Gerecht EU 3 juni 2026, T-313/25, ECLI:EU:T:2026:361

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

3 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Post 9021 – Orthopedische artikelen en toestellen – Andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant – Robotarm die wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel”

In zaak T‑313/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 23 april 2025, ingekomen bij het Hof op 29 april 2025, in de procedure

Kinova Europe GmbH

tegen

Hauptzollamt Hannover,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, M. Sampol Pucurull, J. Laitenberger, M. Stancu (rapporteur) en W. Valasidis, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 20 mei 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder d), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 22 januari 2026,

gelet op de opmerkingen van:

– Kinova Europe, vertegenwoordigd door D. Bell, H.‑H. von Cölln, S. Dahlhoff, Rechtsanwälte, en F.‑P. Ziegler, belastingadviseur,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en B. Eggers als gemachtigden, bijgestaan door H. Ketolainen als deskundige,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van post 9021 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/1776 van de Commissie van 9 oktober 2019 (PB 2019, L 280, blz. 1) (hierna: „GN”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Kinova Europe GmbH en het Hauptzollamt Hannover (douanehoofdkantoor Hannover, Duitsland) over de tariefindeling van een aan een elektrische rolstoel bevestigde robotarm.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”) is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WDO). Het GS is ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (PB 1987, L 198, blz. 3; hierna: „GS-verdrag”), dat samen met het daarbij behorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).

4 Volgens artikel 3, lid 1, onder a), van het GS-verdrag verbindt elke verdragsluitende partij zich ertoe haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen in overeenstemming te brengen met het GS, om alle posten en onderverdelingen ervan, zonder enige toevoeging of wijziging, alsmede de daarop betrekking hebbende numerieke codes te gebruiken en om de volgorde van nummering van het GS in acht te nemen. Deze bepaling legt de verdragsluitende partijen ook de verplichting op om de algemene regels voor de interpretatie van het GS, alsmede alle aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken en de aanvullende aantekeningen op de onderverdelingen van het GS toe te passen en de draagwijdte van de afdelingen, hoofdstukken, posten of onderverdelingen ervan niet te wijzigen.

5 De WDO keurt, onder de voorwaarden van artikel 8 van het GS-verdrag, de toelichtingen en de indelingsadviezen goed die worden vastgesteld door het Comité voor het GS.

6 Punt I van de GS-toelichting op GS-post 9021, met als opschrift „Orthopedische artikelen en toestellen”, bevat de volgende passage: „De orthopedische artikelen en toestellen […] dienen voor: – hetzij het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen; – hetzij het ondersteunen of op hun plaats houden van delen van het lichaam na ziekte, een operatie of een blessure.”

7 Volgens punt V van de GS-toelichting op GS-post 9021 behoren onder meer de volgende goederen tot de groep „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant”: „1) toestellen om het spreken te vergemakkelijken, van personen die het gebruik van hun stembanden zijn kwijtgeraakt door verwondingen of door een chirurgische ingreep. […] Indien zij bijvoorbeeld tegen de hals worden gedrukt wekken zij in de keelholte trillingen op die door de patiënt worden gemoduleerd en worden omgezet in verstaanbare taal. 2) hartstimulatoren (‚pacemakers’) die bestemd zijn om een ontoereikende werking van de hartspier te stimuleren. Zij […] worden onder de huid van de patiënt ingeplant. […] 3) elektronische toestellen die blinden in staat stellen zich veilig te bewegen. […] 4) apparaten die in het lichaam worden ingeplant en gebruikt voor het ondersteunen of vervangen van de chemische functie van bepaalde organen (bijvoorbeeld de afscheiding van insuline).”

Unierecht

GN

8 Het eerste deel van de GN bevat een aantal inleidende bepalingen. Titel I, met als opschrift „Algemene regels”, bevat een afdeling A, dat de algemene regels voor de interpretatie van de GN gevat en het volgende bepaalt: „Voor de indeling van goederen in de [GN] gelden de volgende bepalingen: 1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels. […]”

9 Hoofdstuk 90 van de GN, met als opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”, bevat post 9021, die als volgt is opgesteld: GN-code Omschrijving Conventioneel douanerecht (%) Bijzondere maatstaf […] […] […] […] 9021 Orthopedische artikelen en toestellen, daaronder begrepen medisch-chirurgische gordels en banden, alsmede krukken; breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel; prothesen; hoorapparaten voor hardhorigen en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant: 9021 10 – orthopedische artikelen en toestellen, alsmede artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel: 9021 10 10 – – orthopedische artikelen en toestellen vrij — […] […] […] […] – andere prothesen: […] […] […] […] 9021 39 90 – – – andere vrij —

10 Aantekening 6 op hoofdstuk 90 van de GN luidt als volgt: „Voor de toepassing van post 9021 worden als ‚orthopedische artikelen en toestellen’ aangemerkt, artikelen en toestellen die dienen voor: – hetzij het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen; – hetzij het ondersteunen of op hun plaats houden van delen van het lichaam na ziekte, een operatie of een blessure. […]”

Toelichtingen op de GN

11 De toelichtingen op de GN van de Europese Unie (PB 2019, C 119, blz. 1; hierna: „GN-toelichtingen”), die de Europese Commissie krachtens artikel 9, lid 1, onder a), tweede streepje, van verordening nr. 2658/87 heeft opgesteld, luiden als volgt voor wat betreft GN-post 9021: „Ten behoeve van deze post wordt met de uitdrukking ‚voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur’ alleen die apparatuur bedoeld die daadwerkelijk de functie van het gebrekkig of gehandicapt lichaamsdeel overneemt dan wel vervangt. Deze post omvat niet de apparatuur die niet meer doet dan de gevolgen van een gebrek of handicap te verlichten. […]”

12 Met betrekking tot GN-onderverdeling 90211010, met als opschrift „Orthopedische artikelen en toestellen”, verduidelijken de GN-toelichtingen het volgende: „Deze onderverdeling omvat ‚orthopedische artikelen en toestellen’ waarvan de speciale vorm en uitvoering aan een bepaalde orthopedische functie beantwoorden, in tegenstelling tot gewone producten die voor verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld producten voor gewichten, ligamenten of pezen die overbelast zijn als gevolg van sportactiviteiten, typen, en producten die alleen de pijn in het gebrekkig of gehandicapt lichaamsdeel, die bijvoorbeeld het gevolg is van een ontsteking, verzachten). De ‚orthopedische artikelen en toestellen’ moeten een specifieke beweging van het gebrekkig of gehandicapt lichaamsdeel (bijvoorbeeld gewrichten, ligamenten of pezen) volledig onmogelijk maken om verdere kwetsuren of (een verergering van) lichamelijke misvormingen te voorkomen; gewone producten daarentegen laten ongewenste bewegingen toe maar vermijden reflexbewegingen (dat wil zeggen onbewuste bewegingen) doordat ze relatief stijf zijn, hetgeen wordt bewerkstelligd door bijvoorbeeld flexibele breukspalken, pelottes, niet-elastisch textiel of bewegingsbeperkende klittenbandsluitingen. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 Op 11 mei 2020 heeft verzoekster in het hoofdgeding het douanehoofdkantoor Hannover verzocht om een bindende tariefinlichting voor een robotische hulparm die wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel.

14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm een technisch apparaat is dat bestaat uit zes gemotoriseerde gewrichten, een „hand” met twee of drie gemotoriseerde „vingers” en een voetstuk met externe aansluitingen zoals controle-, USB- en netaansluitingen. Deze robotarm wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en kan worden bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken. De robotarm wordt gebruikt door personen met een gebrek of kwaal waardoor zij geen armfunctie hebben of hun armen niet kunnen gebruiken als gevolg van een hoge dwarslaesie of een vergevorderde spierziekte.

15 Bij zijn beschikking betreffende een bindende tariefinlichting van 1 oktober 2020 heeft het douanehoofdkantoor Hannover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm ingedeeld onder GN-onderverdeling 84798997, die overeenkomt met machines en mechanische toestellen met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 84, andere dan producten die vallen onder de onderverdelingen 84791000 tot en met 84798970 (functionele eenheid).

16 Verzoekster in het hoofdgeding heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking van het douanehoofdkantoor Hannover en was in essentie van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm als prothese moest worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 90213990.

17 Bij besluit van 10 mei 2023 heeft het douanehoofdkantoor Hannover dit bezwaar afgewezen op grond dat prothesen alleen producten omvatten die bestemd zijn om een gebrekkig lichaamsdeel geheel of gedeeltelijk te vervangen, terwijl de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm de natuurlijke arm niet vervangt door een kunstarm maar veeleer een technisch hulpapparaat is voor patiënten van wie de armen wegens een ziektebeeld niet meer of slechts beperkt functioneren. Bijgevolg was deze autoriteit van mening dat deze robotarm geen prothese is en niet onder GN-onderverdeling 90213990 valt.

18 Op 15 juni 2023 heeft verzoekster in het hoofdgeding tegen het besluit van het douanehoofdkantoor Hannover van 10 mei 2023 beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland), de verwijzende rechter. Zij betoogt in haar beroep in essentie dat het begrip „prothese” niet inhoudt dat een lichaamsdeel daadwerkelijk wordt vervangen, maar enkel dat de prothese de verloren functie van een lichaamsdeel vervangt. In dit verband kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm worden gebruikt door zowel personen die een arm of hand geheel of gedeeltelijk missen als gevolg van een ongeluk, amputatie, ziekte of sinds de geboorte als personen van wie de arm- en/of handbeweging ernstig beperkt is. Deze robotarm is bedoeld om de menselijke arm te vervangen. Bovendien sluit het feit dat die robotarm niet rechtstreeks op het lichaam van de betrokkene wordt gedragen, sluit niet uit dat dit product onder GN-onderverdeling 90213990 wordt ingedeeld. Doorslaggevend is immers dat deze robotarm met het lichaam is verbonden door middel van nieuwe technologieën.

19 In de eerste plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm is aan te merken als een orthopedisch artikel of toestel in de zin van GN-post 9021. De functie van deze robotarm is namelijk het verhelpen van een lichamelijke misvorming of handicap van een persoon, zodat de door deze misvorming of handicap getroffen persoon in staat is om met behulp van die robotarm zelfstandig alledaagse arm- of handbewegingen uit te voeren.

20 Uit de nationale rechtspraak blijkt echter dat een toestel slechts dient om een misvorming of beperking te verhelpen indien het ertoe bijdraagt een of meer aangetaste lichaamsdelen in een gezonde toestand te herstellen. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm draagt echter niet bij tot het herstel van misvormde of gehandicapte ledematen van een persoon in een gezonde toestand, maar is een hulpsysteem in de vorm van een grijparm. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat krukken uitdrukkelijk worden genoemd als „orthopedische artikelen en toestellen” van GN-post 9021, hoewel zij geen misvorming of beperking verhelpen.

21 Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm niet kan worden beschouwd als een orthopedisch artikel of toestel in de zin van GN-post 9021, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of deze robotarm kan worden beschouwd als een „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” in de zin van deze post.

22 Volgens de verwijzende rechter verhelpt of verlicht de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm, net als de onder GN-post 9021 vallende krukken en rollator, bij de betrokkene gebreken of kwalen die ertoe leiden dat hij niet-functionele ledematen heeft of waardoor hij zijn ledematen niet meer kan gebruiken, zodat deze robotarm de functie van de beschadigde, missende of niet-bruikbare delen van de armen en handen overneemt of vervangt.

23 De vraag rijst echter of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm apparatuur is die op het lichaam wordt gedragen. Volgens een eerste uitlegging is deze robotarm niet rechtstreeks met het lichaam van de betrokkene verbonden en niet rechtstreeks aan hem bevestigd. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of het voor de uitlegging van GN-post 9021 doorslaggevend is dat het apparaat op een bepaalde manier aan het lichaam van de betrokkene is bevestigd, dat wil zeggen dat de betrokkene het apparaat op het lichaam draagt.

24 Volgens een tweede uitlegging is het mogelijk ervan uit te gaan dat er geen rechtstreekse verbinding met het lichaam hoeft te zijn maar dat een ander verbindend element tussen de persoon en het hulpmiddel volstaat. Concreet is de door een gebrek of kwaal getroffen persoon vanwege zijn handicap gebonden aan of verbonden met de rolstoel, die tegelijkertijd het verbindende element vormt tussen deze persoon en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm. Op deze wijze is de robotarm via de rolstoel met het lichaam verbonden en vormt het een functionele eenheid met het lichaam. Op basis van deze uitlegging kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm worden beschouwd als een „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” in de zin van GN-post 9021.

25 Tegen deze achtergrond heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het begrip ,orthopedische toestellen’ in [GN-]post 9021 aldus worden uitgelegd dat het ook een robotarm omvat die wordt bevestigd aan een rolstoel en waarmee een van een rolstoel afhankelijke persoon de functies van een natuurlijke arm en/of hand kan verrichten? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet het begrip ,andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur’ in [GN-]post 9021 aldus worden uitgelegd dat daaronder ook een robotarm valt die wordt bevestigd aan een rolstoel en waarmee een van een rolstoel afhankelijke persoon de functies van een natuurlijke arm en/of hand kan verrichten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

26 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of GN-post 9021 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze post opgenomen uitdrukkingen „orthopedische artikelen en toestellen” en „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant”, een robotarm omvatten die is bevestigd aan een elektrische rolstoel en wordt bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken.

27 Vooraf zij eraan herinnerd dat de Unierechter, wanneer hij wordt verzocht om een prejudiciële beslissing over een vraag op het gebied van de tariefindeling, tot taak heeft om de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan laatstgenoemde de betrokken producten correct in de GN kan indelen, en niet zozeer om deze producten zelf in te delen. Deze indeling vloeit voort uit een zuiver feitelijke beoordeling en het is niet aan het Hof om deze beoordeling te verrichten in het kader van een prejudiciële verwijzing (zie arrest van 8 mei 2025, Prisum Healthcare,C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens algemene regel 1 voor de interpretatie van de GN de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken van deze nomenclatuur bepalend zijn voor de tariefindeling van goederen. Het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen moet in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle over het algemeen worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de bewoordingen van de GN-post en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn omschreven. De bestemming van het betrokken product kan een objectief indelingscriterium zijn voor zover zij inherent is aan dit product, wat aan de hand van objectieve kenmerken en eigenschappen ervan moet worden beoordeeld (zie arrest van 8 mei 2025, Prisum Healthcare,C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de GS-toelichtingen en de GN-toelichtingen weliswaar niet bindend zijn, maar toch belangrijke instrumenten vormen ter verzekering van de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, die als zodanig nuttige gegevens bevatten voor de interpretatie daarvan (zie arrest van 8 mei 2025, Prisum Healthcare,C‑252/24, EU:C:2025:339, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Overeenkomstig de bewoordingen van GN-post 9021 omvat deze post „[o]rthopedische artikelen en toestellen, daaronder begrepen medisch-chirurgische gordels en banden, alsmede krukken; breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel; prothesen; hoorapparaten voor hardhorigen en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant”.

31 In casu wordt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm noch in de bewoordingen van GN-post 9021, noch in de aantekeningen op hoofdstuk 90 van de GN, noch in de GN-toelichtingen uitdrukkelijk genoemd.

32 Derhalve moet worden onderzocht of kan worden aangenomen dat deze robotarm, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan zoals omschreven door de verwijzende rechter, voldoet aan de kenmerken van de in GN-post 9021 bedoelde producten.

33 Wat de objectieve kenmerken en eigenschappen van een robotarm als die in het hoofdgeding betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat deze arm een technisch apparaat is dat bestaat uit zes gemotoriseerde gewrichten, een „hand” met twee of drie gemotoriseerde „vingers” en een voetstuk met externe aansluitingen zoals controle-, USB- en netaansluitingen, dat wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en kan worden bediend met een joystick of met het hoofd door personen met een gebrek of kwaal waardoor zij geen armfunctie hebben of hun armen niet kunnen gebruiken, om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken.

34 Wat in de eerste plaats de „[o]rthopedische artikelen en toestellen, daaronder begrepen […] krukken” in de zin van GN-post 9021 betreft, blijkt zowel uit punt I van de GS-toelichting op deze post als uit aantekening 6 op hoofdstuk 90 van de GN dat deze orthopedische artikelen en toestellen met name dienen tot „het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen”. In dit verband heeft de verwijzende rechter meer in het bijzonder twijfels over de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm tot doel heeft een lichamelijke misvorming of handicap van de betrokkene te verhelpen of verlichten.

35 In casu moet worden vastgesteld dat de objectieve kenmerken en eigenschappen van een robotarm als die in het hoofdgeding niet overeenkomen met die van de „[o]rthopedische artikelen en toestellen” zoals gedefinieerd in de bewoordingen van GN-post 9021, van punt I van de GS-toelichting op GS-post 9021 en van aantekening 6 op hoofdstuk 90 van de GN.

36 Ten eerste blijkt immers uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van een robotarm als die in het hoofdgeding, zoals omschreven in de verwijzingsbeslissing en samengevat in punt 33 hierboven, dat de hoofdfunctie ervan erin bestaat te dienen als technisch apparaat dat wordt bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken.

37 Een robotarm zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding kan weliswaar ook worden bediend door personen met een gebrek of kwaal waardoor zij geen armfunctie hebben of hun armen niet kunnen gebruiken, en daardoor ontegenzeglijk het levensgemak van deze personen vergroten, maar het lijkt er niet op dat de hoofdfunctie ervan – namelijk te dienen als technisch apparaat dat wordt bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken – gebreken of kwalen in de zin van GN-post 9021 kan verhelpen of verlichten, in dit geval niet-functionerende of missende armen, maar enkel de gevolgen van dergelijke gebreken of kwalen kan verlichten.

38 Ten tweede wordt voor wat betreft onderverdeling 90211010 in de GN-toelichtingen verduidelijkt dat „orthopedische artikelen en toestellen” een specifieke beweging van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel (bijvoorbeeld gewrichten, ligamenten of pezen) volledig onmogelijk maken om verdere kwetsuren of (een verergering van) lichamelijke misvormingen te voorkomen.

39 Vastgesteld moet echter worden dat een robotarm als die in het hoofdgeding niet aan dergelijke kenmerken lijkt te voldoen aangezien deze met name met een joystick kan worden bediend, zoals in punt 33 hierboven is aangegeven, zodat hij een specifieke beweging van de gebrekkige of gehandicapte arm niet volledig onmogelijk maakt maar een dergelijke beweging juist kan vereisen.

40 Ten derde staat de GN‑toelichting op GN-post 9021, volgens welke de onder deze post vallende apparatuur „de functie van het gebrekkig of gehandicapt lichaamsdeel [daadwerkelijk moet overnemen] dan wel [vervangen]” en die post niet ziet op „apparatuur die niet meer doet dan de gevolgen van een gebrek of handicap te verlichten”, niet in de weg aan deze vaststelling.

41 In dit verband moet worden vastgesteld dat het bijwoord „daadwerkelijk” in de GN‑toelichting op GN-post 9021 suggereert dat een product de functie van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel volledig moet overnemen of vervangen om onder GN-post 9021 te kunnen vallen.

42 Zoals blijkt uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van een robotarm als die in het hoofdgeding, zoals omschreven in de verwijzingsbeslissing en samengevat in punt 33 hierboven, wordt deze in casu bevestigd aan een elektrische rolstoel en bediend met een joystick of met het hoofd. Deze robotarm wordt gebruikt als technisch hulpmiddel door personen met een gebrek of kwaal waardoor zij geen armfunctie hebben of hun armen niet kunnen gebruiken, die de robotarm kunnen sturen met de joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken. Een dergelijke robotarm lijkt dus niet echt de functie van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel, in dit geval een niet-functionerende of missende arm, over te nemen of te vervangen in de zin van de GN-toelichting op GN-post 9021, maar enkel te dienen om de gevolgen te verlichten van een gebrek of kwaal waardoor de armfunctie ontbreekt of de armen niet kunnen worden gebruikt.

43 Wat ten vierde de voornaamste bestemming van orthopedische artikelen en toestellen betreft, volgt uit de GN-toelichting op GN-post 9021 dat deze artikelen en toestellen overeenkomen met producten die speciaal zijn ontworpen voor een bepaalde orthopedische functie, in tegenstelling tot gewone producten die voor verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt.

44 Het Hof heeft dienaangaande reeds geoordeeld dat de criteria op grond waarvan eenvoudige of gewone producten kunnen worden onderscheiden van producten die een medische functie vervullen, bestaan uit de wijze van vervaardiging van het betrokken product, de aard van het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd, de mogelijkheid deze producten aan te passen aan de handicaps die zij moeten verhelpen, of andere bijzondere kenmerken, met name hun specifieke functie (arrest van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00–C‑263/00, EU:C:2002:637, punt 39).

45 Bovendien heeft het Hof ook geoordeeld dat de artikelen van GN-post 9021 met elkaar gemeen hebben dat zij speciaal zijn aangepast aan de handicap die zij moeten verhelpen en speciaal voor een bepaalde persoon zijn vervaardigd (arrest van 24 maart 1994, 3M Medica,C‑148/93, EU:C:1994:123, punt 12).

46 Gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde robotarm, zoals omschreven in de verwijzingsbeslissing en samengevat in punt 33 hierboven, en gelet op het feit dat deze robotarm bepaalde lichamelijke misvormingen, te weten het ontbreken van de armfunctie of het onvermogen om de armen te gebruiken, niet overeenkomstig aantekening 6 op hoofdstuk 90 van de GN kan verhelpen, lijkt het er in casu niet op dat deze robotarm speciaal is ontworpen voor een orthopedische functie of voor een bepaalde persoon en evenmin dat deze speciaal is aangepast aan een handicap.

47 Ten vijfde heeft het Hof met betrekking tot de door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking met de in GN-post 9021 uitdrukkelijk genoemde krukken en met rollatoren, in de hoedanigheid van „orthopedische artikelen en toestellen” in de zin van deze post, geoordeeld dat de hoofdfunctie van krukken erin bestaat gebreken of kwalen aan de onderste ledematen te verhelpen of verlichten zodat een persoon met een dergelijke handicap in staat is om met behulp van de krukken alleen te lopen (arrest van 22 december 2010, Premis Medical,C‑273/09, EU:C:2010:809, punt 51).

48 Voorts heeft het Hof opgemerkt dat de hoofdfunctie van de rollator ook bestaat in het bieden van steun aan een persoon bij het lopen. Ook al is voor de rollator, anders dan voor krukken, vereist dat de betrokkene zijn twee onderste ledematen nog kan gebruiken, de rollator verhelpt of verlicht, net als krukken, gebreken of kwalen die in de regel erin bestaat dat de betrokkene de bewegingen van zijn onderste ledematen niet kan coördineren om het voor het lopen onontbeerlijke evenwicht te bewaren (arrest van 22 december 2010, Premis Medical,C‑273/09, EU:C:2010:809, punt 52).

49 Hieruit volgt dat een rollator een persoon in staat stelt om de afwezigheid van het voor het lopen onontbeerlijke evenwicht op te vangen, zodat hij alleen kan lopen. Aangezien de functie van opvangen van het ontbrekende evenwicht bij het lopen inherent is aan het lopen zelf, vervult een dergelijke rollator een functie die vergelijkbaar is met die van krukken. Met andere woorden, een rollator stelt een persoon in staat zich veilig op eigen benen te verplaatsen, terwijl deze persoon dit gelet op zijn gezondheidstoestand zonder de steun van de rollator, net als zonder de steun van krukken, niet zou kunnen doen (arrest van 22 december 2010, Premis Medical,C‑273/09, EU:C:2010:809, punten 53 en 54).

50 Een robotarm als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die wordt gebruikt als technisch hulpmiddel, heeft op het vermogen van een persoon met een gebrek of kwaal waardoor zijn armfunctie ontbreekt of waardoor hij zijn armen niet kan gebruiken, om zelfstandig alledaagse arm- of handbewegingen uit te voeren die hij anders door zijn aandoening niet kan uitvoeren, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan zoals omschreven in de verwijzingsbeslissing en samengevat in punt 33 hierboven, evenwel geen effect dat vergelijkbaar is met het effect dat de onder de „orthopedische artikelen en toestellen” in de zin van GN-post 9021 vallende krukken en rollator hebben op het vermogen van een persoon om zich veilig op eigen benen te verplaatsen en zodoende zijn gebrek of kwaal te verhelpen of verlichten.

51 Hieruit volgt dat een robotarm als die in het hoofdgeding niet onder „orthopedische artikelen en toestellen” in de zin van GN-post 9021 kan vallen.

52 In de tweede plaats blijkt uit de GN-toelichting op GN-post 9021 met betrekking tot „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant”, zoals in de punten 40 en 41 hierboven is vastgesteld, dat onder „verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen” in de zin van deze post alleen apparatuur wordt verstaan die de functie van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel daadwerkelijk overneemt of vervangt. Deze post omvat echter niet de apparatuur die niet meer doet dan de gevolgen van een gebrek of kwaal te verlichten.

53 In dit verband blijkt ten eerste uit punt 42 hierboven dat een robotarm als die in het hoofdgeding de functie van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel, in dit geval niet-functionerende of missende armen, niet daadwerkelijk overneemt of vervangt in de zin van de GN-toelichting op GN-post 9021, maar enkel dient om de gevolgen te verlichten van een gebrek of kwaal waardoor de armfunctie ontbreekt of de armen niet kunnen worden gebruikt.

54 Ten tweede moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van GN-post 9021 blijkt dat de in deze post genoemde apparatuur wordt gekenmerkt door het feit dat zij in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant.

55 Dienaangaande blijkt uit punt V van de GS-toelichting op GS-post 9021 dat deze post met name ziet op „toestellen om het spreken te vergemakkelijken, van personen die het gebruik van hun stembanden zijn kwijtgeraakt door verwondingen of door een chirurgische ingreep”, „hartstimulatoren (‚pacemakers’)”, „elektronische toestellen die blinden in staat stellen zich veilig te bewegen” en „apparaten die in het lichaam worden ingeplant en gebruikt voor het ondersteunen of vervangen van de chemische functie van bepaalde organen ”.

56 Uit het voorgaande volgt dat onder GN-post 9021 producten moeten worden ingedeeld die in het lichaam kunnen worden ingeplant, in de hand worden gehouden, of rechtstreeks op het lichaam van de betrokkene worden bevestigd om een gehandicapt lichaamsdeel te vervangen of de functie ervan over te nemen, hetgeen die producten onderscheidt van gewone producten.

57 In casu blijkt uit de in de verwijzingsbeslissing vermelde en in punt 33 hierboven samengevatte beschrijving dat een robotarm als die in het hoofdgeding wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en bediend wordt met een joystick of met het hoofd. Een dergelijke robotarm is dus niet rechtstreeks met het lichaam van de betrokkene verbonden, aangezien hij noch in de hand wordt gehouden, noch op het lichaam wordt gedragen, noch in het lichaam wordt ingeplant. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in essentie heeft opgemerkt, is een robotarm die wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en niet op het lichaam van een persoon met een gebrek of kwaal waardoor zijn armfunctie ontbreekt of waardoor hij zijn armen niet kan gebruiken, onvoldoende rechtstreeks en duurzaam fysiek verbonden met het lichaam van de betrokkene.

58 Bovendien kan een dergelijke rechtstreekse en duurzame fysieke verbinding evenmin tot stand komen door een bediening met een joystick of het hoofd. Het contact met het lichaam van de betrokkene dat op deze wijze tot stand komt, is namelijk kortstondig en beperkt zich tot de tijd die nodig is om een robotarm als die in het hoofdgeding te bedienen om deze te laten functioneren.

59 Hieruit volgt dat een robotarm als die in het hoofdgeding niet kan vallen onder de categorie „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” in de zin van GN-post 9021.

60 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat GN-post 9021 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze post gebruikte uitdrukkingen „orthopedische artikelen en toestellen” en „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” geen robotarm omvatten die wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en wordt bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken.

Kosten

61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters), verklaart voor recht:

Post 9021 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/1776 van de Commissie van 9 oktober 2019,

moet aldus worden uitgelegd dat

de in deze post gebruikte uitdrukkingen „orthopedische artikelen en toestellen” en „andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” geen robotarm omvatten die wordt bevestigd aan een elektrische rolstoel en wordt bediend met een joystick of met het hoofd om bewegingen van een menselijke arm na te bootsen en bepaalde voorwerpen vast te pakken.

Papasavvas Sampol Pucurull Laitenberger Stancu Valasidis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juni 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken