Gerecht EU 10 juni 2026, T-304/25, ECLI:EU:T:2026:375
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
10 juni 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Post 3921 – Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof – Post 4811 – Papier en karton, voorzien van een deklaag van, dan wel geïmpregneerd of bekleed met kunststof – Product bestaande uit verschillende materialen – Met hars geïmpregneerd decorpapier”
In zaak T‑304/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissing van 16 april 2025, ingekomen bij het Hof op 25 april 2025, in de procedure
Direktor na TD Mitnitsa Ruse pri Agentsia „Mitnitsi”
tegen
„Kronospan Bulgaria” EOOD,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt (rapporteur), D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 14 mei 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en bij gebreke van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Direktor na TD Mitnitsa Ruse pri Agentsia „Mitnitsi”, vertegenwoordigd door V. Petrov en Y. Yakimov als gemachtigden,
– Kronospan Bulgaria, vertegenwoordigd door D. Yordanov, advokat,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en T. Tsingileva als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de posten 3921 en 4811 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/1998 van de Commissie van 20 september 2022 (PB 2022, L 282, blz. 1) (hierna: „GN”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Direktor na TD Mitnitsa Ruse pri Agentsia „Mitnitsi” (directeur van het territoriale douanedirectoraat Roese bij het douaneagentschap, Bulgarije; hierna: „directeur van de douane van Roese”) en „Kronospan Bulgaria” EOOD, een vennootschap naar Bulgaars recht, over een besluit waarbij aan die onderneming de betaling is opgelegd van aanvullende douanerechten ten bedrage van 4229,67 leva (BGN) (ongeveer 2120 EUR) en van belasting over de toegevoegde waarde (btw) ten bedrage van 845,72 BGN (ongeveer 425 EUR), vermeerderd met de daarover verschuldigde rente.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”) is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WDO), die is opgericht bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten Verdrag houdende oprichting van een Internationale Douaneraad. Het GS is aangenomen bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (PB 1987, L 198, blz. 3; hierna: „GS-verdrag”), dat met het bijbehorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).
4 De WDO keurt de door het comité voor het GS vastgestelde toelichtingen en indelingsadviezen goed onder de in artikel 8 van het GS-verdrag vastgelegde voorwaarden. Dat comité is opgericht bij artikel 6 van dit verdrag.
5 Krachtens artikel 3, lid 1, onder a), van het GS-verdrag verbindt elke verdragsluitende partij zich ertoe om haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen in overeenstemming te doen zijn met het GS, ten eerste door alle posten en onderverdelingen van het GS, zonder enige toevoeging of wijziging, alsmede de daarop betrekking hebbende numerieke codes te gebruiken, ten tweede door de „algemene regels voor de interpretatie van het GS” alsmede alle aantekeningen op de afdelingen, de hoofdstukken en de onderverdelingen toe te passen en de draagwijdte daarvan niet te wijzigen, en ten derde door de volgorde van nummering van het GS in acht te nemen.
6 Regel 2 van de algemene regels voor de interpretatie van het GS luidt als volgt: „a) […] b) Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.”
7 Regel 3 van de algemene regels voor de interpretatie van het GS luidt: „Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt: a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de werken, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft; b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald; c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.”
8 In de toelichting op regel 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van het GS staat te lezen: „VI) Deze tweede methode van indeling heeft alleen betrekking op: 1) mengsels; 2) werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen[.] […] VIII) Het kenmerk dat het karakter van een goed bepaalt, verschilt per soort goederen. Het karakter van een goed kan bijvoorbeeld blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan. […]”
9 Afdeling VII van het GS heeft als titel „Kunststof en werken daarvan; rubber en werken daarvan”.
10 Hoofdstuk 39 van afdeling VII, met als opschrift „Kunststof en werken daarvan”, bevat de volgende post en onderverdeling: „3921 Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof […] 3921.90 – andere[.]”
11 De GS-toelichting op hoofdstuk 39 luidt onder meer als volgt: „Dit hoofdstuk omvat eveneens de volgende producten ongeacht of zij in een enkele bewerking of door verschillende opeenvolgende bewerkingen zijn verkregen, voor zover zij het wezenlijke karakter van werken van kunststof hebben behouden: a) […] b) platen, vellen, enzovoort, van kunststof met een inlaag van metaalplaat, papier, karton. Papier of karton, aan beide zijden bedekt met een dunne beschermlaag van kunststof, zijn van dit hoofdstuk uitgezonderd, voor zover zij het wezenlijke karakter van papier of karton behouden (meestal post 4811). c) platen, vellen, strippen, enzovoort van kunststof met inlagen van papier of karton en producten bestaande uit een laag papier of karton, voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, voor zover de dikte van de kunststof de helft van de totale dikte overtreft, ander dan de wandbekleding bedoeld bij post 4814; d) producten bestaande uit glasvezels of lagen papier die vooraf zijn geïmpregneerd met kunststof en vervolgens zijn samengeperst, mits het harde en stijve producten betreft. Indien zij daarentegen nog kenmerken van papier of van werken van glasvezels behouden, blijven zij ingedeeld onder de hoofdstukken 48 of 70, naargelang van het geval.”
12 De GS-toelichting op post 3921 luidt als volgt: „Deze post omvat platen, vellen, foliën, stroken en strippen van kunststof, andere dan die bedoeld bij de posten 3918, 3919 en 3920 of bij hoofdstuk 54. Zij heeft dus alleen betrekking op producten met celstructuur of op die welke zijn versterkt, gelaagd, of op dergelijke wijze gecombineerd met andere stoffen, op een drager.”
13 Afdeling X van het GS heeft als opschrift „Houtpulp en pulp van andere cellulosehoudende vezelstoffen; papier en karton voor het terugwinnen (resten en afval); papier en karton, alsmede artikelen daarvan”.
14 Hoofdstuk 48 („Papier en karton; cellulose-, papier- en kartonwaren”) van afdeling X van het GS omvat de volgende posten en onderverdelingen: „48.11 Papier, karton, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, gestreken, van een deklaag voorzien, geïmpregneerd, bekleed, aan het oppervlak gekleurd of versierd, dan wel bedrukt, op rollen of in vierkante of rechthoekige bladen, ongeacht het formaat, andere dan de producten omschreven in post 4803, 4809 of 4810: […] 4811.49 – – ander – papier en karton, voorzien van een deklaag van, dan wel geïmpregneerd of bekleed met kunststof (andere dan kleefmiddelen): […] 4811.59 – – andere”.
15 De GS-toelichting op hoofdstuk 48 bepaalt het volgende: „2. Dit hoofdstuk omvat niet: […] g) gelaagde kunststof met inlagen van papier of van karton en producten bestaande uit een laag papier of karton voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, voor zover de dikte van de kunststof de helft van de totale dikte overtreft, alsmede werken daarvan, ander dan wandbekleding bedoeld bij post 48.14 (hoofdstuk 39); […]”
16 De GS-toelichting op post 4811 luidt als volgt: „Papier en karton worden slechts onder deze post ingedeeld indien zij worden aangeboden in stroken of op rollen of in vierkante of rechthoekige bladen, ongeacht het formaat. Deze post [omvat] de volgende producten op rollen of in bladen: […] C) papier, karton, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, van een deklaag voorzien of bekleed, voor zover in het geval van papier of karton voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, de dikte van de kunststof de helft van de totale dikte niet overtreft (zie aantekening 2, onder g), op dit hoofdstuk). […]”
Unierecht
Verordening nr. 952/2013
17 Artikel 57 („Tariefindeling van goederen”) van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1) bepaalt: „1. Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief betekent ‚tariefindeling’ van goederen het vaststellen van een van de onderverdelingen of verdere indelingen van de gecombineerde nomenclatuur waaronder die goederen moeten worden ingedeeld. 2. […] 3. De overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde onderverdeling of verdere indeling wordt gebruikt voor de toepassing van de aan die onderverdeling gekoppelde maatregelen. 4. De Commissie kan overeenkomstig de leden 1 en 2 maatregelen aannemen tot vaststelling van de tariefindeling van goederen.”
GN
18 Zoals volgt uit artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2658/87, regelt de door de Europese Commissie vastgestelde GN de tariefindeling van goederen die worden ingevoerd in de Europese Unie. Volgens artikel 3, lid 1, van deze verordening neemt deze nomenclatuur de posten en onderverdelingen van het GS tot zes cijfers over, en vormen alleen het zevende en het achtste cijfer eigen onderverdelingen van de GN.
19 Uit het dossier waarover het Gerecht beschikt, blijkt dat de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie van de GN de versie is die voortvloeit uit uitvoeringsverordening 2022/1998.
20 Titel I van het eerste deel van de GN bevat een afdeling A, met als opschrift „Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur”, waarin wordt bepaald: „Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen: 1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels. […] 2. […] b) Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen. 3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt: a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een werk is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft; b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald; c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst. […]”
21 Hoofdstuk 39 van de GN heeft als opschrift „Kunststof en werken daarvan”.
22 Aantekening 1 op hoofdstuk 39 van de GN luidt: „In de nomenclatuur worden als ‚kunststof’ aangemerkt, die stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914, die de eigenschap hebben of gehad hebben om, tijdens de polymerisatie of in een later stadium, onder inwerking van uitwendige krachten (meestal warmte en druk, eventueel onder toevoeging van een oplosmiddel of van een weekmaker), door gieten, persen, extruderen, walsen of elk ander proces een bepaalde vorm aan te nemen en die vorm te bewaren, ook nadat bedoelde uitwendige krachten niet meer inwerken.”
23 GN-post 3921 luidt als volgt: GN-code Omschrijving Conventioneel douanerecht (%) Bijzondere maatstaf 3921 Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof: – met celstructuur: […] […] […] […] 3921 90 andere: – – van polymerisatieproducten verkregen door herschikking of condensatie, ook indien chemisch gewijzigd: […] […] […] […] 3921 90 49 – – – – andere 6,5 -
24 GN-hoofdstuk 48 draagt het opschrift: „Papier en karton, cellulose-, papier- en kartonwaren”.
25 De aantekeningen op GN-hoofdstuk 48 luiden als volgt: „1. […] 2. Dit hoofdstuk omvat niet: […] g) gelaagde kunststof met inlagen van papier of van karton en producten bestaande uit een laag papier of karton voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, voor zover de dikte van de kunststof de helft van de totale dikte overtreft, alsmede werken daarvan, ander dan wandbekleding bedoeld bij post 4814 (hoofdstuk 39); […]”
26 GN-post 4811 wordt omschreven als volgt: GN-code Omschrijving Conventioneel douanerecht (%) Bijzondere maatstaf 4811 Papier, karton, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, gestreken, van een deklaag voorzien, geïmpregneerd, bekleed, aan het oppervlak gekleurd of versierd, dan wel bedrukt, op rollen of in vierkante of rechthoekige bladen, ongeacht het formaat, andere dan de producten omschreven in post 4803, 4809 of 4810: […] […] […] […] 4811 49 00 – – ander – papier en karton, voorzien van een deklaag van, dan wel geïmpregneerd of bekleed met kunststof (andere dan kleefmiddelen): vrij - […] […] […] […] 4811 59 00 – – ander vrij -
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
27 „Kronospan Bulgaria” heeft goederen uit Belarus ingevoerd, die zij op 15 mei 2023 onder code 4811590090 van het geïntegreerde tarief van de Europese Unie (hierna: „Taric-code”) heeft aangegeven als „met melamine geïmpregneerd papier” (hierna: „betrokken product”). Voor dit product hanteerde zij een douanetarief van 0 % en btw ten bedrage van 13014,36 BGN (ongeveer 6500 EUR).
28 Teneinde de tariefindeling te verifiëren, werd van het betrokken product een monster genomen en voor analyse naar de Tsentralna mitnicheska laboratoria (centraal douanelaboratorium, Bulgarije) gestuurd.
29 Volgens de conclusies van het deskundigenrapport van het centrale douanelaboratorium lijkt het betrokken product qua uiterlijke verschijningsvorm ervan op een buigzaam, maar zeer broos kunststofvel. De kunststof is geïdentificeerd als melamine-formaldehydehars (hierna: „melaminehars”). Uit de waarneming van de structuur van het onderzochte monster bleek dat dit product bestond uit papier dat sterk met deze hars was geïmpregneerd, waardoor de textuur van het papier volledig was verdwenen en het als zodanig niet meer herkenbaar was. De vellen braken bij het vouwen en hadden daarmee hun essentiële eigenschap als papier verloren, namelijk de mogelijkheid om te worden gevouwen zonder te breken. Volgens dit deskundigenrapport moet het product worden ingedeeld onder hoofdstuk 39 van de GN, dat betrekking heeft op „kunststoffen en werken daarvan”.
30 „Kronospan Bulgaria” gaf aan het niet eens te zijn met de indeling van het centrale douanelaboratorium. Zij heeft een in Griekenland uitgevoerde analyse ingediend en aanvullende vragen gesteld aan het centrale douanelaboratorium. In een dienstnota heeft dit laboratorium gedetailleerde toelichtingen verstrekt over de tariefindeling van het betrokken product en zijn conclusie bevestigd dat de objectieve kenmerken ervan voldeden aan de criteria voor indeling onder GN-post 3921, postonderverdeling 392190.
31 Op basis van het deskundigenrapport en de dienstnota van het centrale douanelaboratorium heeft de directeur van de douane van Roese op 4 december 2023 een besluit vastgesteld waarbij hij de voor het betrokken product aangegeven Taric-code 4811590090 heeft geweigerd en daaraan de nieuwe Taric-code 3921904900 heeft toegekend. Daarbij stelde hij het douanerecht vast op 6,5 %, wat neerkomt op een bedrag van 4229,67 BGN, en de nog te betalen btw op een bedrag van 845,72 BGN.
32 „Kronospan Bulgaria” heeft tegen het besluit van de directeur van de douane van Roese beroep ingesteld bij de Administrativen sad Burgas (bestuursrechter in eerste aanleg Boergas, Bulgarije). De onderneming heeft een beschrijving gegeven van het technische procedé voor de vervaardiging van het betrokken product. Uit deze beschrijving blijkt dat het product decorpapier betreft dat is, gedrenkt (geïmpregneerd) met thermoreactieve harsen, waarbij de hars niet volledig is uitgehard en dat wordt gebruikt voor het bekleden van platen in kortcyclische meerlaagse hittepersen.
33 Op verzoek van „Kronospan Bulgaria” heeft de Administrativen sad Burgas een chemisch deskundigenonderzoek gelast (hierna: „deskundigenonderzoek”). Dit onderzoek had betrekking op het door het centrale douanelaboratorium onderzochte monster en op een door „Kronospan Bulgaria” verstrekt monster van een product dat was vervaardigd door dezelfde fabrikant als die van het door dat laboratorium geanalyseerde product.
34 Volgens de deskundige bestaat het door „Kronospan Bulgaria” verstrekte monster uit harde en broze witte vellen en is het monster dat in het kader van het douanerapport van het centrale douanelaboratorium is geanalyseerd, een broos materiaal met lichtbruine kleur. In tegenstelling tot papier hebben beide producten een glad oppervlak. De twee met melaminehars geïmpregneerde monsters bestonden uit een met hars geïmpregneerde middenlaag van papier en twee deklagen die bestaan uit dezelfde hars in zuivere vorm. Volgens de deskundige is de aanwezigheid van melaminehars kwalitatief vastgesteld in het kader van het douanerapport. Uit de analyse van de deklaag van de twee met melaminehars geïmpregneerde monsters bleek dat het enige verschil tussen deze monsters lag in de hogere absorptie van het monster dat door het centrale douanelaboratorium werd geanalyseerd, als gevolg van aanvullende polymerisatieprocessen die te wijten zouden zijn aan het feit dat melamine-formaldehyde geen stabiel product is. Na twee tot vijf maanden zou dit een volledig polymeristisch en onoplosbaar product worden, dat niet meer vatbaar is voor verdere verwerking, dat wil zeggen een product dat niet meer geschikt is om overeenkomstig zijn bestemming te worden gebruikt.
35 Verder wees de deskundige op onnauwkeurigheden in de kwantitatieve bepaling van de inhoud van het monster door het centrale douanelaboratorium, aangezien de toegepaste selectieve oplossing in mierenzuur een ongeschikte methode zou zijn. Hij stelde voor het door „Kronospan Bulgaria” verstrekte monster een gehalte vast van ongeveer 10,4 % niet-gepolymeriseerde hars, 42,7 % gepolymeriseerde hars, 8,4 % water en 13,2 % minerale vulstoffen, en voor het door het centrale douanelaboratorium geanalyseerde monster een gehalte van ongeveer 63,2 % gepolymeriseerde hars, 9,1 % water en 7,4 % minerale vulstoffen. Voorts heeft hij vastgesteld dat dit laatste monster geen niet-gepolymeriseerde hars bevatte. De deskundige merkte ook op dat het voor de vervaardiging van het product gebruikte papier van lage kwaliteit was, met een hoog gehalte aan vluchtige stoffen (4 %) en minerale vulstoffen (26,7 %).
36 De Administrativen sad Burgas heeft het besluit van de directeur van de douane van Roese inzake het onderzoek van het monster door het centrale douanelaboratorium nietig verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften tijdens de administratieve procedure.
37 Bovendien heeft de Administrativen sad Burgas op basis van de beschrijving van het technische procedé en het gerechtelijk deskundigenonderzoek geoordeeld dat het betrokken product het karakter van papier niet had verloren, aangezien de hars op het papier onmiddellijk na de vervaardiging ervan en vóór het gebruik bij de vervaardiging van meubelen, bijvoorbeeld meubelen met een laminaatlaag, nog niet volledig was uitgehard. Daarom concludeerde die rechterlijke instantie dat de door „Kronospan Bulgaria” opgegeven Taric-code niet hoefde te worden gewijzigd.
38 De directeur van de douane van Roese heeft tegen de uitspraak van de Administrativen sad Burgas cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), de verwijzende rechter.
39 Volgens de verwijzende rechter rijst in de onderhavige zaak de vraag of het betrokken product moet worden ingedeeld overeenkomstig regel 3, onder a), dan wel regel 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, of de toelichtingen op de GS-hoofdstukken 39 en 48 in casu relevant zijn en of het van belang is of het betrokken product al dan niet het karakter van papier heeft verloren. Volgens deze rechter rijst in de onderhavige zaak ook de vraag of het broze karakter van het betrokken product, als objectief kenmerk ervan, alsook de samengestelde aard van dat product en de bestemming ervan als water- en hittebestendige laminaatbekleding, criteria zijn waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen welk bestanddeel van dat product zijn wezenlijke karakter eraan verleent.
40 De verwijzende rechter acht het dan ook noodzakelijk om de criteria te verduidelijken aan de hand waarvan het betrokken product correct in de GN kan worden ingedeeld.
41 In deze omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet de [GN] aldus worden uitgelegd dat een goed dat door de fabrikant wordt beschreven als met thermoreactieve, niet volledige uitgeharde harsen gedrenkt (geïmpregneerd) decorpapier dat wordt gebruikt voor het bekleden van platen in kortcyclische meerlaagse hittepersen, en dat volgens een gerechtelijk […] rapport een samengesteld werk (bestaande uit een met hars geïmpregneerde papieren drager en twee deklagen van zuivere hars) betreft waarbij de synthetische polymeer (hars) in de natuurlijke polymeer (cellulose) is ingedrongen, moet worden ingedeeld onder post 4811 dan wel onder post 3921?
Beantwoording van de prejudiciële vraag
42 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd dat een samengesteld werk dat bestaat uit een laag decorpapier geïmpregneerd met thermoreactieve harsen en twee deklagen van zuivere hars, waarbij de hars niet volledig is uitgehard en dat wordt gebruikt voor het bekleden van platen in kortcyclische meerlaagse hittepersen, onder GN-post 3921 of onder GN-post 4811 valt.
43 Ter beantwoording van de gestelde vraag zij eraan herinnerd dat wanneer de Unierechter wordt verzocht om een prejudiciële beslissing over een vraag op het gebied van de tariefindeling, tot taak heeft om de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan hij de betrokken producten correct in de GN kan indelen, en niet zozeer om deze producten zelf in te delen. Deze indeling vloeit voort uit een zuiver feitelijke vaststelling, die in het kader van een prejudiciële verwijzing niet dient te worden verricht door het Gerecht (zie arrest van 8 mei 2025, Prisum Healthcare,C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Volgens regel 1 van de algemene regels voor de interpretatie van de GN zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken van deze nomenclatuur bepalend voor de tariefindeling van goederen. In het belang van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van controles moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN‑post en van de aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven (zie arrest van 28 november 2024, BG Technik, C‑129/23 en C‑567/23, EU:C:2024:995, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De bestemming van het product kan eveneens een objectief indelingscriterium zijn, op voorwaarde dat die bestemming inherent is aan dit product en de inherentie kan worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan (zie arresten van 22 juni 2023, C‑24/22, EU:C:2023:507, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 mei 2025, Prisum Healthcare, C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Voorts zijn de toelichtingen op zowel het GS als de GN weliswaar niet bindend, maar vormen zij belangrijke instrumenten om een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te waarborgen. Deze toelichtingen kunnen nuttige gegevens bevatten voor de interpretatie van het gemeenschappelijk douanetarief (zie arresten van 25 mei 2023, Danish Fluid System Technologies,C‑368/22, EU:C:2023:427, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 mei 2025, Prisum Healthcare,C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In casu volgt uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag zelf dat het betrokken product een samengesteld werk is, dat bestaat uit een met melaminehars geïmpregneerde papierlaag en twee deklagen van zuivere hars.
47 Wat de in de prejudiciële vraag bedoelde GN-posten betreft, blijkt ten eerste uit de bewoordingen van GN-post 3921 dat deze post betrekking heeft op „andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof”.
48 Deze post maakt deel uit van GN-hoofdstuk 39, met als opschrift „Kunststof en werken daarvan”. Volgens de definitie van het begrip „kunststof” in aantekening 1 op dit hoofdstuk van de GN is melaminehars een kunststof, aangezien zij onder GN-post 3909 valt.
49 Verder blijkt uit de eerste alinea, onder b), van het punt betreffende kunststoffen in combinatie met andere materialen dan textiel in de GS-toelichtingen bij het hoofdstuk 39 dat dit hoofdstuk met name betrekking heeft op „platen, vellen, enzovoort, van kunststof met een inlaag van metaalplaat, papier, karton”.
50 Bovendien bepaalt de tweede alinea, onder b), van het punt betreffende kunststoffen in combinatie met andere materialen dan textiel in de GS-toelichtingen bij het hoofdstuk 39 dat „papier of karton, aan beide zijden bedekt met een dunne beschermlaag van kunststof, […] van dit hoofdstuk [zijn] uitgezonderd, voor zover zij het wezenlijke karakter van papier of karton behouden (meestal post 4811)”.
51 Ten slotte blijkt uit de eerste alinea, onder d), van het punt betreffende kunststoffen in combinatie met andere materialen dan textiel in de GS-toelichtingen bij het hoofdstuk 39 dat onder dit hoofdstuk producten vallen die bestaan uit lagen papier die vooraf zijn geïmpregneerd met kunststof, op voorwaarde echter dat het harde en stijve producten betreft, en dat, indien deze producten daarentegen nog kenmerken van papier behouden, zij onder hoofdstuk 48 ingedeeld blijven.
52 Derhalve blijkt uit de bewoordingen van GN-post 3921, gelezen in het licht van de GS-toelichtingen op hoofdstuk 39, dat deze post producten omvat die papier en kunststof bevatten, met inbegrip van lagen papier die met kunststof zijn geïmpregneerd.
53 Ten tweede is GN-post 4811 opgenomen in hoofdstuk 48 van de GN, met als opschrift „Papier en karton, cellulose-, papier- en kartonwaren.”
54 Uit de bewoordingen van post 4811 van deze nomenclatuur blijkt dat deze post met name ziet op „papier, karton, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, gestreken, van een deklaag voorzien, geïmpregneerd, bekleed, aan het oppervlak gekleurd of versierd, dan wel bedrukt, op rollen of in vierkante of rechthoekige bladen, ongeacht het formaat, andere dan de producten omschreven in post 4803, 4809 of 4810”.
55 Uit de bewoordingen van postonderverdeling 481149 van de GN volgt dat GN-post 4811 met name papier en karton omvat, voorzien van een deklaag van, dan wel geïmpregneerd of bekleed met kunststof.
56 Gelet op het voorgaande en op het feit dat het betrokken product een samengesteld werk is bestaande uit papier en melaminehars, lijkt dit product in aanmerking te komen voor indeling onder GN-post 3921 of GN-post 4811.
57 Het betrokken product moet dus worden ingedeeld aan de hand van regel 3 van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, waarin indelingsmethoden zijn vastgelegd voor het geval dat een samengesteld goed onder verschillende posten lijkt te vallen. Die regel 3 bevat onder a) tot en met c) uitleggingsvoorschriften die elk ondergeschikt zijn aan het voorgaande voorschrift, in die zin dat een voorschrift slechts kan worden ingeroepen indien het voorgaande voorschrift in de alfanumerieke volgorde het niet mogelijk heeft gemaakt de op het betrokken werk toepasselijke tariefindeling vast te stellen (arrest van 22 juni 2023, PR Pet,C‑24/22, EU:C:2023:507, punt 62).
58 Volgens regel 3, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van het GN heeft de post met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking.
59 Regel 3, onder a), tweede volzin, van de algemene regels voor de interpretatie van de GN preciseert dat wanneer twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld, die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, worden aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft.
60 Gezien regel 3, onder a), tweede zin, van de algemene regels voor de interpretatie van de GN en de overwegingen in de punten 46 en 56 hierboven, kan noch GN-post 3921, noch GN-post 4811 worden beschouwd als „de meest specifieke” in de zin van regel 3, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN.
61 Derhalve moet voor de tariefindeling van het betrokken product toepassing worden gemaakt van regel 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN (zie punt 57 hierboven).
62 Volgens regel 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN moet voor de tariefindeling van het betrokken product worden vastgesteld aan welke van de stoffen waaruit het is samengesteld, het zijn wezenlijke karakter ontleent. Daartoe kan worden nagegaan of het product ook zonder het ene of het andere bestanddeel zijn kenmerkende eigenschappen behoudt. Volgens punt VIII van de GS-toelichting op regel 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van het GS, die regel 3, onder b), van de algemene regels van de GN aanvult, kan de factor die het wezenlijke karakter bepaalt, afhankelijk van het type product, bijvoorbeeld blijken uit de aard van de stof waaruit de producten bestaan of de werken waaruit zij zijn samengesteld, de omvang, de hoeveelheid, het gewicht, de waarde of de belangrijkheid van een van de samenstellende stoffen voor het gebruik van dat product (zie arrest van 3 juni 2021, BalevBio,C‑76/20, EU:C:2021:441, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 In casu blijkt in de eerste plaats uit het deskundigenonderzoek dat het betrokken product voor het grootste deel uit melaminehars bestaat (zie punt 35 hierboven).
64 Het feit dat een stof in een hoger gehalte aanwezig is dan een andere stof, vormt echter slechts een van de verschillende criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen welke stof het product zijn wezenlijke karakter verleent (zie in die zin arresten van 12 mei 2016, Toorank Productions,C‑532/14 en C‑533/14, EU:C:2016:337, punt 57, en 3 juni 2021, BalevBio,C‑76/20, EU:C:2021:441, punt 66).
65 In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat uit het deskundigenonderzoek bleek dat het betrokken product uit harde en broze vellen bestond. Hardheid is echter in principe een kenmerk van kunststof en niet van papier, zoals blijkt uit de eerste alinea, onder d), van het punt betreffende kunststoffen in combinatie met andere materialen dan textiel in de GS-toelichtingen bij het hoofdstuk 39, waarnaar in punt 51 hierboven wordt verwezen. Bovendien bevestigt het feit dat het product broos is, dat het om een stijf product gaat en niet om een flexibel materiaal, zoals papier.
66 In de derde plaats blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het betrokken product bestemd is om te worden gebruikt als water- en hittebestendige laminaatbekleding voor spaanplaten (zie punten 39 en 41 hierboven). Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Gerecht beschikt, dat deze platen hoofdzakelijk bestemd zijn voor de vervaardiging van meubelen.
67 Het in het betreffende product aanwezige melaminehars lijkt echter van doorslaggevend belang te zijn voor het in punt 66 hierboven bedoelde gebruik. Uit dit dossier waarover het Gerecht beschikt, blijkt namelijk dat deze hars het product waterdicht en hitte- en krasbestendig maakt.
68 De kenmerken die volgens de opmerkingen van „Kronospan Bulgaria” aan de betrokken waar worden verleend door het papier, namelijk de kleur en het uiterlijk van dit product, lijken daarentegen van ondergeschikt belang te zijn voor het gebruik van het betrokken product, wat de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
69 Uit het voorgaande volgt dat de kunststof bepalend kan zijn voor het wezenlijke karakter van het betrokken product.
70 In die omstandigheden, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet het betrokken product worden ingedeeld onder post 3921.
71 Dit geldt des te meer omdat uit de eerste alinea, onder b) en d), van het punt betreffende kunststoffen in combinatie met andere materialen dan textiel in de GS-toelichtingen bij het hoofdstuk 39 blijkt dat producten alleen in hoofdstuk 48 kunnen worden ingedeeld als zij het wezenlijke karakter van papier behouden (zie punten 50 en 51 hierboven). In casu lijkt het betrokken product, gelet op de hardheid, broosheid, waterdichtheid en hitte- en krasbestendigheid ervan, het wezenlijke karakter van papier te hebben verloren, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
72 Bijgevolg kan een product als aan de orde is in het hoofdgeding niet onder GN-post 4811 vallen.
73 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de door „Kronospan Bulgaria” ingeroepen aantekening 2, onder g), op GN-hoofdstuk 48.
74 Het is juist dat hoofdstuk 48 van de GN, volgens aantekening 2, onder g), ervan, geen betrekking heeft op „gelaagde kunststof met inlagen van papier of van karton en producten bestaande uit een laag papier of karton voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, voor zover de dikte van de kunststof de helft van de totale dikte overtreft, alsmede werken daarvan, ander dan wandbekleding bedoeld bij post 4814 (hoofdstuk 39)”.
75 Het staat evenwel vast dat het betrokken product geen gelaagde kunststof met inlagen van papier of van karton is. Daarnaast blijkt uit de opmerkingen van de verwijzende rechter dat het evenmin kan worden aangemerkt als een product bestaande uit een laag papier of karton voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof, in de zin van aantekening 2, onder g), van GN-hoofdstuk 48. Het product onderscheidt zich namelijk door een complexere samenstelling, aangezien het bestaat uit een met kunststof geïmpregneerde laag papier en aan beide zijden met kunststof is bedekt. Het bestaat dus uit een laag geïmpregneerd papier en twee lagen kunststof.
76 Aangezien de laag papier ook kunststof bevat, komt deze samengestelde structuur dus niet overeen met de situaties die zijn bedoeld in aantekening 2, onder g), op GN-hoofdstuk 48. Hieruit volgt dat deze aantekening niet doorslaggevend is voor de indeling van het betrokken product.
77 Ten slotte wordt de conclusie in punt 70 van het onderhavige arrest bevestigd door de Engelse versie van het indelingsadvies van de WDO nr. 3921.90/2 uit 1986, dat als bijlage A.1 bij de opmerkingen van de Commissie is gevoegd en waarin wordt gesteld dat „vellen bestaande uit papier dat sterk is geïmpregneerd met melaminehars, die wegens hun broze aard breken bij het vouwen, die hun wezenlijk karakter van papier hebben verloren en gebruikt worden voor de vervaardiging van laminaatbekleding”, onder GS-onderverdeling 392190 worden ingedeeld.
78 In dit verband zij eraan herinnerd dat indelingsadviezen in het kader van de WDO weliswaar niet bindend zijn voor de verdragsluitende partijen, maar wel belangrijke uitleggingselementen vormen voor de draagwijdte van de verschillende GN-posten (zie in die zin beschikking van 19 januari 2005, SmithKline Beecham,C‑206/03, EU:C:2005:31, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de GN aldus moet worden uitgelegd dat een samengesteld werk dat bestaat uit een laag decorpapier geïmpregneerd met thermoreactieve harsen en twee deklagen van zuivere hars, waarbij de hars niet volledig is uitgehard en dat wordt gebruikt voor het bekleden van platen in kortcyclische meerlaagse hittepersen, onder GN-post 3921 valt, voor zover de kunststof aan dit product zijn wezenlijke karakter verleent.
Kosten
80 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters) verklaart voor recht:
De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/1998 van de Commissie van 20 september 2022,
moet aldus moet worden uitgelegd dat
een samengesteld werk dat bestaat uit een laag decorpapier geïmpregneerd met thermoreactieve harsen en twee deklagen van zuivere hars, waarbij de hars niet volledig is uitgehard en dat wordt gebruikt voor het bekleden van platen in kortcyclische meerlaagse hittepersen, onder GN-post 3921 valt, voor zover de kunststof aan dit product zijn wezenlijke karakter verleent.
Półtorak Hesse Steinfatt Petrlík Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.