Gerecht EU 29 april 2026, T-229/24, ECLI:EU:T:2026:304

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)

29 april 2026 ( *1 )

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Aankondiging van een vergelijkend onderzoek – Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/391/21 – Besluit om verzoeksters naam niet op de reservelijst te plaatsen – Gelijke behandeling – Normalisatie van de scores – Motiveringsplicht – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Duur van de administratieve procedure – Redelijke termijn”

In zaak T‑229/24,

Isabel Sánchez, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Champetier en S. Rodrigues, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, K. Talabér-Ritz en S. Chantre als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: S. L. Kalėda (rapporteur), president, T. Perišin en S. Verschuur, rechters,

griffier: A. Audras-Hidelot, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 10 december 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoekster, Isabel Sánchez, ten eerste in essentie de nietigverklaring van het besluit van 15 mei 2023 waarbij de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/391/21 na heronderzoek heeft geweigerd om haar naam op de reservelijst te plaatsen en ten tweede vergoeding voor de schade die zij stelt te hebben geleden.

Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan

Feiten die hebben geleid tot het initiële besluit om verzoekster niet op de reservelijst te plaatsen

2 Op 10 mei 2021 heeft verzoekster zich aangemeld voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/391/21, een vergelijkend onderzoek op basis van kwalificaties en toetsen voor de aanwerving van administrateurs (AD 7). Dit vergelijkend onderzoek was bedoeld om reservelijsten op te stellen waaruit de instellingen van de Europese Unie, en dan met name het directoraat-generaal (DG) Steun voor structurele hervormingen en het DG Migratie en Binnenlandse Zaken van de Europese Commissie, ambtenaren konden rekruteren. Het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) heeft de aankondiging van het vergelijkend onderzoek op 8 april 2021 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2021, C 120 A, blz. 1; hierna: „aankondiging van het vergelijkend onderzoek”). Op 8 maart 2022 is in het Publicatieblad van de Europese Unie een wijziging van deel 5 („assessment”) van de aankondiging bekendgemaakt (PB 2022, C 111 A, blz. 11).

3 De aankondiging van het vergelijkend onderzoek voorzag in een procedure met drie fasen. In de eerste fase moesten de dossiers van alle kandidaten worden onderzocht om na te gaan of op basis van de in het onlinesollicitatieformulier verstrekte informatie voldaan was aan de toelatingsvoorwaarden, en moesten de kandidaten meerkeuzetoetsen afleggen. In de tweede fase (de zogenoemde „Talent Screener”-fase), werd een selectie gemaakt op basis van de in het sollicitatieformulier opgegeven kwalificaties. In de derde fase werden de kandidaten die in de vorige fase de beste resultaten hadden behaald, uitgenodigd voor het assessment. Volgens de gewijzigde aankondiging van het vergelijkend onderzoek bestond deze fase uit vier toetsen: een gedragsgericht interview over algemene competenties, een situationeel gedragsgericht interview, een schriftelijke vakgerelateerde toets en een vakgerelateerd interview. De kandidaten die aan het einde van de derde fase de hoogste totaalscores hadden behaald, werden op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek geplaatst.

4 Op 1 april 2022 heeft de jury verzoekster meegedeeld dat zij op de Talent Screener voldoende punten had behaald om te worden uitgenodigd voor het assessment.

5 Bij besluit van 19 december 2022 is verzoekster ervan in kennis gesteld dat zij op de onderdelen van het assessment 122 punten had behaald en dat haar naam bijgevolg niet op de reservelijst was geplaatst, aangezien zij niet behoorde tot de kandidaten met de hoogste punten voor het assessment, te weten minstens 123 punten (hierna: „initieel besluit om verzoekster niet op de reservelijst te plaatsen”).

6 Op 20 december 2022 heeft verzoekster verzocht om een ongecorrigeerde kopie van haar schriftelijke toets, die haar vervolgens op 5 januari 2023 is toegezonden.

7 Op 22 december 2022 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot heronderzoek van de beoordeling van haar prestaties tijdens de schriftelijke toets en het vakgerelateerd interview.

8 Na heronderzoek heeft de jury bij besluit van 15 mei 2023 het initieel besluit om verzoekster niet op de reservelijst te plaatsen bevestigd wat betreft de scores die zij had behaald tijdens het assessment.

9 Op 30 mei 2023 heeft verzoekster EPSO een reeks vragen gesteld in verband met het heronderzoek. Op 31 mei 2023 heeft EPSO laten weten dat het enkel het antwoord van de jury op het verzoek tot heronderzoek kon bevestigen.

10 Op 14 augustus 2023 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een administratieve klacht ingediend.

11 Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) haar klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

Verzoeken om toegang tot verzoeksters documenten en persoonsgegevens na het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen

12 Op 3 juli 2023 heeft verzoekster op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) een toegangsverzoek ingediend dat met name zag op het vakgerelateerd interview, de normalisatie van de scores (hierna: „normalisatie”) en de vergaderingen tussen EPSO en de jury van het vergelijkend onderzoek (hierna: „initieel verzoek om toegang tot documenten”).

13 Diezelfde dag heeft verzoekster een verzoek om toegang ingediend tot de persoonsgegevens die EPSO en de jury hadden verwerkt in het kader van het vakgerelateerd interview.

14 Op 17 augustus 2023 heeft EPSO verzoekster meegedeeld dat van de zeven documenten die waren geïdentificeerd als vallend onder het voorwerp van haar initieel verzoek om toegang tot documenten, volledige toegang werd verleend tot drie documenten, waaronder een document met de titel „Regels voor de derde scoreberekening – Invloed van de beoordelaar – Normalisatie”, en gedeeltelijke toegang werd verleend tot een vierde document. Toegang tot drie andere documenten werd haar geweigerd op grond van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, inzake de bescherming van het besluitvormingsproces van de instelling.

15 Bij brief van 31 augustus 2023 heeft verzoekster op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 een confirmatief verzoek om toegang ingediend tot de documenten die EPSO na haar initieel verzoek om toegang tot documenten had geïdentificeerd, opdat EPSO zijn standpunt zou herzien (hierna: „confirmatief verzoek om toegang tot documenten”).

16 Op 16 oktober 2023 heeft EPSO geantwoord op het toegangsverzoek van 3 juli 2023 en te kennen gegeven dat die documenten ofwel reeds aan verzoekster waren toegezonden, ofwel krachtens artikel 6 van bijlage III bij het Statuut werden beschermd door het geheim van de werkzaamheden van de jury.

17 Op 14 februari 2024 heeft verzoekster bij de Europese Ombudsman een klacht tegen EPSO ingediend over de procedure van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/391/21, een vergelijkend onderzoek op basis van kwalificaties en toetsen, en meer bepaald over het vakgerelateerd interview en de wijze waarop de scores waren berekend.

18 Bij brief van 18 maart 2024 heeft de Commissie geantwoord op het confirmatief verzoek om toegang tot documenten. Zij heeft aangegeven dat een van de door EPSO geïdentificeerde documenten niet onder het voorwerp van het verzoek viel, maar heeft wel volledige toegang verleend tot een aanvullend document over normalisatie, getiteld „Richtsnoeren voor normalisatie”. Wat de overige documenten betrof heeft zij het initieel besluit bevestigd.

19 Op 29 november 2024 heeft de Ombudsman het onderzoek naar verzoeksters klacht afgesloten omdat hij in essentie van mening was dat de documenten die haar niet waren verstrekt, verband hielden met de werkzaamheden en beraadslagingen van de jury.

Conclusies van partijen

20 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen, nietig te verklaren; – voor zover nodig het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van haar materiële schade, namelijk 50 % van de winstderving die resulteerde uit het verlies van de kans om een ambtenarenpost te verkrijgen; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van haar immateriële schade, geraamd op 5000 EUR; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

21 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Voorwerp van het beroep

22 Met haar eerste vordering verzoekt verzoekster om nietigverklaring van het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen.

23 Er zij aan herinnerd dat wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek op grond van een regel in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vraagt om een besluit van de jury te heronderzoeken, het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt, in de plaats komt van haar oorspronkelijke besluit en dus het voor de kandidaat bezwarend besluit vormt (zie arrest van 5 september 2018, Villeneuve/Commissie, T‑671/16, EU:T:2018:519, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Derhalve is het besluit van de jury van 15 mei 2023 tot afwijzing van verzoeksters verzoek tot heronderzoek, in de plaats gekomen van het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen.

25 Met haar tweede vordering verzoekt verzoekster voor zover nodig om nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht.

26 In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat het beroep, zelfs indien het formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg heeft dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het bezwarende besluit waartegen de klacht is ingediend, behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan die van het besluit waartegen de klacht is ingediend [zie arrest van 9 juni 2021, Calhau Correia de Paiva/Commissie, T‑202/17, EU:T:2021:323, punt 34 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27 Dat het gezag dat bevoegd is om te oordelen over de klacht van de verzoekende partij in het antwoord op die klacht de motivering van het besluit na heronderzoek aanvult of wijzigt, kan niet rechtvaardigen dat de afwijzing van die klacht wordt beschouwd als een zelfstandige voor de verzoekende partij bezwarende handeling, aangezien de motivering van die afwijzing geacht wordt deel uit te maken van het bestreden besluit waartegen de klacht gericht werd [zie arrest van 9 juni 2021, Calhau Correia de Paiva/Commissie, T‑202/17, EU:T:2021:323, punt 35 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28 In casu wordt in het besluit tot afwijzing van de klacht, het besluit na heronderzoek gewoon bevestigd.

29 Bijgevolg moet worden aangenomen dat de vordering tot nietigverklaring alleen gericht is tegen het besluit van de jury van 15 mei 2023 tot afwijzing van verzoeksters verzoek tot heronderzoek (hierna: „bestreden besluit”).

Vordering tot nietigverklaring

30 Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan: 1) het feit dat de scoreberekeningsprocedure niet is bekendgemaakt in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek; 2) de niet-naleving van de scheiding tussen de respectieve taken van de jury en EPSO; 3) het feit dat de jury geen reservelijst heeft opgesteld met alle kandidaten die voldeden aan de voorwaarden uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek; 4) schending van de motiveringsplicht, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging, en 5) schending van het beginsel van gelijke behandeling tijdens het vakgerelateerd interview.

31 Er zij aan herinnerd dat partijen weliswaar het voorwerp van het geding bepalen, dat niet kan worden gewijzigd door de Unierechter, maar dat deze laatste de middelen naar de inhoud in plaats van volgens de kwalificatie ervan moet uitleggen, en dus dient over te gaan tot de kwalificatie van de middelen en argumenten in het verzoekschrift (zie arrest van 18 oktober 2023, BZ/BCE, T‑162/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:647, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Bijgevolg is het Gerecht, in het belang van een goede rechtsbedeling, van oordeel dat verzoekster in wezen zeven middelen aanvoert: 1) het feit dat de normalisatiemethode niet werd bekendgemaakt in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of dat niet op voorhand is beslist en meegedeeld dat zou worden genormaliseerd; 2) de onrechtmatigheid van de tussenkomst van EPSO bij de normalisatie; 3) schending van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut; 4) schending van de motiveringsplicht; 5) schending van de rechten van de verdediging; 6) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, en 7) schending van het beginsel van gelijke behandeling bij het vakgerelateerd interview.

Eerste middel: het feit dat de normalisatiemethode niet werd bekendgemaakt in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of niet op voorhand is beslist en meegedeeld dat zou worden genormaliseerd

33 In casu betoogt verzoekster in wezen dat de normalisatie als scoreberekeningsmethode had moeten worden bekendgemaakt in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of dat de jury op zijn minst daartoe had moeten beslissen en dit had moeten meedelen vóór de toetsen. Een dergelijke bekendmaking zou volgens haar in overeenstemming zijn geweest met het vereiste van artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage III bij het Statuut. De normalisatieregels zijn echter pas vastgesteld ongeveer vier maanden na de beraadslagingen over de scores die verzoekster op het assessment had behaald.

34 Bovendien heeft verzoekster, in haar antwoord op het door het Gerecht bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang aan partijen gericht verzoek om opmerkingen in te dienen over de eventuele gevolgen die zij verbonden aan het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119), uitgelegd dat zij uit punt 58 van dat arrest afleidde dat, aangezien de scoreberekeningscriteria niet op voorhand waren bepaald, onmogelijk kon worden nagegaan of de kandidaten waren beoordeeld op basis van vooraf bekende objectieve en uniforme criteria. Voorts heeft zij aangevoerd dat uit punt 71 van dat arrest volgde dat, bij gebreke van enig document waaruit bleek dat de jury de aanbevelingen uit de statistische analyse van de scoreberekening en normalisatie had overgenomen, onmogelijk kon worden geverifieerd of de normalisatie coherent en objectief was verlopen. Ten slotte heeft zij betoogd dat uit punt 75 van dat arrest moest worden geconcludeerd dat, bij gebreke van bewijs dat de jury in volledige samenstelling was bijeengekomen, niet kon worden nagegaan of de procedurele waarborgen waren geëerbiedigd.

35 Volgens de Commissie vormt dit middel, waarmee verzoekster uitdrukkelijk betwist dat de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldoet aan artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage III bij het Statuut, een exceptie van onwettigheid die niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hoe dan ook betwist zij verzoeksters argumenten.

36 Vooraf zij eraan herinnerd dat de agentschappen en de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken om te bepalen op welke wijze een vergelijkend onderzoek dient te worden georganiseerd en dat de door de rechter van de Unie uitgevoerde toetsing in die context slechts kan plaatsvinden voor zover dat noodzakelijk is om de gelijke behandeling van de kandidaten en de objectieve keuze tussen hen te verzekeren (arrest van 13 januari 2021, ZR/EUIPO, T‑610/18, niet gepubliceerd, EU:T:2021:5, punt 36).

37 Ook zij eraan herinnerd dat de werkzaamheden van een jury van een vergelijkend onderzoek in de regel ten minste twee verschillende fasen omvatten, namelijk, in de eerste plaats, een onderzoek van de sollicitaties om de kandidaten te selecteren die tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten en, in de tweede plaats, een onderzoek naar hun bekwaamheden voor het te vervullen ambt teneinde een reservelijst op te stellen (arrest van 22 september 2021, JR/Commissie, T‑435/20, EU:T:2021:608, punt 52).

38 De tweede fase van de werkzaamheden van de jury is vooral vergelijkend van aard en wordt daarom gedekt door het geheim dat inherent is aan die werkzaamheden en dat is neergelegd in artikel 6 van bijlage III bij het Statuut, zoals uitgelegd door het Hof (zie in die zin arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Normalisatie behoort tot de tweede fase van de werkzaamheden van de jury en beoogt de relatieve subjectiviteit van de verschillende correctoren bij de toekenning van de scores te neutraliseren, aangezien sommigen objectief gezien strenger zijn dan anderen. Het is een methode die relevant kan zijn al naargelang de specifieke omstandigheden van de aanwervingsprocedure en waarmee gestalte wordt gegeven aan het beginsel van gelijke behandeling, aangezien die methode uniform wordt toegepast op alle kandidaten die door minstens twee verschillende correctoren onafhankelijk zijn beoordeeld en het mogelijk maakt om kandidaten te vergelijken op basis van vergelijkbare gegevens – in casu de genormaliseerde scores van alle kandidaten van het vergelijkend onderzoek – teneinde de homogeniteit van de beoordeling te garanderen (zie, in die zin en naar analogie, arrest van 2 maart 2016, Loescher/Raad, F‑84/15, EU:F:2016:29, punten 67 en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Verzoeksters betoog dat de normalisatie had moeten worden bekendgemaakt in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of dat daartoe op zijn minst had moeten worden beslist en dit had moeten worden meegedeeld vóór de toetsen, moet worden onderzocht in het licht van die overwegingen.

41 Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage III bij het Statuut vereist dat in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek wordt vermeld dat er normalisatie zal plaatsvinden, blijkt uit deze bepaling dat wanneer het gaat om een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen, de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de aard van dit examen en de waardering van de verschillende onderdelen daarvan moet vermelden. Volgens vaste rechtspraak vormen de bewoordingen van de aankondiging van een vergelijkend onderzoek zowel het juridisch kader als het kader voor de beoordeling door de jury van het vergelijkend onderzoek. Voorts is de essentiële functie van een aankondiging van een vergelijkend onderzoek de belanghebbenden zo exact mogelijk op de hoogte te stellen van de aard van de vereiste voorwaarden om het betrokken ambt te vervullen, zodat zij kunnen beoordelen of zij moeten solliciteren (zie arrest van 15 september 2016, Italië/Commissie, T‑353/14 en T‑17/15, EU:T:2016:495, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Vastgesteld moet worden dat artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage III bij het Statuut niet voorziet in een bekendmaking of een aan de toetsen voorafgaande mededeling dat er normalisatie kan plaatsvinden.

43 Verder blijkt uit de rechtspraak dat normalisatie een methode is om de subjectiviteit van correctoren bij het toekennen van scores te neutraliseren, aangezien sommigen objectief gezien strenger zijn dan anderen, en zo een homogene beoordeling te waarborgen (zie punt 39 hierboven), wat verzoekster trouwens niet betwist. In tegenstelling tot wat zij in essentie aanvoert, maakt normaliseren echter geen deel uit van het „waarderen van examens”, dat betrekking heeft op de toekenning van punten voor de verschillende toetsen of vaardigheden die moeten worden beoordeeld.

44 Hieruit volgt dat in een aankondiging van een vergelijkend onderzoek niet hoeft te worden vermeld dat er normalisatie kan plaatsvinden.

45 Wat in de tweede plaats verzoeksters betoog betreft dat het feit dat niet op voorhand werd beslist en aan de kandidaten werd meegedeeld dat de scores zouden worden genormaliseerd, in strijd is met het vereiste dat kandidaten worden beoordeeld op basis van objectieve en vooraf bekende criteria, moet het volgende worden opgemerkt.

46 Volgens de rechtspraak impliceert de in artikel 27 van het Statuut opgenomen verplichting om ambtenaren aan te werven die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, dat het TABG en de jury’s voor vergelijkende onderzoeken er bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden op toezien dat vergelijkende onderzoeken zodanig verlopen dat het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten, van een consistente puntenwaardering en van een objectieve beoordeling worden nageleefd (zie arrest van 13 januari 2021, ZR/EUIPO, T‑610/18, niet gepubliceerd, EU:T:2021:5, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Aldus is reeds geoordeeld dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover een jury van een vergelijkend onderzoek beschikt bij de bepaling van de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de examens van de kandidaten, moet worden gecompenseerd door een nauwgezette naleving van de regels voor de organisatie van die examens. Bijgevolg dient de jury erop toe te zien dat het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten bij het verloop van de examens strikt wordt geëerbiedigd en dat de keuze tussen de betrokkenen objectief is (zie arrest van 6 juli 2022, VI/Commissie, T‑20/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:427, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Om de gelijke behandeling tussen de kandidaten, een consistente puntenwaardering en een objectieve beoordeling te waarborgen, moet de jury ervoor zorgen dat de beoordelingscriteria consistent worden toegepast op alle kandidaten (zie arrest van 14 december 2022, SY/Commissie, T‑312/21, EU:T:2022:814, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Gezien de ruime beoordelingsvrijheid waarover de jury bij haar werkzaamheden beschikt, kan zij, wanneer de aankondiging van een vergelijkend onderzoek niet voorziet in beoordelingscriteria, die criteria zelf vaststellen en, wanneer de aankondiging van een vergelijkend onderzoek wel in beoordelingscriteria maar niet in de respectieve weging ervan voorziet, die weging zelf bepalen (zie arrest van 22 september 2021, JR/Commissie, T‑435/20, EU:T:2021:608, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Ten eerste moet worden opgemerkt dat verzoekster niet betwist dat normalisatie bedoeld is om het beginsel van gelijke behandeling te waarborgen tijdens de tweede fase van de werkzaamheden van de jury, waarin de bekwaamheden van de kandidaten voor de te vervullen functie worden onderzocht.

51 In dit verband moet worden opgemerkt dat de beslissing om de scores te normaliseren pas kan worden genomen nadat de toetsen zijn afgelegd, wanneer de door de correctoren toegekende cijfers bekend zijn bij de juryleden en er te grote verschillen worden vastgesteld tussen de cijfers van de verschillende correctoren. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft erkend, is het onmogelijk om van tevoren te weten of normalisatie nodig zal zijn, en kan de jury daar dus niet toe beslissen vooraleer de toetsen verbeterd zijn.

52 Gezien de ruime beoordelingsvrijheid waarover de jury bij haar werkzaamheden beschikt (zie punt 49 hierboven), staat het haar dus vrij om de scores te normaliseren en de nadere regels daarvoor te bepalen, zelfs wanneer er in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geen melding van eventuele normalisatie wordt gemaakt.

53 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster geen argumenten aanvoert ter ondersteuning van haar betoog dat het feit dat niet op voorhand is beslist en meegedeeld dat de scores zouden worden genormaliseerd, indruist tegen het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten.

54 Anders dan de „aard” en de „waardering” van de examens, die betrekking hebben op de examens zelf en dus objectieve gegevens zijn die in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek moeten worden gespecificeerd (zie punt 41 hierboven), is normalisatie immers bedoeld om de subjectiviteit van de vergelijkende beoordelingen van de jury te neutraliseren, welke beoordelingen worden gedekt door het geheim van de werkzaamheden van de jury (zie de punten 38 en 39 hierboven). Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting toegegeven dat indien zij vóór de toetsen zou hebben geweten dat de jury de scores zou normaliseren, dit in de praktijk niets zou hebben gewijzigd aan haar voorbereiding voor het vergelijkend onderzoek.

55 Wat ten tweede verzoeksters verwijzing betreft naar punt 58 van het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119), gelezen in samenhang met punt 59 daarvan, zij erop gewezen dat daarin staat dat, aangezien er geen stabiliteit was in de samenstelling van de jury of continuïteit in het voorzitterschap daarvan, er geen barema voor de scoreberekening of zelfs nauwkeurige informatie over de beoordelingscriteria bestond, niet kon worden gegarandeerd dat deze criteria coherent op alle kandidaten waren toegepast.

56 Verzoekster heeft echter niet aangetoond, noch zelfs maar aangevoerd, dat er sprake was van een dergelijk gebrek aan stabiliteit in de samenstelling van de jury of aan continuïteit in het voorzitterschap dat mogelijkerwijs haar werkzaamheden heeft aangetast. De verwijzing naar punt 58 van het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119), is dus hoe dan ook irrelevant.

57 Bijgevolg heeft verzoekster niet aangetoond dat het feit dat niet op voorhand werd beslist en aan de kandidaten werd meegedeeld dat de scores zouden worden genormaliseerd, indruiste tegen de beginselen van gelijke behandeling van de kandidaten, van consistente puntenwaardering en van objectieve beoordeling.

58 Ten derde moet ook haar argument dat de normalisatieregels in casu pas ongeveer vier maanden na de beraadslagingen van de jury zijn vastgesteld, worden verworpen.

59 Uit het dossier blijkt immers dat de jury aanbevelingen rond de normalisatie heeft vastgesteld in een proces-verbaal van 11 oktober 2022. Ook blijkt uit het antwoord van de Commissie op de maatregel tot organisatie van de procesgang en uit haar toelichtingen ter terechtzitting dat het ten tijde van het vergelijkend onderzoek een gevestigde praktijk was dat EPSO de jury ter informatie een statistisch overzicht van de door de correctoren toegekende cijfers bezorgde waarin ook werd uitgelegd welk effect normalisatie op deze cijfers zou hebben. EPSO heeft in 2023 het document „Regels voor de derde scoreberekening – Invloed van de beoordelaar – Normalisatie” opgesteld om die praktijk vast te leggen. Het heeft dit document op 17 augustus 2023 aan verzoekster bezorgd (zie punt 14 hierboven). Uit deze toelichtingen, die verzoekster niet betwist, blijkt dat de in dit document samengebrachte informatie over normalisatie overeenstemde met een gevestigde praktijk die reeds lang vóór de aankondiging van het vergelijkend onderzoek bestond.

60 In dit verband is verzoeksters verwijzing naar punt 71 van het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119), waarin het ging over het feit dat de Commissie geen document kon overleggen waaruit bleek dat er aanbevelingen rond een normalisatieprocedure waren vastgesteld, irrelevant, aangezien de jury in casu wél dergelijke aanbevelingen heeft vastgesteld, namelijk bij proces-verbaal van 11 oktober 2022.

61 Ten derde betoogt verzoekster in haar antwoord op de maatregel tot organisatie van de procesgang dat geen enkel document bewijst dat de juryleden voltallig aanwezig waren om de resultaten van de normalisatieprocedure goed te keuren, terwijl het volgens punt 75 van het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119) aan de Commissie staat om te bewijzen dat de jury in volledige samenstelling is bijeengekomen om de eindbesluiten te nemen.

62 Volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Bovendien moeten middelen die een uitwerking vormen van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houden, ontvankelijk worden verklaard [zie arrest van 5 oktober 2020, HeidelbergCement en Schwenk Zement/Commissie, T‑380/17, EU:T:2020:471, punt 87 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

63 In dit verband moet om te beginnen worden benadrukt dat punt 75 van het arrest van 17 december 2025, CB/Commissie (T‑37/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:1119), in de lijn ligt van de vaste rechtspraak die in punt 73 van dat arrest wordt geciteerd en volgens welke het, gelet op het vergelijkend karakter van het opstellen van een reservelijst, essentieel is dat de jury tijdens de laatste beraadslaging bijeenkomt in volledige samenstelling. Die rechtspraak, die overigens ook wordt aangehaald in het kader van een gebrek aan stabiliteit in de samenstelling van de jury, is dus vaststaande rechtspraak.

64 Voorts moet worden geconstateerd dat verzoeksters argument dat er geen bewijs is dat de jury tijdens de laatste beraadslaging in volledige samenstelling is bijeengekomen, dat zij pas heeft aangevoerd in haar antwoord op de maatregel tot organisatie van de procesgang die na de terechtzitting is genomen, niet kan worden beschouwd als een uitwerking van een eerder in het inleidend verzoekschrift opgeworpen middel. Dit argument is dan ook niet-ontvankelijk.

65 Gelet op alle voorgaande overwegingen heeft er in de aanwervingsprocedure dus geen enkele procedurele onregelmatigheid plaatsgevonden doordat de scores zijn genormaliseerd zonder dit bekend te maken in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of zonder daartoe vooraf te beslissen en dit vóór de toetsen mee te delen.

66 Het eerste middel moet dan ook deels niet-ontvankelijk deels ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Commissie in verband met een vermeende exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen.

Tweede middel: onwettigheid van de tussenkomst van EPSO bij de normalisatie

67 Verzoekster betoogt dat EPSO, door bij de correctie van de examens te zijn tussengekomen en de cijfers te hebben gewijzigd nádat de jury de beoordeling van de kandidaten had afgerond, in strijd heeft gehandeld met de regels uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek – die niet in een dergelijke tussenkomst voorzien – en met artikel 1, lid 1, onder e), en artikel 7, lid 2, van bijlage III bij het Statuut. Door bij de normalisatie ondersteuning te bieden zonder dat daar duidelijke, vooraf vastgestelde regels voor waren, is EPSO zijn hoofdzakelijk organisatorische rol te buiten gegaan. Bovendien houden de normalisatiecriteria geen verband met de verdiensten van de kandidaten, anders dan artikel 27 van het Statuut voorschrijft, maar met die van de beoordelaren, waarop EPSO zijn correcties baseert. Ook druist de beslissing van de jury om naar aanleiding van de tussenkomst van EPSO af te wijken van de objectieve, in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek neergelegde scoreberekeningscriteria, in tegen artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

68 De Commissie is van mening dat verzoekster in strijd met artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering niet duidelijk aangeeft waarom zij meent dat deze bepaling is geschonden doordat EPSO’s rol bij de normalisatie niet werd vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Volgens de Commissie moet dit middel dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoe dan ook betwist zij verzoeksters argumenten.

69 Wat ten eerste haar argument betreft dat EPSO’s tussenkomst bij de normalisatie niet voorzien was in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, volstaat het vast te stellen dat, zoals in het kader van het eerste middel is opgemerkt, een eventuele normalisatie niet hoeft te worden vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, met als gevolg dat wanneer de jury de scores normaliseert dit niet betekent dat zij afwijkt van de criteria uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.

70 Evenzo staat tussen partijen vast dat EPSO pas is tussengekomen in het stadium van de normalisatie, en stelt verzoekster dus ten onrechte dat die tussenkomst had moeten worden voorzien in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.

71 Wat ten tweede verzoeksters argument betreft dat EPSO’s tussenkomst in het stadium van de normalisatie indruist tegen artikel 1, lid 1, onder e), en artikel 7, lid 2, van bijlage III bij het Statuut, moet worden geconstateerd dat in eerstgenoemde bepaling staat dat bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen, de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de aard van dit examen en de waardering van de verschillende onderdelen hiervan moet vermelden, en dat artikel 7, leden 1 tot en met 3, van die bijlage een opsomming bevat van de taken van EPSO.

72 Zo verleent EPSO op grond van artikel 7, leden 1 tot en met 3, van bijlage III bij het Statuut aan verschillende instellingen bijstand bij het definiëren en organiseren van de selectieprocedures voor ambtenaren met inachtneming van de door die instellingen vastgestelde algemene modaliteiten (zie arrest van 14 december 2022, SY/Commissie, T‑312/21, EU:T:2022:814, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 In casu hebben de juryleden, in het kader van artikel 7, lid 1, van bijlage III bij het Statuut en zoals uit het proces-verbaal van de vergadering van 11 oktober 2022 blijkt, voor alle kandidaten die tot het assessment waren toegelaten de statistische analyse en de door EPSO toegelichte scorenormalisatie besproken voor de schriftelijke toets, het gedragsgericht interview over algemene competenties en het situationeel gedragsgericht interview, en vervolgens besloten om de scores die uit de normalisatie resulteerden te valideren. Voor het vakgerelateerd interview is deze methode niet toegepast, aangezien dit interview door twee correctoren samen werd beoordeeld.

74 Ter terechtzitting heeft de Commissie verduidelijkt dat EPSO per toets een statistische analyse van de scores van de correctoren had gemaakt en de jury voor de drie bovenvermelde toetsen het beoordelingsprofiel van elke corrector had verstrekt. De jury had op basis van een door EPSO voorbereide PowerPoint kunnen vaststellen dat er tussen de scoreberekeningsprofielen van de correctoren verschillen bestonden, wat erop wees dat de scores waren beïnvloed door hun subjectiviteit. Zij was van mening dat een dergelijke heterogeniteit niet verenigbaar was met het beginsel van gelijke behandeling en heeft dan ook besloten om de scores te normaliseren.

75 Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven – zonder dat verzoekster dit heeft tegengesproken – heeft EPSO voor de normalisatie een wetenschappelijk bewezen wiskundige formule toegepast op de scores van de correctoren. De jury heeft de resultaten van de geharmoniseerde scores bestudeerd en heeft uiteindelijk besloten om een van de twee normalisatievoorstellen van EPSO goed te keuren.

76 De rol van EPSO is dus beperkt gebleven tot technische ondersteuning en het is de jury geweest die, op basis van statistische gegevens, heeft besloten om de scores te normaliseren om op die manier het beginsel van gelijke behandeling te waarborgen, welk beginsel in gevaar kwam door de verschillen die in de scoreberekeningsprofielen van de correctoren waren geconstateerd.

77 De jury heeft dus op geen enkele wijze haar bevoegdheid om een waardeoordeel over de prestaties van de kandidaten te vellen, uit handen gegeven. Zij heeft de leiding over de werkzaamheden behouden en heeft ook haar bevoegdheid voor de eindbeslissing over de representativiteit van de genormaliseerde scores behouden.

78 Wat ten derde verzoeksters argument betreft dat de normalisatiecriteria, anders dan artikel 27 van het Statuut vereist, geen verband houden met de verdiensten van de kandidaten maar met het gebrek aan objectiviteit van de beoordelaren, waarop EPSO zijn correcties baseert, moet worden geconstateerd dat verzoekster niet betwist dat normalisatie bedoeld is om het beginsel van gelijke behandeling te garanderen, door de relatieve subjectiviteit van de verschillende correctoren te neutraliseren en zo een homogene beoordeling te waarborgen, en dat zij niet uitlegt in welke zin dit nefast zou zijn voor een aanwerving op basis van verdienste. De scores die de jury ná de normalisatie toekent, zijn immers een weerspiegeling van haar waardeoordeel over de prestaties en dus de verdiensten van de kandidaten.

79 Ten vierde moet ook verzoeksters argument over schending van artikel 41 van het Handvest wegens de beslissing van de jury om na de tussenkomst van EPSO af te wijken van de scoreberekeningscriteria uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, worden verworpen, aangezien in punt 69 hierboven is geconstateerd dat de jury niet van die aankondiging is afgeweken.

80 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Commissie op grond van onduidelijkheid van verzoeksters betoog heeft aangevoerd.

Derde middel: schending van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut

81 Verzoekster betoogt in essentie dat de aanwervingsprocedure, zoals die bij het bestreden besluit is uitgevoerd, een onregelmatigheid bevat omdat de jury de criteria uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek heeft miskend bij de toepassing van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut, dat handelt over de opstelling van de reservelijst. Wegens de normalisatie zijn daar immers niet de namen van de kandidaten op geplaatst die alle vereiste minimumscores en de hoogste scores op de onderdelen van het assessment hadden behaald.

82 De Commissie werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op ontleend aan schending van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, op grond dat verzoekster in verband met het verslag van 16 december 2022 van de jury alleen onduidelijke beweringen doet over schending van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut. Hoe dan ook betwist zij verzoeksters argumenten.

83 Dienaangaande blijkt uit het verzoekschrift dat verzoekster in het derde middel twee redenen voor de onregelmatigheid van de aanwervingsprocedure aanvoert. Ten eerste omdat de normalisatiemethode niet werd bekendgemaakt, zoals uit het eerste middel blijkt, en ten tweede omdat op de reservelijst enkel de namen staan van de kandidaten die na de normalisatie de hoogste scores hebben behaald, en niet die van de kandidaten die alle vereiste minimumscores alsook de beste scores op het assessment hebben behaald.

84 Om te beginnen blijkt evenwel uit het eerste middel dat de aanwervingsprocedure, zoals die bij het bestreden besluit is uitgevoerd, geen enkele onregelmatigheid vertoont doordat de scores zijn genormaliseerd zonder dat dit in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd vermeld of daartoe werd beslist vóór de toetsen. Voorts vormen alleen de scores die de jury ná de normalisatie heeft vastgesteld een weerspiegeling van haar waardeoordeel over de prestaties van de kandidaten voor de verschillende toetsen, en zijn de scores die de correctoren vóór de werkzaamheden van de jury hebben toegekend louter tussentijdse scores.

85 Bijgevolg voldoet de door de jury opgestelde reservelijst aan artikel 5 van bijlage III bij het Statuut, aangezien daarop de namen staan van de kandidaten die alle vereiste minimumscores hebben behaald (minstens 123 punten volgens de aankondiging van het vergelijkend onderzoek) en tevens de hoogste scores op de onderdelen van het assessment hebben behaald.

86 Het derde middel moet dan ook ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid.

Vierde middel: schending van de motiveringsplicht

87 Volgens verzoekster stelt het bestreden besluit haar niet in staat om te weten welke impact de normalisatie op haar score heeft gehad en dus ook niet om te begrijpen waarom haar naam niet op de reservelijst is geplaatst. Gezien de normalisatie kan het louter toezenden van de na de normalisatie vastgestelde score geen toereikende motivering vormen.

88 De Commissie voert een middel van niet-ontvankelijkheid aan dat is ontleend aan schending van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, en stelt dat het middel inzake schending van de motiveringsplicht geen specifieke grief tegen het bestreden besluit bevat. Hoe dan ook betwist zij verzoeksters argumenten.

89 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een ontbrekende of ontoereikende motivering schending oplevert van wezenlijke vormvoorschriften en een middel van openbare orde vormt dat door de Unierechter ambtshalve kan en zelfs moet worden onderzocht (zie arrest van 9 juni 2021, Lianopoulou/Commissie, T‑880/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:325, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Derhalve moet het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

91 Vervolgens zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak niet vereist is dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen rekening moet worden gehouden met de tekst ervan, maar ook met de context waarin deze is vastgesteld en met het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Wat de besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek betreft, moet de motiveringsplicht worden verzoend met het in artikel 6 van bijlage III bij het Statuut geformuleerde beginsel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn. Die werkzaamheden zijn geheim verklaard teneinde de onafhankelijkheid van de jury’s van vergelijkende onderzoeken en de objectiviteit van hun werkzaamheden te waarborgen, door hen te beschermen tegen inmenging en druk van buitenaf van zowel de administratie van de Unie zelf als de betrokken kandidaten of derden. De eerbiediging van dat geheim brengt derhalve mee dat geen ruchtbaarheid mag worden gegeven aan de opvattingen van individuele juryleden en dat gegevens die verband houden met de beoordelingen van de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten, niet mogen worden prijsgegeven (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 24).

93 Bijgevolg vormt een mededeling van de op de verschillende toetsen behaalde scores een afdoende motivering van het besluit van de jury. Een dergelijke motivering schaadt de rechten van de kandidaten niet, aangezien zij hen in staat stelt kennis te nemen van het waardeoordeel dat over hun prestaties is uitgebracht en, in voorkomend geval, na te gaan of zij het in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vereiste aantal punten daadwerkelijk niet hebben behaald (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punten 31 en 32).

94 In casu wordt zowel in het initieel besluit om verzoekster niet op de reservelijst te plaatsen als in het bestreden besluit, die beide tot haar zijn gericht, vermeld dat zij niet behoort tot de kandidaten met de hoogste scores op de onderdelen van het assessment.

95 Bovendien heeft verzoekster als bijlage bij dat initieel besluit haar competentiepaspoort ontvangen, met daarin, zoals in dat besluit staat aangegeven, een uitsplitsing van haar scores en een overzicht van haar prestaties voor elke algemene en specifieke competentie die tijdens het assessment werd beoordeeld.

96 Het bestreden besluit voldoet dus aan de vereisten die worden genoemd in de in punt 93 hierboven aangehaalde rechtspraak.

97 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat er voor normalisatie een extra motivering vereist was.

98 Aangezien normalisatie bedoeld is als hulpmiddel om de kandidaten vergelijkend te beoordelen (zie punt 39 hierboven), zou de vraag van verzoekster om de impact van de normalisatie op haar score te kennen, impliceren dat haar zowel haar eigen tussentijdse score als de tussentijdse scores van de andere kandidaten zouden moeten worden meegedeeld. Dit zou ook impliceren dat haar de uitgevoerde berekeningen zouden moeten worden verstrekt.

99 De tussentijdse scores zouden echter, indien bekendgemaakt, informatie kunnen prijsgeven over de persoonlijke of vergelijkende beoordelingen van de kandidaten (zie punt 92 hierboven), en vallen dus noodzakelijkerwijs onder het geheim dat inherent is aan de werkzaamheden van de jury van het vergelijkend onderzoek.

100 Gelet op de noodzaak om de motiveringsplicht te verzoenen met de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury, kan verzoekster dus geen inzage krijgen in haar eigen tussentijdse score of die van de andere kandidaten. Evenzo kan zij geen inzage krijgen in de berekeningen die op de tussentijds scores zijn uitgevoerd, aangezien die berekeningen de tussentijdse scores zouden onthullen.

101 Het vierde middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Vijfde middel: schending van de rechten van de verdediging

102 Volgens verzoekster zijn haar rechten van verdediging geschonden doordat pertinente gegevens niet of te laat zijn meegedeeld. Daardoor heeft zij niet kunnen nagaan of er bij de berekening van haar scores rekenfouten zijn gemaakt. Bovendien maakt de ondoorzichtigheid van EPSO’s rol in de scoreberekening elke zinvolle controle onmogelijk. Voorts heeft het feit dat is geweigerd haar de exacte formulering van de laatste vraag van het vakgerelateerd interview mee te delen, haar tijdens de gehele administratieve procedure belet daarnaar te verwijzen.

103 De Commissie voert een middel van niet-ontvankelijkheid aan dat is ontleend aan schending van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, op grond dat het middel inzake schending van de rechten van de verdediging geen enkele specifieke grief tegen het bestreden besluit bevat. Hoe dan ook betwist zij verzoeksters argumenten.

104 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit het algemeen Unierechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en met name uit het recht om te worden gehoord, neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, volgt dat de betrokkene vóór de vaststelling van een voor hem nadelig besluit in staat moet zijn gesteld om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de echtheid en de relevantie van de feiten en omstandigheden waarop de administratie haar besluit beoogt te steunen. Het recht om te worden gehoord moet trouwens ook worden geëerbiedigd indien de toepasselijke regelgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijk vormvoorschrift voorziet (zie arrest van 6 februari 2019, TN/ENISA, T‑461/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:63, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105 Een nadelig besluit kan dus pas worden genomen nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt over het ontwerpbesluit naar behoren kenbaar te maken in het kader van een door het TABG geïnitieerde mondelinge of schriftelijke uitwisseling waarvan het TABG het bewijs dient te leveren (zie arrest van 6 februari 2019, TN/ENISA, T‑461/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:63, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

106 Ook moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak schending van de rechten van de verdediging slechts leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit wanneer die procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben (zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107 Om te bewijzen dat dit het geval is, moet de verzoekende partij uitleggen welke argumenten en gegevens zij had kunnen aanvoeren als haar rechten van verdediging waren geëerbiedigd, en in voorkomend geval aantonen dat die argumenten en gegevens in haar geval tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden [zie arrest van 3 juli 2019, PT/EIB, T‑573/16, EU:T:2019:481, punt 269 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

108 Niettemin kan van een verzoekende partij die schending van haar rechten van verdediging aanvoert, niet worden verlangd dat zij aantoont dat het besluit van de betrokken Unie-instelling anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten (zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Deze vraag moet daarenboven worden beoordeeld aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 In casu heeft verzoekster, zoals reeds eerder is opgemerkt (zie de punten 94 en 95 hierboven), in het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen vernomen waarom haar naam niet op die lijst was geplaatst, namelijk omdat zij niet behoorde tot de kandidaten met de hoogste scores op het assessment, en heeft zij daarbij ook haar competentiepaspoort ontvangen, met daarin een uitsplitsing van haar scores en een overzicht van haar prestaties voor de algemene en specifieke competenties die tijdens het assessment zijn beoordeeld.

111 Bovendien heeft verzoekster, op haar verzoek, op 5 januari 2023 een ongecorrigeerde kopie van haar schriftelijke toets van het assessment ontvangen (zie punt 6 hierboven).

112 Voorts moet worden opgemerkt dat zij tijdig, op grond van de algemene bepalingen in bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, heeft kunnen verzoeken om heronderzoek van het initieel besluit en haar bezwaren kenbaar heeft kunnen maken (zie de punten 7 en 8 hierboven).

113 Dienaangaande zij erop gewezen dat een heronderzoeksprocedure, die bedoeld is om de kandidaat de kans te geven alle feitelijke en juridische elementen aan te voeren die volgens hem van invloed kunnen zijn op de beslissing die mogelijkerwijs ten aanzien van hem zal worden genomen, en kunnen leiden tot een positief antwoord van de jury waardoor hij kan worden gere-integreerd in de fase van het vergelijkend onderzoek waarvan hij werd uitgesloten, de rechten van de verdediging helpt te verzekeren (zie in die zin arrest van 12 september 2018, PH/Commissie, T‑613/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:529, punten 199‑207).

114 In dit kader zij eraan herinnerd dat het besluit dat de jury na afloop van het heronderzoek heeft genomen, de voor de betrokkene nadelige handeling is, die het voorwerp van het onderhavige beroep vormt, zoals uit punt 29 hierboven blijkt.

115 Verzoekster heeft derhalve haar rechten van verdediging uitgeoefend voordat haar een nadelig besluit is toegezonden.

116 Verzoeksters argumenten doen aan deze conclusie niet af.

117 Wat ten eerste haar argument betreft dat er geen informatie is gegeven over de wijze waarop de normalisatie haar score heeft beïnvloed, blijkt uit de punten 99 en 100 hierboven dat het verstrekken van de tussentijdse scores en van de berekeningen die bij de normalisatie zijn uitgevoerd, het evenwicht tussen de rechten van de verdediging en het geheim van de werkzaamheden van de jury zou verstoren.

118 Voorts behoort de wiskundige formule die bij de normalisatie wordt toegepast inderdaad, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven, tot het publieke domein en wordt die niet gedekt door het geheim van de werkzaamheden van de jury. Deze formule is echter niet aan verzoekster meegedeeld toen zij bij brief van 18 maart 2024 in kennis is gesteld van het feit dat er een normalisatie zou plaatsvinden.

119 Niettemin moet worden opgemerkt dat de wiskundige formule die bij de normalisatie is toegepast, op zichzelf genomen geen element vormt waartegen verzoekster zich had moeten kunnen verdedigen. Zoals in punt 98 hierboven is opgemerkt, is normalisatie een vergelijkende methode die kennis van de tussentijdse cijfers van verzoekster en van die van de andere kandidaten vereist, en mogen deze cijfers niet openbaar worden gemaakt. Bijgevolg is de normalisatieformule op zichzelf genomen geen noodzakelijk gegeven waarmee verzoekster had kunnen opkomen tegen de manier waarop de normalisatie haar score heeft beïnvloed.

120 Hoe dan ook voert verzoekster louter aan dat er bij de normalisatie mogelijkerwijs een rekenfout is begaan die mogelijkerwijs heeft bijgedragen tot het feit dat haar naam niet op de reservelijst is geplaatst, zonder de door de jury gehanteerde normalisatiemethode ter discussie te stellen of ook maar het minste bewijs van een dergelijke rekenfout te leveren. Aangezien het bestreden besluit echter uitsluitend berust op de door de jury vastgestelde eindscores, voldoet dit argument niet aan de vereisten die in de punten 107 en 108 hierboven zijn genoemd.

121 Wat ten tweede de beweerde ondoorzichtigheid van EPSO’s rol in de normalisatieprocedure betreft, blijkt uit de punten 69 tot en met 80 hierboven dat EPSO niet buiten het juridisch kader van zijn bevoegdheden is getreden. Verzoekster had die rol kunnen kennen via het juridisch kader dat uit het Statuut voortvloeit. Zij heeft dus de gelegenheid gehad om haar grieven over die rol kenbaar te maken, wat zij trouwens ook heeft gedaan in haar klacht.

122 Ten derde meent verzoekster dat het voor haar rechten van verdediging noodzakelijk was dat haar de exacte formulering van de laatste vraag van het vakgerelateerd interview werd meegedeeld.

123 Dienaangaande zij erop gewezen dat verzoekster in haar klacht noch de relevantie van die vraag, noch de juistheid van het correct geachte antwoord aan de orde heeft gesteld. Had zij dit wel gedaan, dan had het gerechtvaardigd kunnen zijn dat die vraag haar in het antwoord op haar klacht werd meegedeeld. Uit het feit dat zij uitlegt welke soort fout – namelijk een verwarring tussen twee termen – bij de vraagstelling tijdens haar vakgerelateerd interview is begaan en op welke manier de voorzitter van de jury heeft geïntervenieerd om die fout recht te zetten, blijkt integendeel dat verzoekster wel degelijk in staat is geweest om in haar verzoek tot heronderzoek en in haar klacht grieven te formuleren.

124 Bijgevolg moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het middel van niet-ontvankelijkheid van de Commissie.

Zesde middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

125 Verzoekster betoogt dat de administratie het in artikel 41 van het Handvest verankerde beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, gelet op de duur van de behandeling van haar verzoeken om toegang tot documenten en persoonsgegevens die zij na het initieel besluit om haar niet op de reservelijst te plaatsen heeft ingediend, en van haar klacht tegen het bestreden besluit. Om te beginnen verwijt zij de administratie niet tijdig op haar klacht te hebben geantwoord, namelijk op 24 januari 2024 terwijl het initieel besluit dateerde van 19 december 2022. Voorts uit zij kritiek op de incoherenties tussen de antwoorden op haar verzoek om toegang tot documenten en met name wat de inhoud van een document met de titel „Decision Table F1” betreft, op de vergaderingen die de jury over haar verzoeken tot heronderzoek heeft gehouden en op de antwoordtermijn. Volgens haar heeft EPSO essentiële details van de normalisatie achtergehouden en pas bekendgemaakt nadat de termijn om klacht in te dienen was verstreken. Zodoende heeft EPSO onvoldoende transparantie aan de dag gelegd, waardoor zij niet heeft kunnen verifiëren of tijdens het vergelijkend onderzoek het beginsel van gelijke behandeling was nageleefd.

126 De Commissie werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op krachtens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, en stelt dat het middel inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur geen enkele specifieke grief tegen het bestreden besluit bevat.

127 In dit verband zij eraan herinnerd dat de verplichting tot inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures een algemeen Unierechtelijk beginsel vormt waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert en dat als een onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur is opgenomen in artikel 41, lid 1, van het Handvest (arrest van 6 december 2012, Füller-Tomlinson/Parlement, T‑390/10 P, EU:T:2012:652, punt 115; zie in die zin ook arrest van 7 april 2011, Griekenland/Commissie, C‑321/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:218, punt 32).

128 De vraag of de duur van een administratieve procedure redelijk is, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die de instelling heeft gevolgd, de houding van de partijen tijdens de procedure, de ingewikkeldheid van de zaak alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen (zie in die zin arrest van 30 juni 2005, Branco/Commissie, T‑347/03, EU:T:2005:265, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129 Wat ten eerste de beweerde tardieve mededeling aan verzoekster van het besluit tot afwijzing van haar klacht betreft, zij erop gewezen dat de termijn van vier maanden die in artikel 90, lid 2, van het Statuut is neergelegd, pas is ingegaan op het moment dat zij haar klacht heeft ingediend, te weten op 14 augustus 2023, en dus is verstreken op 14 december 2023. Aangezien het expliciete besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht haar pas op 24 januari 2024 is meegedeeld, is zij derhalve eerst na het verstrijken van de termijn van vier maanden op de hoogte gesteld.

130 Wat de termijn tussen de indiening van de klacht en het besluit tot afwijzing daarvan betreft, moet echter in herinnering worden gebracht dat artikel 90 van het Statuut bepaalt dat indien bij het verstrijken van de termijn van vier maanden een antwoord op het verzoek is uitgebleven, dit geldt als een stilzwijgend besluit tot afwijzing waartegen beroep kan worden ingesteld. Ook zij eraan herinnerd dat beroep bij het Gerecht moet worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden. Deze termijn gaat in op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een klacht. Wanneer echter een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is genomen na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, gaat laatstgenoemde termijn opnieuw in (zie arrest van 2 april 2020, Barata/Parlement, T‑81/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:137, punten 83 en 84).

131 Wanneer het besluit tot afwijzing van de klacht er komt na het verstrijken van de antwoordtermijn van vier maanden, kan deze vertraging geen invloed hebben op de inhoud zelf van het na afloop van de administratieve procedure vastgestelde besluit (zie in die zin arrest van 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 104).

132 Bijgevolg is het bovenvermelde argument ongegrond.

133 Ten tweede voert verzoekster, wat betreft de termijn waarbinnen haar verzoeken om toegang tot documenten en persoonlijke gegevens zijn behandeld, geen enkel argument aan waarin zij uitlegt hoe de beweerde vertragingen hebben afgedaan aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er zij aan herinnerd dat het onderhavige beroep ziet op het bestreden besluit waarbij haar verzoek tot heronderzoek is afgewezen (zie punt 29 hierboven). Verzoekster betwist noch de rechtmatigheid van het confirmatief besluit inzake de toegang tot documenten, noch die van het besluit van 16 oktober 2023 inzake de toegang tot haar persoonsgegevens. Dit argument kan dus, gesteld al dat het gegrond is, niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit.

134 Derhalve moet dit argument als niet ter zake dienend worden afgewezen.

135 Voorts kan verzoekster de Commissie niet verwijten essentiële details over de normalisatie te hebben achtergehouden totdat de termijn om klacht in te dienen was verstreken. Uit het dossier blijkt immers dat verzoekster pas op 3 juli 2023 een verzoek om toegang tot documenten – onder meer in verband met de normalisatie – heeft ingediend, dat wil zeggen bijna twee maanden na de vaststelling van het bestreden besluit op 15 mei 2023. Naar aanleiding van dat verzoek heeft zij op 17 augustus 2023 het document „Regels voor de derde scoreberekening – Invloed van de beoordelaar – Normalisatie” (zie punt 14 hierboven) ontvangen. Vervolgens heeft zij, als antwoord op haar confirmatief verzoek om toegang tot documenten van 31 augustus 2023, op 18 maart 2024 het document „Richtsnoeren voor normalisatie” (zie punt 18 hierboven) ontvangen. Voor zover verzoekster meent dat zij deze documenten te laat heeft ontvangen om ze nuttig te kunnen gebruiken in het kader van haar klacht, is dit dus hoofdzakelijk te wijten aan haar late indiening van het verzoek om toegang daartoe, niet aan het gedrag van de Commissie.

136 Wat ten derde de beweerde incoherenties tussen de antwoorden op haar verzoek om toegang tot documenten betreft, moet worden opgemerkt dat verzoekster niet uitlegt in welke zin die beweerde incoherenties de rechtmatigheid van het bestreden besluit zouden hebben aangetast.

137 Dit argument is dus niet ter zake dienend.

138 Hoe dan ook zij er in verband met de vergadering over verzoeksters verzoek tot heronderzoek en met het proces-verbaal op gewezen dat noch uit het besluit tot afwijzing van de klacht, noch uit de besluiten inzake het verzoek om toegang tot documenten blijkt dat er tegenstrijdige informatie aan verzoekster zou zijn meegedeeld. Derhalve moet het zesde middel deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het middel van niet-ontvankelijkheid van de Commissie.

Zevende middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling bij het vakgerelateerd interview

139 Verzoekster betoogt dat de jury tijdens het vakgerelateerd interview niet heeft toegezien op de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten, gezien de materiële onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan. Na een incident bij de laatste vraag van dit examen, die een van de juryleden tweemaal verkeerd heeft gesteld voordat de juryvoorzitter deze heeft verbeterd, is die vraag namelijk gewijzigd, wat de gelijke behandeling van de kandidaten heeft doorbroken.

140 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

141 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat de door de jury van een vergelijkend onderzoek verrichte beoordelingen van de geschiktheid van de kandidaten en de besluiten waarbij zij vaststelt dat een kandidaat niet is geslaagd voor een examen, een waardeoordeel vormen. Zij vallen dus onder de ruime beoordelingsbevoegdheid van de jury en kunnen door de Unierechter slechts worden getoetst in geval van kennelijke schending van de regels die de werkzaamheden van de jury beheersen (zie arrest van 7 september 2022, Rauff-Nisthar/Commissie, T‑341/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:516, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

142 Voorts moeten de instellingen van de Unie op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling ervoor zorgen dat bij een vergelijkend onderzoek alle kandidaten zo veel mogelijk in een rustige sfeer en zoals voorgeschreven examen kunnen afleggen (zie arrest van 24 april 2001, Torre e.a./Commissie, T‑159/98, EU:T:2001:121, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

143 Het is niettemin vaste rechtspraak dat een onregelmatigheid tijdens een examen van een vergelijkend onderzoek de rechtmatigheid van dat examen slechts aantast indien het gaat om een belangrijke onregelmatigheid of indien de verzoekende partij aantoont dat die onregelmatigheid mogelijkerwijs het resultaat van het examen heeft vervalst (zie arrest van 14 mei 2025, Zardini/Commissie, T‑9/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:496, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

144 Bovendien geniet een administratieve handeling een vermoeden van wettigheid en rust de bewijslast per definitie op degene die stelt dat die handeling onrechtmatig is, zodat het aan de verzoekende partij staat om ten minste voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te geven die de waarachtigheid of waarschijnlijkheid kunnen ondersteunen van de feiten waarop zij haar stelling baseert (zie arrest van 14 mei 2025, LA/Commissie, T‑4/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:495, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

145 Bij, meer in het bijzonder, het mondelinge examen van een vergelijkend onderzoek beschikt de jury over een nog ruimere beoordelingsbevoegdheid als gevolg van de vrijheid en de onzekerheid die dit soort examen kenmerken, dat naar zijn aard minder uniform is dan het schriftelijk examen en waarvan de inhoud kan variëren naargelang de ervaring en de persoonlijkheid van de verschillende kandidaten alsmede de antwoorden die zij op de vragen van de jury geven (arrest van 24 april 2013, BX/Commissie, F‑88/11, EU:F:2013:51, punt 60).

146 In casu stelt verzoekster dat de procedurele onregelmatigheid voortvloeit uit het feit dat een van de vragen van het vakgerelateerd interview is gewijzigd nadat zich een probleem had voorgedaan met de formulering daarvan. Tijdens de eerste beoordelingen werd namelijk de Engelse term „outcome” gehanteerd in plaats van „output”.

147 Verzoekster legt echter niet uit waarom die vraagwijziging een belangrijke onregelmatigheid zou vormen die de onrechtmatigheid van het bestreden besluit met zich kan brengen in de zin van de in punt 143 hierboven aangehaalde rechtspraak.

148 De jury heeft in haar antwoord op het verzoek tot heronderzoek trouwens bevestigd dat het incident waarover verzoekster spreekt geen negatieve invloed heeft gehad op haar totaalbeoordeling en dat de andere kandidaten dezelfde behandeling hebben gekregen.

149 Hoewel van de partij waarop de bewijslast rust – in casu verzoekster – inderdaad niet kan worden verlangd dat zij een onmogelijk bewijs levert, neemt dit niet weg dat verzoekster gewoon beweert, zonder die bewering te onderbouwen, dat de wijziging van de formulering van een van de vragen van het vakgerelateerd interview op zich een schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft opgeleverd.

150 In dit verband zij erop gewezen dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat een van de vragen van het vakgerelateerd interview anders was geformuleerd, dit niet betekent dat de vraag die aan verzoekster werd gesteld en die aanvankelijk verkeerd was geformuleerd maar waarvan de formulering, zoals zij erkent, tijdens haar examen door de juryvoorzitter is rechtgezet, per definitie moeilijker te begrijpen was dan de vraag die aan de volgende kandidaten is gesteld en dat er dus sprake zou zijn van schending van het beginsel van gelijke behandeling.

151 Zelfs gesteld dat verzoekster meent dat de onregelmatigheid voortvloeit uit het feit dat zij is benadeeld doordat zij door de verkeerde formulering van de laatste vraag van het vakgerelateerd interview weinig tijd had om deze te beantwoorden, moet worden opgemerkt dat zij louter beweert dat het gebruik van de term „outcome” in plaats van „output” de betekenis volledig heeft gewijzigd, waardoor zij niet heeft kunnen antwoorden. Zij levert geen enkel bewijs ter ondersteuning van deze louter algemene bewering.

152 Het loutere feit dat een vraag tijdens een mondeling examen moeilijk te begrijpen is en dat een kandidaat hierdoor in vergelijking met andere kandidaten mogelijkerwijs minder tijd heeft gehad om zijn antwoord te formuleren, kan geen schending van het beginsel van gelijke behandeling opleveren in de zin van de in de punten 141 tot en met 145 hierboven aangehaalde rechtspraak.

153 Verzoekster stelt immers dat „de vraag twee keer is herhaald omdat zij onbegrijpelijk was” en dat „de juryvoorzitter heeft moeten interveniëren en de vraag de derde keer heeft geherformuleerd”. Uit deze uitleg blijkt dus dat de juryvoorzitter onmiddellijk tussenbeide is gekomen om de fout in kwestie, die trouwens maar één term betrof, recht te zetten. Zodoende heeft de jury zich, na verzoeksters scores te hebben onderzocht, op het standpunt kunnen stellen dat noch de beperkte tijd die zij heeft gehad, noch de vermeende „verwarring” waarvan zij gewag maakt, een „negatieve impact” op haar totaalbeoordeling heeft gehad, zoals in het besluit tot afwijzing van de klacht wordt vermeld.

154 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het zevende middel ongegrond worden verklaard, en moet de vordering tot nietigverklaring bijgevolg in haar geheel worden afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding

155 Verzoekster betoogt dat zij wegens de onrechtmatigheid van het bestreden besluit materiële schade heeft geleden, namelijk het verlies van een kans op aanwerving in rang AD 7, alsook immateriële schade, waarvoor zij vergoeding vordert.

156 Wat de materiële schade betreft stelt verzoekster dat zij recht heeft om schadevergoeding te vorderen voor het verlies van de kans om, ten eerste, op de reservelijst van het betrokken vergelijkend onderzoek te worden geplaatst en, ten tweede, op langere termijn een hoger salaris en een hoger pensioen te ontvangen. Zij schat de kans dat zij zou zijn aangeworven indien zij op de reservelijst was geplaatst op 50 %, en meent dat dit percentage moet worden toegepast op het bedrag van de potentiële winstderving. Volgens haar moet bij deze berekening ook rekening worden gehouden met de verschillen qua basisvergoeding, specifieke vergoedingen en pensioenrechten tussen haar huidige post en die van vast ambtenaar.

157 Wat de immateriële schade betreft vordert verzoekster schadevergoeding voor de onzekerheid en de angst die de onrechtmatigheid van het bestreden besluit heeft veroorzaakt. Volgens haar heeft ook de onzorgvuldigheid waarmee het dossier is behandeld, immateriële schade veroorzaakt. Zij meent dat deze schade niet kan worden hersteld door de nietigverklaring van het bestreden besluit alleen, en vordert 5000 EUR.

158 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

159 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat wanneer een vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld door een ambtenaar of een ander personeelslid, de betrokken instelling slechts aansprakelijk is indien voldaan is aan de voorwaarden dat het aan die instelling verweten gedrag onrechtmatig is, dat de gestelde schade daadwerkelijk is geleden, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dat gedrag en die schade. Deze drie voorwaarden voor aansprakelijkheid zijn cumulatief, zodat de instelling niet aansprakelijk kan worden gesteld wanneer niet is voldaan aan een daarvan (zie arrest van 19 oktober 2022, JS/CRU, T‑271/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:652, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

160 Volgens vaste rechtspraak moeten vorderingen tot vergoeding van materiële of immateriële schade worden afgewezen indien zij nauw samenhangen met vorderingen tot nietigverklaring die zelf niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard (zie arrest van 19 oktober 2022, MV/Commissie, T‑624/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:653, punt 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

161 In casu blijkt uit het verzoekschrift dat de vordering tot nietigverklaring nauw samenhangt met de vordering tot schadevergoeding. De materiële en immateriële schade waarvoor verzoekster vergoeding vraagt, vindt immers haar oorsprong in de beweerde onrechtmatigheid van het bestreden besluit.

162 Aangezien de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit is afgewezen, geldt dus hetzelfde voor de vordering tot schadevergoeding.

Verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang

163 In het zevende middel, inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling bij het vakgerelateerd interview, verzoekt verzoekster het Gerecht om de Commissie, bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang om de rechterlijke toetsing van het bestreden besluit mogelijk te maken, te gelasten een document over te leggen dat het exacte verloop toont van de normalisatie van haar scores op de schriftelijke toets, het gedragsgericht interview over algemene competenties en het situationeel gedragsgericht interview.

164 De Commissie verzet zich hiertegen en voert aan dat het nut van dit document voor de procedure niet is aangetoond.

165 Er zij aan herinnerd dat het aan het Gerecht staat om te beslissen of het gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om maatregelen tot organisatie van de procesgang vast te stellen teneinde de gegevens waarover het beschikt aan te vullen, met dien verstande dat de waardering van de bewijskracht van de processtukken deel uitmaakt van de soevereine beoordeling van de feiten (zie arrest van 6 december 2023, QI/Commissie, T‑807/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:786, punt 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

166 Verzoekster meent in casu dat het door haar gevraagde document noodzakelijk is om het zevende middel, inzake „schending van het beginsel van gelijke behandeling tijdens het vakgerelateerd interview” wegens een materiële onregelmatigheid (zie punt 139 hierboven), te bewijzen en te onderbouwen.

167 Zij verwijst echter naar een document dat niet gaat over het „vakgerelateerd” interview maar over de andere toetsen, te weten de schriftelijke toets, het gedragsgericht interview over algemene competenties en het situationeel gedragsgericht interview (zie punt 163 hierboven).

168 Dit document lijkt dus niet nuttig voor de beslechting van het geschil.

169 Daarnaast moet hoe dan ook worden opgemerkt dat, voor het geval verzoekster een schrijffout zou hebben gemaakt en de vermelding „vakgerelateerd interview” in haar documentaanvraag zou zijn vergeten, de gegevens in het dossier hoe dan ook volstaan om het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen, aangezien het de zaak op dienstige wijze heeft kunnen afdoen op basis van de in de loop van het geding uiteengezette conclusies, middelen en argumenten alsmede de door partijen overgelegde stukken, zodat geen maatregel tot organisatie van de procesgang hoeft te worden gelast.

170 Derhalve moet het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang vast te stellen worden afgewezen.

171 Gelet op een en ander dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

172 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

173 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

HET GERECHT (Tiende kamer) rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Isabel Sánchez wordt verwezen in de kosten.

Kalėda Perišin Verschuur Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 april 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken