Gerecht EU 4 maart 2026, T-656/24, ECLI:EU:T:2026:167
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Prejudiciële kamer)
4 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Compensatie aan passagiers bij langdurige vertraging of annulering van een vlucht – Vrijstelling van de verplichting tot compensatie – Artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 – Buitengewone omstandigheden – Tekortkomingen in de veiligheidscontrole van de luchthaven – Autonoom besluit van de luchtvaartmaatschappij om te wachten op alle passagiers die nog niet door de veiligheidscontrole heen waren – Rotatie van het toestel – Reorganisatie van vluchten die volgen op de vertraagde vlucht – Causaal verband”
In zaak T‑656/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 20 november 2024, ingekomen bij het Hof op 6 december 2024, in de procedure
NI,
HZ
tegen
European Air Charter AG,
wijst
HET GERECHT (Prejudiciële kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, N. Półtorak, M. Sampol Pucurull (rapporteur), D. Petrlík en W. Valasidis, rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 19 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder e), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 17 oktober 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– European Air Charter, vertegenwoordigd door P. Kauffmann en K. Witt, Rechtsanwälte,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NI en HZ, twee luchtreizigers, en European Air Charter AG, een luchtvaartmaatschappij, over de weigering van laatstgenoemde om een compensatie te betalen aan deze passagiers wier vlucht een langdurige vertraging heeft opgelopen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 1, 14 en 15 van verordening nr. 261/2004 luiden: „(1) Het optreden van de Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen. […] (14) Evenals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. (15) Er dient te worden geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.”
4 Artikel 5 van verordening nr. 261/2004 bepaalt in de leden 1 en 3: „1. In geval van annulering van een vlucht: […] c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij […] 3. De luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.”
5 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 bepaalt: „Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van: […] b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km; […]”
Duits recht
6 Het Luftsicherheitsgesetz (wet inzake de luchtverkeersveiligheid) van 11 januari 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 78), zoals gewijzigd bij het Gesetz zur Verbesserung der Rahmenbedingungen luftsicherheitsrechtlicher Zuverlässigkeitsüberprüfungen (wet houdende verbetering van de algemene voorwaarden voor betrouwbaarheidscontroles op het gebied van luchtverkeersveiligheid) van 22 april 2020 (BGBl. 2020 I, blz. 840) (hierna: „LuftSiG”) bepaalt in § 2, met als opschrift „Taken”: „De autoriteit voor de luchtverkeersveiligheid heeft tot taak inbreuken op luchtverkeersveiligheid in de zin van § 1 te voorkomen. Daartoe moet zij met name: 1. passagiers en hun bagage controleren overeenkomstig § 5, […]”
7 § 5 van het LuftSiG, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheden van de autoriteiten die belast zijn met de luchtverkeersveiligheid”, bepaalt in lid 1 dat „[d]e autoriteit die belast is met de luchtverkeersveiligheid […] personen die de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone van de luchthaven zijn binnengekomen of wensen binnen te komen [kan] fouilleren of op een andere passende wijze [kan] controleren [en dat] zij voorwerpen die in deze zones zijn of moeten worden binnengebracht, [kan] doorzoeken of op andere passende wijze kan inspecteren”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 NI en HZ beschikten elk over een boeking voor een op 23 juli 2022 door European Air Charter uit te voeren vlucht, met een gepland vertrek te Düsseldorf (Duitsland) om 15.00 uur en een geplande aankomst op dezelfde dag te Varna (Bulgarije) om 17.50 uur (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht”).
9 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht zou worden uitgevoerd door een vliegtuig van European Air Charter dat in het kader van een rotatie werd gebruikt. Volgens de oorspronkelijke planning zou de eerste vlucht van deze rotatie op 23 juli 2022 om 7.40 uur vanaf de luchthaven van Keulen/Bonn (Duitsland) vertrekken en om 10.30 uur in Varna aankomen. De tweede vlucht van de rotatie zou om 11.20 uur vanuit Varna vertrekken en om 14.10 uur in Düsseldorf aankomen. De derde vlucht van de rotatie was de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht.
10 Nadat alle passagiers van de eerste vlucht van de rotatie uitzonderlijk lang hadden moeten wachten bij de veiligheidscontrole op de luchthaven Keulen/Bonn, hetgeen te wijten was aan een overbelasting van het personeel dat de controles op 23 juli 2022 uitvoerde, hebben zij zich evenwel met vertraging voor instappen gemeld. European Air Charter heeft besloten om op de passagiers die zich bij de veiligheidscontrole bevonden te wachten, waarna de eerste vlucht van de rotatie met een vertraging van meer dan vijf uur is vertrokken.
11 Om te voorkomen dat de overige passagiers van de betrokken rotatie buitensporig lang zouden moeten wachten, besloot European Air Charter voorts om de vluchten na de eerste vlucht van de rotatie te reorganiseren en deze vluchten met een ander toestel uit te voeren. De tweede vlucht van de rotatie werd aldus uitgevoerd met een vervangend toestel, dat pas om 14.10 uur vanuit Varna kon vertrekken en om 17.33 uur in Düsseldorf aankwam omdat eerst een landingsvergunning moest worden verkregen op de luchthaven van bestemming. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht is met dit vervangende toestel uitgevoerd en is om 18.39 uur vertrokken. NI en HZ zijn om 21.12 uur op de plaats van bestemming aangekomen, dat wil zeggen met een vertraging van meer dan drie uur ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.
12 NI en HZ hebben bij het Amtsgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) een vordering ingesteld die strekte tot het verkrijgen van een compensatie van European Air Charter wegens de vertraging van hun vlucht ten bedrage van 400 EUR per persoon. Deze vordering werd bij vonnis van 19 februari 2024 afgewezen.
13 NI en HZ hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter.
14 Volgens de verwijzende rechter kan het plotselinge en aanzienlijke tekort aan personeel dat belast is met de veiligheidscontrole in beginsel een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 vormen, aangezien de veiligheidscontrole met betrekking tot de luchtreizigers een taak is die overeenkomstig § 2, lid 1, en § 5 LuftSiG niet aan luchtvaartmaatschappijen is toevertrouwd. Bijgevolg zijn het gebrek aan personeel bij de veiligheidscontrole en de daaropvolgende vertragingen omstandigheden die buiten de risicosfeer van de luchtvaartmaatschappij vallen en waarop die luchtvaartmaatschappij geen invloed heeft.
15 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het plotselinge en aanzienlijke tekort aan personeel dat belast is met de veiligheidscontrole op de luchthaven Keulen/Bonn als buitengewone omstandigheid en de vertraging bij aankomst van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht.
16 Overeenkomstig zijn eigen vaste rechtspraak en de rechtspraak van het Hof ter zake is de verwijzende rechter van oordeel dat zou kunnen worden overwogen dat de vertraging bij aankomst van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht in Varna niet rechtstreeks het gevolg was van de vertragingen bij de veiligheidscontrole op de luchthaven Keulen/Bonn, maar van het autonome besluit van European Air Charter om te wachten op de passagiers die zich bij die controle bevonden en om bijgevolg een vervangend toestel te charteren teneinde de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht uit te voeren.
17 De verwijzende rechter merkt echter op dat dit anders zou kunnen zijn indien de rechtstreekse oorzaak van de annulering van een vlucht of langdurige vertraging ervan bij aankomst moet worden beoordeeld aan de hand van een afweging van de belangen van de verschillende groepen passagiers die bij dezelfde rotatie betrokken zijn. In het geval van een reorganisatie van vluchten waarbij in gelijke mate rekening wordt gehouden met de belangen van de verschillende groepen passagiers van dezelfde rotatie, zou een „eenvoudige” causaliteit kunnen volstaan om het causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid en de annulering van de vlucht of langdurige vertraging ervan bij aankomst vast te stellen.
18 In die omstandigheden heeft het Landgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vloeit de met minstens drie uur vertraagde aankomst van een vlucht ook nog rechtstreeks voort uit een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van [verordening nr. 261/2004], wanneer de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bij een eerdere vlucht op dezelfde dag op grond van aanzienlijke vertragingen bij de veiligheidscontrole heeft besloten om te wachten op nog niet afgehandelde passagiers en de daaruit resulterende vertraging niet meer kan worden ingelopen tot de betreffende vlucht? 2) Indien de beantwoording van de eerste vraag afhankelijk is van de vraag of en hoeveel passagiers zich hebben gemeld om aan boord te gaan van de vertraagde eerdere vlucht: vanaf welk deel van de op de vlucht geboekte en daadwerkelijk verschenen passagiers vloeit de (verdere) vertraging van de eerdere vlucht niet langer rechtstreeks voort uit buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van [verordening nr. 261/2004] maar uit een autonome beslissing van de luchtvaartmaatschappij die uitsluitend binnen haar beslissingssfeer valt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het autonome besluit van een luchtvaartmaatschappij om te wachten op de passagiers van een vlucht die nog niet door de veiligheidscontrole heen zijn vanwege een overbelasting van het personeel dat de controles uitvoert, het causaal verband kan verbreken tussen de buitengewone omstandigheid bestaande in die tekortkoming in de veiligheidscontrole en de vertraging bij aankomst van een latere vlucht, die op dezelfde dag met hetzelfde toestel is gepland.
20 Allereerst moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter uitgaat van de premisse dat de tekortkoming in de veiligheidscontrole op de betrokken luchthaven algemeen was en dus een buitengewone omstandigheid vormde, zodat hij zich enkel afvraagt of er een causaal verband bestaat tussen de buitengewone omstandigheid die de eerste vlucht van de rotatie heeft beïnvloed en de vertraging bij aankomst van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht.
21 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat passagiers van vertraagde vluchten voor de toepassing van het recht op compensatie met passagiers van geannuleerde vluchten kunnen worden gelijkgesteld en aldus aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van verordening nr. 261/2004 bedoelde compensatie, wanneer zij door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken [zie arrest van 13 juni 2024, D. (Ontwerpfout in de motor),C‑411/23, EU:C:2024:498, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22 Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in het licht van de overwegingen 14 en 15 ervan, bevrijdt de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert van deze verplichting tot compensatie indien zij kan aantonen dat de annulering of de langdurige vertraging bij aankomst het gevolg is van „buitengewone omstandigheden” die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden [zie arrest van 13 juni 2024, D. (Ontwerpfout in de motor),C‑411/23, EU:C:2024:498, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
23 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, teneinde vrijgesteld te worden van haar verplichting de passagiers te compenseren in geval van langdurige vertraging of annulering van een vlucht, een beroep moet kunnen doen op een „buitengewone omstandigheid” die gevolgen heeft gehad voor een eerdere vlucht die zijzelf met hetzelfde luchtvaartuig heeft uitgevoerd in het kader van de op twee na laatste rotatie van dit toestel (zie arrest van 22 april 2021, Austrian Airlines, C‑826/19, EU:C:2021:318, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Gelet op niet alleen de in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 vermelde doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen, maar ook de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van deze verordening, veronderstelt een beroep op een dergelijke buitengewone omstandigheid niettemin dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze omstandigheid waardoor een eerdere vlucht is getroffen en de vertraging of de annulering van een latere vlucht (zie arrest van 22 april 2021, Austrian Airlines, C‑826/19, EU:C:2021:318, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Evenwel dient te worden opgemerkt dat noch artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, noch enige andere bepaling van deze verordening de vereisten preciseert die gelden voor het rechtstreekse karakter van het causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid en de vertraging of annulering van een vlucht. In die omstandigheden dient, teneinde een uniforme uitlegging van het Unierecht te verzekeren, naar analogie te worden verwezen naar de criteria inzake het causaal verband die van toepassing zijn op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, die wordt gekenmerkt door een vergelijkbare regeling, aangezien deze regeling het ontstaan van aansprakelijkheid afhankelijk stelt van het bestaan van een causaal verband tussen de aangevoerde gebeurtenis en de gestelde schade.
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat het enkele feit dat een gedraging een noodzakelijke voorwaarde (conditio sine qua non) heeft gevormd voor het ontstaan van schade, in die zin dat deze schade zich zonder die gedraging niet zou hebben voorgedaan, niet volstaat om een voldoende rechtstreeks causaal verband in de zin van de rechtspraak van de Unie vast te stellen (zie arrest van 23 mei 2019, Remag Metallhandel en Jaschinsky/Commissie, T‑631/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:352, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat de voorwaarde betreffende het causaal verband vereist dat dit verband voldoende rechtstreeks is, zodat het verweten gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn (zie in die zin arresten van 13 december 2018, Europese Unie/Gascogne Sack Deutschland en Gascogne, C‑138/17 P en C‑146/17 P, EU:C:2018:1013, punt 22, en 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 32).
28 Bovendien kan het causaal verband met name worden verbroken door een handeling die zich tussen de verweten gedraging en de gestelde schade voordoet wanneer die handeling de doorslaggevende oorzaak van die schade vormt. Een dergelijke handeling kan onder meer bestaan in een besluit, mits dit besluit niet dwingend was voor degene die het heeft genomen [zie in die zin en naar analogie arrest van 18 december 2025, WS e.a./Frontex (Gezamenlijke terugkeeroperatie), C‑679/23 P, EU:C:2025:976, punten 151 en 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Hieruit volgt dat het enkele feit dat een buitengewone omstandigheid gevolgen heeft gehad voor een vlucht die voorafging aan de vlucht in kwestie, niet volstaat om de luchtvaartmaatschappij vrij te stellen van haar verplichting tot compensatie. Deze buitengewone omstandigheid moet ook de doorslaggevende oorzaak van de vertraging van de vlucht in kwestie zijn geweest.
30 Opgemerkt dient te worden dat in het hoofdgeding de luchtvaartmaatschappij na een tekortkoming in de veiligheidscontrole heeft besloten om te wachten op de passagiers van de eerste vlucht die nog niet door de veiligheidscontrole heen waren, terwijl die vlucht op tijd had kunnen vertrekken.
31 Hieruit volgt dat dit besluit van de luchtvaartmaatschappij om te wachten op de passagiers van de eerste vlucht zich tussen het voordoen van de buitengewone omstandigheid en de vertraging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht heeft voorgedaan. Dit besluit kan het rechtstreeks causaal verband tussen die twee gebeurtenissen verbreken indien het de doorslaggevende oorzaak vormt van de vertraging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlucht en voor zover dat besluit niet dwingend was voor de betrokken luchtvaartmaatschappij, met name gelet op een wettelijke verplichting, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
32 Bij een dergelijk onderzoek hoeft geen rekening te worden gehouden met de doelstelling van verordening nr. 261/2004 om een hoog niveau van bescherming van bepaalde passagiers te waarborgen. Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, impliceert deze doelstelling immers niet dat de luchtvaartmaatschappij de belangen van de verschillende groepen passagiers die bij dezelfde rotatie betrokken zijn, tegen elkaar afweegt.
33 Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij de gevallen waarin zij op legitieme gronden mag weigeren een passagier aan boord te laten gaan, aanzienlijk uitbreidt met een beroep op het belang van andere passagiers om binnen een redelijke termijn te worden vervoerd. Zo verliest die passagier noodzakelijkerwijze elke bescherming, wat indruist tegen het doel van verordening nr. 261/2004 (arrest van 4 oktober 2012, Finnair, C‑22/11, EU:C:2012:604, punt 34).
34 Een luchtvaartmaatschappij mag immers de gevallen waarin zij kan worden vrijgesteld van haar verplichting tot compensatie, niet uitbreiden met een beroep op het belang van de rechtstreeks door een buitengewone omstandigheid getroffen passagiers om binnen een redelijke termijn te worden vervoerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou toestaan dat een luchtvaartmaatschappij zich beroept op de afweging van de belangen van de verschillende groepen passagiers die bij een rotatie zijn betrokken teneinde zich jegens een van deze groepen te onttrekken aan haar verplichting tot compensatie, erop neerkomen dat een vrijstellingsgrond wordt toegevoegd aan artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 wat de verplichting tot compensatie betreft.
35 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het autonome besluit van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om te wachten op de passagiers van een vlucht die nog niet door de veiligheidscontrole heen zijn vanwege een tekortkoming in die controle, het rechtstreeks causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid bestaande in die tekortkoming en de vertraging van ten minste drie uur bij aankomst van een latere vlucht, die op dezelfde dag met hetzelfde toestel is gepland, kan verbreken indien dat besluit de doorslaggevende oorzaak van de vertraging vormt.
Tweede vraag
36 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Prejudiciële kamer), verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91
moet aldus worden uitgelegd dat
het autonome besluit van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om te wachten op de passagiers van een vlucht die nog niet door de veiligheidscontrole heen waren vanwege een tekortkoming in die controle, het rechtstreeks causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid bestaande in die tekortkoming en de vertraging van ten minste drie uur bij aankomst van een latere vlucht, die op dezelfde dag met hetzelfde toestel was gepland, kan verbreken indien dat besluit de doorslaggevende oorzaak van de vertraging vormt.
Papasavvas Półtorak Sampol Pucurull Petrlík Valasidis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 maart 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.