Gerecht EU 11 maart 2026, T-195/25, ECLI:EU:T:2026:183

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

11 maart 2026 ( *1 )

„Ambtenarenrecht – Ambtenaren – Kennisgeving van vacature – Functie van directeur – Afwijzing van sollicitatie – Bezwarende handeling – Ontvankelijkheid – Onbevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld – Toelatingsvoorwaarden – Begrip ‚middenkaderfunctie’ – Onjuiste rechtsopvatting”

In zaak T‑195/25,

Friedrich Erlbacher, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en S. Chantre als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, J. Martín y Pérez de Nanclares (rapporteur) en M. Stancu, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie bij op 2 juni 2025 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft opgeworpen,

– de opmerkingen van verzoeker over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2025,

– de beslissing van 4 juli 2025 tot voeging van de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde,

– de maatregelen tot organisatie van de procesgang van 7 juli 2025 en het op 18 juli 2025 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoord van de Commissie,

na de terechtzitting op 17 december 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, Friedrich Erlbacher, nietigverklaring van het besluit dat is vervat in de e-mail van het directoraat-generaal (DG) Personele Middelen en Veiligheid van de Europese Commissie van 11 juni 2024, waarbij zijn sollicitatie naar de functie van directeur (AD 14/AD 15) van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Commissie (hierna: „betrokken functie”) is afgewezen.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeker is sinds 1 januari 1996 ambtenaar bij de Commissie.

3 Tussen 1 januari 1996 en 31 oktober 1998 was verzoeker werkzaam bij het DG Concurrentie, en vervolgens is hij in het belang van de dienst gedetacheerd bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tot en met 30 september 2004. Sinds 1 oktober 2004 is hij werkzaam bij de juridische dienst van de Commissie (hierna: „juridische dienst”). Op 1 maart 2014 werd hij benoemd tot „juridisch adviseur” bij die dienst. Sindsdien is hij bevorderd naar rang AD 14. Tot slot werd hij op 1 november 2021 benoemd tot adjunct van de juridisch adviseur die aan het hoofd stond van het team „Instellingen” van de juridische dienst.

4 Op 14 mei 2024 werd een kennisgeving van vacature gepubliceerd voor de functie van directeur (rang AD 14/AD 15) voor directie G Internationaal van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling (kennisgeving COM/2024/1108) (hierna: „kennisgeving van vacature”) op grond van artikel 29, lid 1, onder a), i) en iii) van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”).

5 Onder het opschrift „Wervingsbeleid” werd de selectieprocedure als volgt beschreven: „[...] Kandidaten die voor een gesprek met het Raadgevend Comité benoemingen [(hierna: „RCB”)] worden uitgenodigd, moeten vóór dat gesprek één dag aanwezig zijn in een assessment center dat wordt geleid door externe consultants, tenzij zij in de twee jaar voorafgaand aan de datum van het gesprek met het [RCB] reeds zijn beoordeeld in het kader van een assessment center dat op verzoek van het DG [Personele Middelen en Veiligheid] is georganiseerd voor een functie van hetzelfde niveau als die waarvoor zij zich nu kandidaat stellen [...].”

6 Bovendien bevatte de kennisgeving van vacature een hyperlink die verwees naar een intranetpagina van de Commissie, met als opschrift „Kaderpersoneel: toelatingsvoorwaarden”. Wat betreft functies die onder de standaardfunctie van directeur vallen, is aangegeven dat ambtenaren in vaste dienst met name „van rang AD 14 die gedurende een periode van minimum [twee] jaar een middenkaderfunctie uitoefenen (of hebben uitgeoefend)” in aanmerking komen (hierna: „litigieuze voorwaarde”).

7 Op 27 mei 2024 heeft verzoeker gesolliciteerd naar de betrokken functie.

8 Bij een e-mail van 11 juni 2024 heeft een personeelslid van de afdeling HR.02 – Executive Staff van het DG Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie verzoeker meegedeeld dat zijn sollicitatie niet in aanmerking kon worden genomen omdat hij niet aan alle toelatingsvoorwaarden, met name de litigieuze voorwaarde, voldeed.

9 Bij een e-mail van 13 juni 2024 werd verzoeker uitgenodigd voor een gesprek met het voorselectiecomité van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling voor selectieprocedure COM/2024/1108, dat zou plaatsvinden op 25 juni 2024.

10 Bij een e-mail van 14 juni 2024 heeft een personeelslid van de afdeling R.5 – People & Organisation van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling verzoeker meegedeeld dat de in punt 9 hierboven genoemde uitnodiging niet langer geldig was, aangezien zijn sollicitatie volgens het DG Personele Middelen en Veiligheid niet in aanmerking kon worden genomen.

11 Op 22 augustus 2024 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen de e-mail van 11 juni 2024.

12 Op 30 oktober 2024 heeft de Commissie tijdens haar 2 505e vergadering op voorstel van de commissaris voor Begroting en Administratie in overleg met de voorzitter van die instelling en na raadpleging van de commissaris voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling besloten om een derde in de betrokken functie te benoemen (hierna: „benoemingsbesluit”).

13 Diezelfde dag is over het benoemingsbesluit een persbericht gepubliceerd.

14 Op 11 december 2024 is verzoeker in kennis gesteld van het besluit tot afwijzing van zijn klacht (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”), dat was vastgesteld door het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”).

Conclusies van partijen

15 Verzoeker verzoekt het Gerecht in wezen: – de e-mail van 11 juni 2024 nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten, zelfs indien het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

16 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Ontvankelijkheid van het beroep

17 De Commissie betwist dat het beroep ontvankelijk is op grond dat de e-mail van 11 juni 2024 geen bezwarende handeling vormt.

18 Ten eerste is het beroep niet-ontvankelijk, aangezien de e-mail van 11 juni 2024 van een personeelslid van het DG Personele Middelen en Veiligheid afkomstig is en niet van het TABG dat overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder a), i) en iii), van het Statuut belast is met de procedure om de betrokken functie in te vullen, namelijk het college van leden van de Commissie.

19 Ten tweede is de e-mail van 11 juni 2024 geen bezwarende handeling, maar een tussenhandeling, die deel uitmaakt van de aanwervingsprocedure. Uit de kennisgeving van vacature en uit de intranetpagina van de Commissie waarnaar die kennisgeving verwijst, blijkt namelijk dat de betrokken selectieprocedure uit verschillende fasen bestaat tussen de publicatie van de kennisgeving van vacature en het benoemingsbesluit van het college van leden van de Commissie. De bezwarende handeling van het TABG is het benoemingsbesluit.

20 Ten derde heeft de e-mail van 11 juni 2024 niet tot gevolg gehad dat verzoeker definitief van de procedure werd uitgesloten of dat het TABG daaraan gebonden was. Zoals blijkt uit de notulen van 28 november 2024 van de 2 505e vergadering van het college van leden van de Commissie (hierna: „notulen van de vergadering van het college van leden van de Commissie”), beschikte het TABG over de volledige lijst van personen die naar de betrokken functie hebben gesolliciteerd. Het TABG heeft derhalve zijn definitieve besluit genomen met kennis van de volledige lijst van sollicitaties.

21 Verzoeker betwist de argumenten van de Commissie.

22 Krachtens de artikelen 90 en 91 van het Statuut is een beroep tot nietigverklaring op het gebied van ambtenarenzaken slechts ontvankelijk indien er een bezwarende handeling bestaat.

23 Volgens de rechtspraak van het Hof zijn alleen handelingen of maatregelen die bindende rechtsgevolgen sorteren die de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, bezwarende handelingen in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (zie arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Om vast te stellen of een handeling dergelijke gevolgen in het leven roept, moet worden gelet op de substantie van deze handeling en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de bevoegdheden van de instelling die de betreffende handeling heeft vastgesteld en met de context waarin deze handeling is vastgesteld (zie arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Of een handeling rechtstreeks gevolgen kan hebben voor de rechtspositie van een natuurlijke of rechtspersoon, kan dus niet uitsluitend worden beoordeeld op basis van het feit dat de handeling de vorm van een e-mail heeft aangenomen, aangezien dat erop zou neerkomen dat de vorm van de handeling waartegen het beroep gericht is, voorrang krijgt boven de inhoud van die handeling (zie arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Bovendien zijn handelingen of besluiten die in verschillende fasen tot stand komen, met name na afloop van een interne procedure, in beginsel alleen dan voor beroep vatbare handelingen wanneer het gaat om maatregelen die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen, met uitsluiting van tussenmaatregelen ter voorbereiding van het definitieve besluit (arrest van 2 februari 2022, LU/EIB, T‑536/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:40, punt 38; zie in die zin ook beschikking van 16 november 2018, OT/Commissie, T‑552/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:807, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Tot slot kunnen overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut enkel de handelingen van het TABG en van het tot het aangaan van de aanstellingsovereenkomst bevoegde gezag door ambtenaren en personeelsleden van de instellingen van de Europese Unie aan het Gerecht worden voorgelegd (zie beschikking van 16 november 2018, OT/Commissie, T‑552/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:807, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In casu betoogt de Commissie met haar exceptie van niet-ontvankelijkheid in essentie dat enkel het benoemingsbesluit een bezwarende handeling is, aangezien het afkomstig is van het TABG, te weten het college van de leden van de Commissie, dat beschikte over de volledige lijst van personen die naar de betrokken functie hebben gesolliciteerd. Verzoeker is daarentegen van mening dat het TABG vóór de vaststelling van dat besluit, dat hem overigens niet ter kennis is gebracht, enkel rekening heeft gehouden met de door het RCB voorgestelde sollicitaties, met uitsluiting van zijn eigen sollicitatie, die vóór de voorselectiefase was afgewezen omdat hij niet in aanmerking kwam. Bijgevolg vormt de e-mail van 11 juni 2024 een definitieve afwijzing van zijn sollicitatie en dus de bezwarende handeling.

29 Dienaangaande zij opgemerkt dat de wijze waarop de procedure die leidt tot de aanwerving van ambtenaren van hogere rang wordt georganiseerd, is vastgelegd in het synoptisch document over het beleid betreffende de ambtenaren van hogere rang [SEC(2004) 1352/2] van 26 oktober 2004, dat door de Commissie is goedgekeurd (hierna: „synoptisch document”). In punt 5.2 ervan is die procedure beschreven als een procedure die uit verschillende fasen bestaat, die in casu zijn uitgevoerd door middel van de kennisgeving van vacature.

30 Volgens die procedure wordt een ontwerp van kennisgeving van vacature voorbereid door het directoraat-generaal dat belast is met de aanwerving in overleg met de rapporteur van de procedure, waarna die kennisgeving van vacature wordt gepubliceerd na goedkeuring door het TABG (eerste fase). Vervolgens wordt door het voorselectiecomité een lijst opgesteld van de kandidaten die in het licht van de gepubliceerde criteria het best gekwalificeerd zijn voor de betrokken functie (tweede fase). Op basis van het rapport van dat comité bepaalt het RCB welke kandidaten het meest geschikt zijn voor een sollicitatiegesprek en brengt het vervolgens zijn voorlopig advies uit (derde fase). Na gesprekken met de geselecteerde kandidaten stelt het RCB zijn advies vast en stelt het de reservelijst op, vergezeld van de beoordelingsfiches van elke kandidaat (vierde fase). De kandidaten op de door het RCB opgestelde reservelijst moeten een sollicitatiegesprek voeren met een of meerdere leden van het college van leden van de Commissie, dat de kandidaat in de betrokken functie benoemt (vijfde en laatste fase).

31 Hieruit volgt dat het college van leden van de Commissie het TABG is dat bevoegd is om ambtenaren van hogere rang te benoemen en dat het benoemingsbesluit wordt vastgesteld na afloop van een selectieprocedure die bestaat uit verschillende fasen waarin voorbereidende handelingen worden vastgesteld. In beginsel en overeenkomstig de in de punten 26 en 27 hierboven aangehaalde rechtspraak is dus enkel het benoemingsbesluit de voor verzoeker bezwarende handeling.

32 In de rechtspraak is echter reeds aanvaard dat een besluit dat na afloop van een van de fasen van de selectieprocedure was vastgesteld, een voor de betrokkene bezwarende handeling kon vormen, aangezien dat besluit tot gevolg had dat hem de mogelijkheid werd ontnomen om deel te nemen aan een latere fase van die procedure en dus iedere mogelijkheid om in het kader van de kennisgeving van vacature te worden benoemd (zie in die zin beschikking van 22 april 2015, ED/ENISA, F‑105/14, EU:F:2015:33, punten 31 en 32).

33 In casu heeft het voorselectiecomité na beoordeling van de toelatingsvoorwaarden door het DG Personele Middelen en Veiligheid het oorspronkelijk geplande gesprek met verzoeker geannuleerd. Zoals in punt 10 hierboven in herinnering is gebracht, moest worden aangenomen dat de uitnodiging voor dat gesprek niet langer geldig was, aangezien het DG Personele Middelen en Veiligheid van mening was dat verzoeker met name niet voldeed aan de litigieuze voorwaarde.

34 Vastgesteld moet dus worden dat verzoeker na de verzending van de e-mail van 11 juni 2024 is uitgesloten van de andere fasen van de selectieprocedure, zodat deze e-mail hem benadeelt.

35 Ter terechtzitting heeft de Commissie niettemin betoogd dat het DG Personele Middelen en Veiligheid weliswaar een eerste analyse van de toelatingsvoorwaarden verricht, maar dat het college van leden van de Commissie als enige TABG bevoegd is om een definitief besluit vast te stellen.

36 Volgens de Commissie waren de autoriteiten die na het DG Personele Middelen en Veiligheid zijn opgetreden, in staat om de toelatingsvoorwaarden te analyseren en hadden zij een andere analyse kunnen maken dan die van dat DG. Met andere woorden, het preselectiecomité, het RCB of het college van leden van de Commissie hadden zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoekers sollicitatie voldeed aan de toelatingsvoorwaarden, zodat de e-mail van 11 juni 2024 geen bezwarende handeling is.

37 In de specifieke omstandigheden van het geval is het Gerecht echter van oordeel dat de verwijzing naar die mogelijkheid alleen niet volstaat om uit te sluiten dat de e-mail van 11 juni 2024 een bezwarende handeling vormt. Gelet op de daadwerkelijke gevolgen voor verzoekers situatie en op de informatie die hij heeft ontvangen, moet de Commissie immers aanwijzingen aanvoeren waaruit blijkt dat die verschillende instanties die bij de selectieprocedure en in ieder geval bij de voorselectieprocedure betrokken zijn, zijn sollicitatie daadwerkelijk hebben ontvangen en hebben onderzocht of deze aan de toelatingsvoorwaarden voldeed. Bij gebreke van dergelijke aanwijzingen moet worden geconcludeerd dat het DG Personele Middelen en Veiligheid een definitief standpunt lijkt te hebben ingenomen over de vraag of verzoeker aan de toelatingsvoorwaarden voldeed.

38 Wat ten eerste het voorselectiecomité betreft, sluit de formulering in de in punt 10 hierboven genoemde e-mail van 14 juni 2024 uit dat dit comité heeft onderzocht of de sollicitatie van verzoeker aan de toelatingsvoorwaarden voldeed, en geeft deze zelfs aan dat dit comité zich gebonden achtte aan de beoordeling van het DG Personele Middelen en Veiligheid.

39 Wat ten tweede het RCB betreft, heeft het Gerecht verzocht om overlegging van documenten met referentie PERS (2024) 65/2 en PERS (2024) 65/3 om na te gaan of het RCB en vervolgens het college van leden van de Commissie, zoals de Commissie stelt, beschikten over de volledige lijst van sollicitaties naar de betrokken functie, wat noodzakelijk is om te kunnen onderzoeken of die sollicitaties aan de toelatingsvoorwaarden voldoen. Als antwoord heeft de Commissie drie documenten overgelegd: – de nota van de directeur-generaal van het DG Personele Middelen en Veiligheid, die is toegezonden aan de commissaris voor Begroting en Administratie van 11 juni 2024 (hierna: „nota van 11 juni 2024”); – het voorafgaande advies van het RCB van 22 augustus 2024; – het advies van het RCB van 3 oktober 2024.

40 Uit de nota van 11 juni 2024 blijkt dat van de zeven ingediende sollicitaties alleen die van verzoeker niet in aanmerking kwam en niet is toegezonden aan de commissaris voor Begroting en Administratie, hetgeen ter terechtzitting door de Commissie is bevestigd. De commissaris die het voorstel aan het college van leden van de Commissie heeft voorgelegd (zie punt 12 hierboven), had verzoekers sollicitatie niet ontvangen.

41 In het voorafgaande advies van het RCB van 22 augustus 2024 was niet alleen verzoekers sollicitatie opgenomen in de lijst van in aanmerking komende sollicitaties, maar ook die van een persoon die nochtans zijn sollicitatie vóór de voorselectiefase had ingetrokken. Het aantal in aanmerking komende sollicitaties bedroeg dus acht in plaats van zes. Na een vraag ter terechtzitting over dat verschil in aantal, heeft de Commissie erkend dat die inconsistentie aanleiding kon geven tot twijfel, zonder evenwel nadere uitleg te geven.

42 De Commissie heeft dus niet gesteld dat dit verschil werd verklaard door de omstandigheid dat het RCB van alle sollicitaties had onderzocht of zij aan de toelatingsvoorwaarden voldeden en tot een andere conclusie was gekomen dan het DG Personele Middelen en Veiligheid.

43 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de Commissie niet in staat is geweest om concreet bewijs aan te dragen waaruit blijkt dat het RCB verzoekers sollicitatie wel degelijk had ontvangen, in tegenstelling tot de commissaris voor Begroting en Administratie, noch dat het daadwerkelijk had onderzocht of die sollicitatie aan de toelatingsvoorwaarden voldeed.

44 Bovendien wordt in het voorafgaande advies van het RCB van 22 augustus 2024 enkel uitdrukkelijk melding gemaakt van de verificatie van de persoonsdossiers van de twee kandidaten die waren uitgenodigd voor het assessment center en een gesprek. Verzoeker maakte daar geen deel van uit.

45 Op grond van de overgelegde stukken en de door de Commissie verstrekte toelichtingen kan derhalve niet worden geconcludeerd dat het RCB wel degelijk alle sollicitaties had ontvangen, laat staan dat het opnieuw had onderzocht of zij aan de toelatingsvoorwaarden voldeden, of meer in het bijzonder dat het de sollicitatie van verzoeker had beoordeeld.

46 De lijst in het voorafgaande advies van het RCB van 22 augustus 2024 lijkt dus slechts een overzicht te zijn van alle namen van de kandidaten die hebben gesolliciteerd, ongeacht of hun sollicitaties in aanmerking komen, en de toevoeging van de woorden „in aanmerking komend” moet, bij gebreke van een overtuigende uitleg van de Commissie, worden opgevat als een schrijffout.

47 Bijgevolg heeft de Commissie dus niet het bewijs geleverd dat het RCB verzoekers sollicitatie had onderzocht en tot de conclusie was gekomen dat deze in aanmerking kwam, in tegenstelling tot de conclusie waartoe het DG Personele Middelen en Veiligheid was gekomen, welke conclusie bovendien zonder verificatie door het voorselectiecomité was aanvaard.

48 Dit bewijs was des te meer noodzakelijk omdat, ten eerste, uit het synoptische document niet blijkt dat van het RCB werd verwacht dat het onderzocht of de sollicitaties aan de toelatingsvoorwaarden voldeden en, ten tweede, aangezien het gesprek van verzoeker met het voorselectiecomité was geannuleerd, het weinig waarschijnlijk was dat het RCB de verdiensten van een sollicitatie zou onderzoeken waarvoor het dat comité aan belangrijke beoordelingselementen ontbrak.

49 Wat ten derde het college van leden van de Commissie betreft, is er, gelet op de wijze waarop de selectieprocedure is verlopen, te weten om te beginnen het feit dat verzoekers sollicitatie niet aan de commissaris voor Begroting en Administratie is toegezonden, vervolgens de aanvaarding door het voorselectiecomité van de conclusie van het DG Personele Middelen en Veiligheid en, ten slotte, het ontbreken van bewijs dat het RCB verzoekers sollicitatie heeft onderzocht, een reeks aanwijzingen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het college van leden van de Commissie verzoekers sollicitatie had ontvangen en had onderzocht of deze aan de toelatingsvoorwaarden voldeed. Bovendien moet worden opgemerkt dat, zoals in punt 48 hierboven met betrekking tot het RCB is vastgesteld, niet uit het synoptische document blijkt dat het college van leden van de Commissie moet onderzoeken of sollicitaties aan de toelatingsvoorwaarden voldoen en, aangezien noch het voorselectiecomité noch het RCB een gesprek met verzoeker heeft gevoerd, het weinig waarschijnlijk was dat dit college de verdiensten van verzoekers sollicitatie, waarvoor het dit comité aan belangrijke beoordelingselementen ontbrak, zou onderzoeken.

50 Vastgesteld moet worden dat de Commissie geen enkel bewijs van het tegendeel heeft overgelegd, met uitzondering van de notulen van de vergadering van het college van haar leden.

51 Het feit dat in de notulen van de vergadering van het college van leden van de Commissie wordt vermeld dat dit college de lijst van sollicitaties heeft ontvangen, volstaat echter niet om aan te tonen dat het verzoekers sollicitatie daadwerkelijk heeft ontvangen en heeft onderzocht of zij in aanmerking kwam. Dat een lijst is toegezonden betekent namelijk niet noodzakelijkerwijs dat de sollicitaties daadwerkelijk zijn toegezonden, zoals blijkt uit de nota van 11 juni 2024, waarin de lijst van sollicitaties werd opgesteld, maar waarmee alleen de in aanmerking komende sollicitaties werden toegezonden aan de commissaris voor Begroting en Administratie.

52 Bovendien zij opgemerkt dat de e-mail van 11 juni 2024 op dezelfde dag om 16.56 uur aan verzoeker is meegedeeld, dat wil zeggen ongeveer een uur na de elektronische ondertekening van de nota van 11 juni 2024 om 15.49 uur, hetgeen bevestigt dat het de bedoeling was om verzoeker in kennis te stellen van het ten aanzien van hem vastgestelde besluit, dat vrijwel gelijktijdig aan de commissaris voor Begroting en Administratie is toegezonden.

53 In de omstandigheden van het onderhavige geval moet bijgevolg worden geoordeeld dat de e-mail van 11 juni 2024, aangezien die tot gevolg had dat verzoekers sollicitatie vóór de voorselectiefase is uitgesloten, de selectieprocedure voor hem heeft beëindigd en dus een definitieve afwijzing van zijn sollicitatie en dus de bezwarende handeling (hierna: „bestreden besluit”) vormt, zodat zijn beroep ontvankelijk is.

Voorwerp van het beroep

54 Met zijn derde vordering verzoekt verzoeker het Gerecht om, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren.

55 Daar het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud heeft, aangezien het enkel het bestreden besluit bevestigt, moet worden geoordeeld dat de vorderingen tot nietigverklaring alleen strekken tot nietigverklaring van het bestreden besluit, waarvan de rechtmatigheid wordt beoordeeld in het licht van de motivering van dat besluit tot afwijzing van de klacht (zie in die zin arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 6 juli 2022, MZ/Commissie, T‑631/20, EU:T:2022:426, punt 21).

Ten gronde

56 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en het tweede aan een exceptie van onwettigheid van de kennisgeving van vacature en van de regels waarnaar in de kennisgeving van vacature wordt verwezen.

57 Bovendien heeft verzoeker in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid een nieuw middel aangevoerd, dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de auteur van de handeling.

Nieuw middel: onbevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld

58 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoeker aangegeven dat, indien het Gerecht, net als de Commissie, van oordeel zou zijn dat de persoon die hem het bestreden besluit heeft meegedeeld, daartoe niet bevoegd was, hij een nieuw middel tot nietigverklaring wilde aanvoeren, dat is ontleend aan de onbevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld.

59 Ter terechtzitting heeft de Commissie aangevoerd dat indien het Gerecht van oordeel zou zijn dat de e-mail van 11 juni 2024 de bezwarende handeling was, vastgesteld moet worden dat het gezag dat die handeling had vastgesteld, onbevoegd was.

60 In dat verband zij eraan herinnerd dat de onbevoegdheid van de persoon die een bezwarende handeling heeft verricht een middel van openbare orde vormt dat de rechter van de Unie zo nodig ambtshalve moet onderzoeken (zie arrest van 8 juli 2010, Commissie/Putterie-De-Beukelaer, T‑160/08 P, EU:T:2010:294, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en dat het in elk stadium van de procedure kan worden aangevoerd (zie arrest van 26 juni 2024, Paraskevaidis/Raad en Commissie, T‑698/21, EU:T:2024:425, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In casu is het bestreden besluit vastgesteld door een personeelslid van de afdeling HR.02 – Executive Staff van het DG Personele Middelen en Veiligheid. Zoals in punt 31 hierboven is vermeld, is het college van leden van de Commissie het TABG dat bevoegd is om ambtenaren van hogere rang te benoemen.

62 Het is juist dat uit de analyse van de ontvankelijkheid van het beroep blijkt dat het voorselectiecomité, het RCB en het college van leden van de Commissie niet hebben onderzocht of de sollicitaties aan de toelatingsvoorwaarden voldeden en dat deze taak is toevertrouwd aan het DG Personele Middelen en Veiligheid.

63 Bovendien heeft het bestreden besluit, zoals in punt 53 hierboven is geconcludeerd, een einde gemaakt aan de selectieprocedure voor verzoeker.

64 Het college van leden van de Commissie lijkt dus zijn bevoegdheden met betrekking tot het onderzoek of de sollicitaties voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor en de afwijzing van die sollicitaties in dit stadium van de selectieprocedure te hebben gedelegeerd aan het DG Personele Middelen en Veiligheid.

65 Niettemin zij eraan herinnerd dat de delegatie van bevoegdheden volgens vaste rechtspraak niet zonder meer mag worden verondersteld en dat, zelfs indien het delegerend gezag bevoegd is zijn bevoegdheden over te dragen, het dit slechts kan doen krachtens een speciaal hiertoe strekkende beschikking (zie in die zin arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit,9/56, EU:C:1958:7, blz. 43-45, 48 en 49) en de overdracht slechts nauwkeurig omschreven uitvoerende bevoegdheden tot voorwerp kan hebben (zie in die zin arrest van 26 mei 2005, Tralli/ECB,C‑301/02 P, EU:C:2005:306, punt 43].

66 Dit was in casu evenwel niet het geval.

67 Bovendien zij opgemerkt dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot de in punt 32 hierboven vermelde beschikking van 22 april 2015, ED/Enisa (F‑105/14, EU:F:2015:33, punt 31). In die laatste zaak was de bezwarende handeling immers vastgesteld door het bevoegde gezag, aangezien deze het standpunt bevatte van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomst bevoegd gezag om verzoekers sollicitatie in de eerste fase van de selectieprocedure af te wijzen, na een gedetailleerde beoordeling ervan door de selectiecommissie.

68 In die omstandigheden zij vastgesteld dat het bestreden besluit is vastgesteld door een onbevoegd gezag, zodat het nietig moet worden verklaard.

69 Niettemin vereist een goede rechtsbedeling, teneinde het juiste rechtskader vast te stellen waarbinnen de Commissie overeenkomstig artikel 266 VWEU de nodige maatregelen ter uitvoering van dit arrest moet nemen, ook dat het eerste middel van verzoeker wordt behandeld.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting

70 Verzoeker is van mening dat het TABG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt aangezien het bestreden besluit in strijd is met de kennisgeving van vacature en met de regels waarnaar in de kennisgeving van vacature wordt verwezen. Het TABG had die regels namelijk aldus moeten uitleggen dat de litigieuze voorwaarde in een geval zoals het zijne niet van toepassing was. Een dergelijk middel moet ook worden geacht te zijn ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting.

71 Dienaangaande merkt verzoeker om te beginnen op dat besluit C(2016) 3288 final van de Commissie van 15 juni 2016 betreffende het middenkaderpersoneel (hierna: „besluit over het middenkader”), waarin de criteria zijn vastgesteld op grond waarvan een functie als een „middenkaderfunctie” kan worden beschouwd, niet van toepassing is op adviseurs, zoals blijkt uit artikel 2, lid 3, van dat besluit.

72 Voorts geeft verzoeker aan dat in artikel 1 van besluit C(2016) 3214 final van de Commissie van 7 juni 2016 betreffende de functie van adviseur (hierna: „besluit betreffende adviseurs”) juridisch adviseurs bij de juridische dienst uitgesloten zijn van de werkingssfeer van dat besluit.

73 Verzoeker leidt daar twee verschillende scenario’s uit af.

74 Volgens het eerste scenario moet worden aangenomen dat, aangezien het besluit betreffende adviseurs niet van toepassing is op juridisch adviseurs bij de juridische dienst, het besluit over het middenkader op die laatsten van toepassing is. In een dergelijk geval moeten juridisch adviseurs, gelet op de bijzondere structuur van de juridische dienst, als afdelingshoofden worden beschouwd.

75 Aangezien het TABG verzoeker, die juridisch adviseur is bij de juridische dienst, niet als afdelingshoofd heeft beschouwd, moet het bestreden besluit nietig worden verklaard wegens schending van het besluit over het middenkader.

76 Volgens het tweede scenario zijn juridisch adviseurs bij de juridische dienst zowel van de werkingssfeer van het besluit over het middenkader als van die van het besluit betreffende adviseurs uitgesloten. Dat betekent dat de functie van juridisch adviseur bij de juridische dienst niet door een specifieke tekst wordt geregeld, noch wat zijn rol betreft, noch wat de mogelijkheid betreft om deel te nemen aan selectieprocedures voor ambtenaren van hogere rang.

77 In een dergelijk geval kon het bestreden besluit niet worden vastgesteld op grond van het besluit over het middenkader en was het noodzakelijk dat het TABG in concreto beoordeelt of verzoeker over de voor de betrokken functie vereiste vaardigheden en leidinggevende ervaring beschikte.

78 Bijgevolg heeft het TABG de kennisgeving van vacature en de regels waarnaar in de kennisgeving van vacature wordt verwezen, geschonden door de litigieuze voorwaarde automatisch op verzoeker toe te passen, zonder na te gaan of zijn vaardigheden en ervaring konden worden geacht gelijkwaardig te zijn aan die welke voor middenkaderfuncties zijn vereist.

79 De Commissie betwist verzoekers argumenten. Zij betoogt in het bijzonder dat juridisch adviseurs bij de juridische dienst van het besluit over het middenkader zijn uitgesloten, niet „voor zover” zij geen kaderfunctie uitoefenen, maar „omdat” zij geen dergelijke functie uitoefenen. Die uitlegging van artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader wordt bevestigd door de Engelse taalversie van dat besluit, waarin de term „as” wordt gebruikt, en de Duitse taalversie, waarin de term „da” wordt gebruikt.

80 Volgens vaste rechtspraak heeft de kennisgeving van vacature tot doel, ten eerste, de betrokkenen zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereisten voor de te vervullen functie, zodat zij kunnen beoordelen of het voor hen zinvol is te solliciteren en, ten tweede, het wettigheidskader te bepalen waarbinnen de verdiensten van de sollicitanten worden vergeleken. Deze tweede functie brengt mee dat eisen worden bekendgemaakt die voldoende duidelijk zijn om deze vergelijking te kunnen maken en de gemaakte keuze te rechtvaardigen (zie arrest van 1 juni 2022, OG/AED,T‑632/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:308, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens de rechtspraak vormen zowel de algemene voorwaarden in het overzicht van de kennisgevingen van vacature als de specifieke voorwaarden in verband met de betrokken functie de voorwaarden die in de kennisgeving van vacature worden gesteld (arrest van 7 februari 2019, Duym/Raad, T‑549/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:72, punt 60).

81 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de uitoefening van de ruime beoordelingsvrijheid waarover het TABG op het gebied van benoeming beschikt, een nauwgezet onderzoek van de sollicitatiedossiers en een zorgvuldige naleving van de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen veronderstelt, zodat het elke kandidaat die niet aan deze eisen voldoet, dient af te wijzen. De kennisgeving van vacature vormt een wettigheidskader dat het TABG zichzelf stelt en waaraan het zich nauwgezet heeft te houden (arresten van 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen, C‑35/92 P, EU:C:1993:104, punten 15 en 16; 12 mei 1998, Wenk/Commissie, T‑159/96, EU:T:1998:86, punt 63, en 9 juli 2019, VY/Commissie, T‑253/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:488, punt 20).

82 In casu zij opgemerkt dat de kennisgeving van vacature, zoals in punt 6 hierboven in essentie is aangegeven, een rubriek bevatte die betrekking had op toelatingsvoorwaarden, met een hyperlink die verwees naar een intranetpagina van de Commissie, met als opschrift: „Kaderpersoneel: toelatingsvoorwaarden”.

83 De litigieuze voorwaarde, zoals in punt 6 in herinnering is gebracht, is daar duidelijk uiteengezet, namelijk dat ambtenaren in vaste dienst met name „van rang AD 14 die een gedurende een periode van minimum [twee] jaar een middenkaderfunctie uitoefenen (of hebben uitgeoefend)” in aanmerking komen.

84 Vooraf zij opgemerkt dat verzoeker weliswaar betwist dat zijn sollicitatie is beoordeeld aan de hand van de litigieuze voorwaarde, maar dat hij het TABG in werkelijkheid verwijt dat het bij de beoordeling of hij aan de litigieuze voorwaarde voldeed, geen rekening heeft gehouden met zijn bijzonder statuut van juridisch adviseur, noch met zijn vaardigheden en leidinggevende ervaring.

85 Aangezien de litigieuze voorwaarde deel uitmaakt van het wettelijk kader van de kennisgeving van vacature, was zij hoe dan ook van toepassing op verzoeker, aangezien hij heeft gesolliciteerd naar de betrokken functie.

86 In casu heeft het TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht om te beginnen overwogen dat de verantwoordelijkheden die verzoeker als adjunct-teamhoofd heeft uitgeoefend niet kunnen worden geacht gelijkwaardig te zijn aan het permanent en voortdurend leiden van een team in de zin van het besluit over het middenkader en vervolgens dat het besluit over het middenkader niet van toepassing was op juridisch adviseurs. Tot slot heeft het zich op het standpunt gesteld dat verzoeker, ondanks zijn ruime beroepservaring bij de Commissie, niet de vereiste leidinggevende ervaring had opgedaan om voor de betrokken functie in aanmerking te komen.

87 In hoofdorde stelt verzoeker dat juridisch adviseurs bij de juridische dienst moeten worden behandeld als afdelingshoofden, aangezien zij niet zijn uitgesloten van het besluit over het middenkader. Subsidiair, indien zou worden geoordeeld dat juridisch adviseurs bij de juridische dienst zijn uitgesloten van het besluit over het middenkader, is er sprake van een juridische leemte wat hen betreft, aangezien zij ook zijn uitgesloten van het besluit betreffende de adviseurs. In een dergelijk geval had het TABG in concreto moeten beoordelen of verzoeker over de voor de betrokken functie vereiste vaardigheden en leidinggevende ervaring beschikte.

88 Wat de vraag betreft of juridisch adviseurs bij de juridische dienst binnen de werkingssfeer van het besluit over het middenkader vallen, moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 1, tweede alinea, van het besluit over het middenkader bepaalt dat „[d]it besluit [...] van toepassing [is] op alle diensten van de Commissie en op de diensten die daarmee administratief verbonden zijn”. Dat besluit is derhalve van toepassing op de juridische dienst.

89 Verder blijkt uit artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader dat „[a]angezien zij geen kaderfunctie uitoefenen, [...] adviseurs van [dat] besluit [zijn] uitgesloten”.

90 In dat verband betoogt verzoeker in essentie dat onder „adviseurs” moet worden verstaan de adviseurs waarop het besluit betreffende de adviseurs betrekking heeft, hetgeen juridisch adviseurs bij de juridische dienst uitsluit. Voorts zouden alleen de adviseurs die geen kaderfunctie uitoefenen, uitgesloten zijn.

91 De Commissie doet geen uitspraak over de relevantie van het besluit betreffende de adviseurs om te begrijpen wat het begrip „adviseur” in de zin van artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader inhoudt. Zij betoogt echter dat juridisch adviseurs onder de standaardfunctie „adviseur of gelijkwaardig” vallen en dat adviseurs, net zoals juridisch adviseurs, geen kaderfunctie uitoefenen, zodat zij van het besluit over het middenkader zijn uitgesloten. Bovendien leidt zij uit verschillende teksten en uit de rechtspraak af dat het voor het college van leden van de Commissie duidelijk was dat een juridisch adviseur bij de juridische dienst niet gelijkwaardig was aan een afdelingshoofd. Die vaststelling, waaraan moet worden toegevoegd dat er een beperkt aantal juridisch adviseurs is, verklaart volgens de Commissie dat zij niet worden genoemd in het besluit over het middenkader.

92 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen (arrest van 2 september 2021, CRCAM, C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 31; zie ook in die zin arrest van 10 maart 2021, AM/EIB,T‑134/19, EU:T:2021:119, punt 60).

93 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader „adviseurs” uitsluit van de werkingssfeer van dat besluit en niet „adviseurs of gelijkwaardig”, die nochtans de benaming van die standaardfunctie vormen, zoals ook blijkt uit bijlage I bij het Statuut en uit artikel 30 van bijlage XIII bij het Statuut, maar ook uit de bijlage bij besluit C(2013) 8979 final van de Commissie van 16 december 2013 betreffende de soorten ambten en bijbehorende titels.

94 Vervolgens is het juist dat artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader bij de definitie van dat begrip niet uitdrukkelijk verwijst naar het besluit betreffende de adviseurs. Op grond van de context waarin die twee besluiten zijn vastgesteld en van het doel van het besluit betreffende de adviseurs, kan echter worden aangenomen dat onder „adviseurs” in artikel 2, lid 3, van het besluit over het middenkader adviseurs als bedoeld in het besluit betreffende de adviseurs, werden bedoeld.

95 Met betrekking tot de context van de vaststelling van het besluit over het middenkader en het besluit betreffende de adviseurs zij eraan herinnerd dat zij zijn vastgesteld met een tussenpoos van een week, namelijk op 7 juni 2016 voor het besluit betreffende de adviseurs en op 15 juni 2016 voor het besluit over het middenkader, dat zij beide deel uitmaken van de algemene strategie voor talentbeheer van de Commissie (zie overweging 1 van het besluit over het middenkader en overweging 2 van het besluit betreffende de adviseurs) en dat zij beogen rekening te houden met het herziene Statuut, dat op 1 januari 2014 in werking is getreden (overweging 8 van het besluit over het middenkader en overweging 1 van het besluit betreffende de adviseurs).

96 Het besluit betreffende de adviseurs en het besluit over het middenkader vormen dus een gemeenschappelijk geheel van regels die door de Commissie zijn vastgesteld voor het beheer van haar personeel. Die vaststelling wordt bevestigd door punt 2 van de richtsnoeren ter uitvoering van mededeling C(2017) 5231 final aan de Commissie van 31 juli 2017 betreffende de organigrammen van de DG’s en diensten van de Commissie, waarin wordt gepreciseerd dat de richtsnoeren over de rol en de positionering van leidinggevende en adviserende functies moeten worden gelezen in samenhang met de bepalingen van de besluiten over het middenkader en betreffende de adviseurs.

97 Wat betreft het doel van het besluit betreffende de adviseurs, moet worden opgemerkt dat uit overweging 2 daarvan uitdrukkelijk blijkt dat de Commissie de bedoeling had „een duidelijker onderscheid te maken tussen de loopbaan van het middenkaderpersoneel en die van de experten”.

98 Die doelstelling wordt bovendien in herinnering gebracht in punt 3.3 van mededeling C(2017) 5231 final aan de Commissie van 31 juli 2017 betreffende de organigrammen van de DG’s en diensten van de Commissie. Hieruit blijkt namelijk dat het besluit betreffende de adviseurs „het beleid inzake adviseurs heeft gemoderniseerd in het kader van haar algemene strategie voor talentbeheer door duidelijk onderscheid te maken tussen de loopbaan van afdelingshoofd en die van adviseur”.

99 Uit de context van de vaststelling van het besluit over het middenkader, met inbegrip van het doel van het besluit betreffende de adviseurs, blijkt dat artikel 2, lid 3, van het middenkaderbesluit bedoeld was om te verwijzen naar de adviseurs als bedoeld in het besluit betreffende adviseurs.

100 De door de Commissie aangevoerde omstandigheid dat het voor het college van de leden van de Commissie duidelijk was dat de functie van juridisch adviseur niet gelijkwaardig was aan die van afdelingshoofd, en het feit dat er weinig juridisch adviseurs van de juridische dienst waren, kunnen, anders dan zij stelt, niet verklaren waarom de juridisch adviseurs niet uitdrukkelijk worden genoemd in het besluit over het middenkader.

101 Ten eerste blijkt immers zowel uit besluit C(2013) 8979 final van de Commissie van 16 december 2013 betreffende de soorten ambten en bijbehorende titels als uit het arrest van 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie (F‑112/14, EU:F:2015:90, punten 42 en 63), waarnaar de Commissie ter ondersteuning van dat betoog verwijst, dat het begrip „adviseur” beperkt is tot een bepaald type functie en dat er een ruimere rubriek bestaat met de benaming „Adviseur of gelijkwaardig”, waarin verschillende soorten functies zijn opgenomen, waaronder die van juridisch adviseur bij de juridische dienst.

102 Ten tweede was de specificiteit van de juridisch adviseurs bij de juridische dienst, hoewel zij weinig talrijk waren, voldoende bekend, aangezien zij op grond van artikel 1 van het besluit betreffende de adviseurs uitdrukkelijk zijn uitgesloten van dat besluit.

103 Bij de vaststelling van het besluit over het middenkader wist het college van leden van de Commissie dus, of had zij moeten weten, dat het begrip „adviseur” niet de adviseurs bij de juridische dienst omvatte en dat het begrip „adviseur of gelijkwaardig” had moeten worden gehanteerd om hen onder de uitsluiting van artikel 2, lid 3, van dat besluit te laten vallen.

104 Anders dan verzoeker daaruit afleidt, betekent dat echter niet dat juridisch adviseurs bij de juridische dienst automatisch als afdelingshoofd moeten worden behandeld.

105 De functies die in beginsel als middenkaderfuncties worden beschouwd, worden namelijk genoemd in artikel 2, lid 1, van het besluit over het middenkader. Het betreft de functie van afdelingshoofd en van diensthoofd, maar ook die van hoofd van een vertegenwoordiging in de lidstaten en hoofd van de taskforce. De functie van juridisch adviseur is daarin aldus niet genoemd.

106 Aangezien juridisch adviseurs bij de juridische dienst niet onder een van de in artikel 2, lid 1, van het besluit over het middenkader genoemde categorieën vallen, moeten zij voldoen aan de twee in die bepaling genoemde voorwaarden om te worden beschouwd als personen die een middenkaderfunctie uitoefenen.

107 De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de juridisch adviseurs bij de juridische dienst onderworpen zijn aan een selectieprocedure die vergelijkbaar is met die van afdelingshoofden, wat de Commissie overigens betwist, kan aan die conclusie niet afdoen. Volgens de rechtspraak betekent het enkele feit dat zij na een selectieprocedure overeenkomstig artikel 4 en artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut en overeenkomstig het besluit over het middenkader zijn benoemd als „juridisch adviseur” immers niet dat zij daadwerkelijk functies in het midden- of hoger kader hebben uitgeoefend (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie,F‑112/14, EU:F:2015:90, punten 20, 68 en 74).

108 Zoals de Commissie zowel in het verweerschrift als ter terechtzitting heeft erkend, is het van belang na te gaan of het personeelslid van de Commissie daadwerkelijk een middenkaderfunctie uitoefent in de zin van artikel 2, lid 1, van het middenkaderbesluit.

109 Ten eerste zij namelijk opgemerkt dat in artikel 2, lid 1, van het besluit over het middenkader is aangegeven dat „[t]ot het middenkader [elke persoon] behoort [...] die een functie uitoefent die tegelijkertijd aan die twee criteria voldoet” en dus niet enkel de vervolgens genoemde categorieën, zoals in punt 105 hierboven in herinnering is gebracht.

110 Ten tweede wordt in punt 3.1 van mededeling C(2017) 5231 final aan de Commissie van 31 juli 2017 betreffende de organigrammen van de DG’s en diensten van de Commissie overwogen dat in uitzonderlijke gevallen een kaderfunctie buiten een directoraat-generaal, directie of afdeling kan bestaan.

111 In die omstandigheden staat in beginsel niets eraan in de weg dat een persoon zoals verzoeker tracht aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, van het besluit over het middenkader.

112 Bijgevolg heeft het TABG blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de juridisch adviseurs bij de juridische dienst, net als de adviseurs waarop het besluit betreffende de adviseurs betrekking heeft, van het besluit over het middenkader waren uitgesloten.

113 Aangezien het bestreden besluit door een onbevoegd gezag is vastgesteld, zoals in punt 68 hierboven is geconstateerd, hoeft daarentegen niet te worden onderzocht of het TABG in concreto heeft nagegaan of verzoeker een middenkaderfunctie uitoefende en of het TABG bij die analyse een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

114 Gelet op een en ander moet het onderhavige beroep worden toegewezen.

Kosten

115 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

116 Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de verzoeker te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de verzoeker.

HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het besluit dat is vervat in de e-mail van het directoraat-generaal (DG) Personele Middelen en Veiligheid van de Europese Commissie van 11 juni 2024, waarbij de sollicitatie van Friedrich Erlbacher naar de functie van directeur (AD 14/AD 15) van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Commissie is afgewezen, wordt nietig verklaard.

2) De Commissie wordt verwezen in de kosten.

Svenningsen Martín y Pérez de Nanclares Stancu Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 maart 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken