑220/19, EU:C:2021:163, punten 50, 51, 54 en 58), heeft het Hof rekening gehouden met, ten eerste, het belastbare feit van de betrokken belasting, namelijk de netto-energieproductie, ten tweede, het feit dat de belasting niet rechtstreeks werd geheven bij de elektriciteitsverbruikers maar bij de marktdeelnemers die deze elektriciteit opwekten en afgaven aan het net, en dat er geen formeel mechanisme voor de afwenteling van de belasting bestond en, ten derde, het feit dat die belasting uitsluitend werd opgelegd aan elektriciteitsproducenten en werd berekend op basis van de gedeeltelijk vaste inkomsten van de belastingplichtigen en dus los van de daadwerkelijke hoeveelheid opgewekte en aan het elektriciteitsnet afgegeven elektriciteit. Tegen die achtergrond heeft het Hof geoordeeld dat er geen rechtstreeks en onlosmakelijk verband was tussen die belasting en het elektriciteitsverbruik.

31 Tot slot heeft het Hof in het arrest van 18 januari 2017, IRCCS – Fondazione Santa Lucia (C‑189/15, EU:C:2017:17, punten 30‑38), bij de beoordeling of de bijdragen van de ondernemingen voor de algemene stroominfrastructuurkosten indirecte belastingen zijn vier factoren in aanmerking genomen, te weten ten eerste, de wettelijke verplichting om deze bijdragen te betalen, ten tweede, de aanwending van de geëiste bijdragen voor doelstellingen van algemeen belang, ten derde, de mogelijkheid om die bijdragen door te berekenen op de facturen van de eindverbruikers van elektriciteit en, ten vierde, het feit dat die bijdragen samenhingen met de verbruikte elektriciteit.

32 Uit de in de punten 29 tot en met 31 hierboven aangehaalde arresten blijkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 54 van haar conclusie in herinnering heeft gebracht, de volledige doorberekening van een belasting aan de eindverbruiker op zichzelf niet volstaat om die belasting als een andere indirecte belasting aan te merken, maar dat dit een van de aspecten is die moeten worden meegenomen bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijke belasting.

33 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat er een wettelijk mechanisme bestaat voor de doorberekening van een belasting aan de eindverbruiker van elektriciteit, op zichzelf niet impliceert dat die belasting, die los van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid elektriciteit wordt berekend, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband heeft met het elektriciteitsverbruik en als een „andere indirecte belasting” in de zin van deze bepaling wordt beschouwd.

Tweede vraag

34 Met zijn tweede vraag vraagt de verwijzende rechter zich af of een belasting die verschuldigd is uit hoofde van de door de verbruikers of hun leveranciers gesloten overeenkomsten voor toegang tot het elektriciteitsnet en waarvan de berekening niet afhankelijk is van de verbruikte hoeveelheid elektriciteit, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband heeft met het elektriciteitsverbruik en derhalve moet worden beschouwd als een „andere indirecte belasting” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118.

35 Uit de punten 29 tot en met 31 hierboven blijkt dat de rechtspraak een aantal factoren opsomt die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat met het oog op de kwalificatie van een belasting als „andere indirecte belasting” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118. Het gaat met name om het belastbare feit, de berekeningsmethode van de belasting en de eventuele afwenteling ervan op de verbruiker.

36 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter overgelegde informatie dat, wat in de eerste plaats het belastbare feit van de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit betreft, dit feit erin is gelegen dat de elektriciteitsverbruikers of hun leveranciers een overeenkomst voor toegang tot het elektriciteitsnet sluiten. Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van haar conclusie beklemtoont, vindt dit belastbare feit plaats nog vóór er sprake is van elektriciteitsverbruik.

37 Wat in de tweede plaats de berekening van de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit betreft, blijkt uit de gegevens waarover het Gerecht beschikt en die door de verwijzende rechter moeten worden geverifieerd, dat deze bijdrage krachtens de artikelen 1 en 2 van het decreet van 14 februari 2005 is gebaseerd op de som van de jaarlijkse beheerscomponent, de jaarlijkse meetcomponent, het vaste gedeelte van de jaarlijkse afnamecomponent en het vaste gedeelte van de jaarlijkse component voor aanvullende en noodstroomvoorzieningen.

38 De verwijzende rechter wijst erop dat de componenten waarop de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit is gebaseerd, niet afhankelijk zijn van de hoeveelheid verbruikte elektriciteit. In het bijzonder is het vaste gedeelte van de jaarlijkse afnamecomponent weliswaar afhankelijk van het door de verbruiker gecontracteerde vermogen en de gekozen tariefopties, maar uit de gegevens waarover het Gerecht beschikt blijkt dat de keuze van de verbruiker wordt gemaakt op basis van een schatting van zijn toekomstige elektriciteitsverbruik, zonder dat er enig verband bestaat met zijn daadwerkelijke verbruik. Uit de debatten ter terechtzitting is gebleken dat hoewel de verbruiker deze keuze kan wijzigen, deze wijziging alleen voor de toekomst geldt en geen aanleiding geeft tot terugbetaling van de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit die hij in het verleden heeft betaald op basis van een gecontracteerd vermogen dat niet met zijn behoeften overeenstemde. Bovendien bevrijdt het feit dat er in een bepaalde periode geen elektriciteit is verbruikt, de verbruiker niet van de betaling van de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit.

39 In de derde plaats volgt uit de punten 29 tot en met 33 hierboven dat ook al wordt de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit aan de eindverbruiker van elektriciteit doorberekend, dit op zichzelf niet voldoende is om te concluderen dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen een belasting en het elektriciteitsverbruik.

40 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter van de feiten en de nationale rechtsregels waarop de in de punten 36 tot en met 39 hierboven aangehaalde overwegingen zijn gebaseerd, moet bijgevolg worden vastgesteld dat de tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit geen „andere indirecte belasting” vormt die direct of indirect op het elektriciteitsverbruik wordt geheven in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118.

41 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een belasting die verschuldigd is uit hoofde van de door de verbruikers of hun leveranciers gesloten overeenkomsten voor toegang tot het elektriciteitsnet en waarvan de berekening niet afhankelijk is van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid elektriciteit, niet onder het begrip „andere indirecte belasting” in de zin van die bepaling valt.

Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (prejudiciële kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat er een wettelijk mechanisme bestaat voor de doorberekening van een belasting aan de eindverbruiker van elektriciteit, op zichzelf niet impliceert dat die belasting, die los van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid elektriciteit wordt berekend, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband heeft met het elektriciteitsverbruik en als een „andere indirecte belasting” in de zin van deze bepaling wordt beschouwd.

2) Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 moet aldus worden uitgelegd dat een belasting die verschuldigd is uit hoofde van de door de verbruikers of hun leveranciers gesloten overeenkomsten voor toegang tot het elektriciteitsnet en waarvan de berekening niet afhankelijk is van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid elektriciteit, niet onder het begrip „andere indirecte belasting” in de zin van die bepaling valt.

Papasavvas Pynnä Laitenberger Hesse Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 januari 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken