Gerecht EU 22 oktober 2025, T-614/24, ECLI:EU:T:2025:977

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (prejudiciële kamer)

22 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de belastingwetgeving – Richtlijn 92/83/EEG – Harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken – Accijnzen – Ethylalcohol – Vrijstellingen – Artikel 27, lid 1, onder e) – Productie van aroma’s van ethylalcohol voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol – Bevoegdheid van de lidstaten om deze vrijstellingen aan voorwaarden te onderwerpen”

In zaak T‑614/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 6 november 2024, ingekomen bij het Hof op 13 november 2024, in de procedure

AROCO, spol. s r. o.

tegen

Generální ředitelství cel,

wijst

HET GERECHT (prejudiciële kamer),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu (rapporteur) en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 29 november 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– AROCO, spol. s r. o., vertegenwoordigd door M. Vojáček, advocaat,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en J. Hradil als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB 1992, L 316, blz. 21).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AROCO, spol. s r. o. en de Generální ředitelství cel (directoraat-generaal Douane, Tsjechië) in verband met de weigering van laatstgenoemde om ethylalcohol in de samenstelling van door die onderneming verkochte aroma’s vrij te stellen van accijnzen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 92/83

3 Artikel 19, lid 1, van richtlijn 92/83 luidt: „De lidstaten heffen accijns op ethylalcohol overeenkomstig deze richtlijn.”

4 Artikel 20, eerste streepje, van die richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt onder ,ethylalcohol’ verstaan: – alle producten van de GN‑codes 2207 en 2208 met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % vol, ook wanneer deze producten bestanddeel zijn van een product uit een ander hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur [opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/1754 van de Commissie van 6 oktober 2015 (PB 2015, L 285, blz. 1) (hierna: ‚GN’)]”.

5 Artikel 27, lid 1, van die richtlijn luidt: „De lidstaten verlenen voor de onder deze richtlijn vallende producten vrijstelling van de geharmoniseerde accijns op de voorwaarden die zij vaststellen voor de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen en ter voorkoming van fraude, ontwijking of misbruik: [...] e) wanneer zij gebruikt worden voor de productie van aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol; [...]”

Richtlijn 92/12

6 Artikel 24 van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB 1992, L 76, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad van 14 april 2003 (PB 2003, L 122, blz. 36), bepaalde: „1. De [Europese] Commissie wordt bijgestaan door het ‚accijnscomité’. [...] 4. Naast de in lid 2 genoemde maatregelen bestudeert het comité de kwesties die door de voorzitter worden voorgelegd op diens eigen initiatief of op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, en die betrekking hebben op de toepassing van de communautaire bepalingen inzake accijnzen. [...]”

GN

7 Hoofdstuk 22 van de GN bevat de posten 2207 en 2208, die luiden als volgt: GN‑code Omschrijving [...] [...] 2207 Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % vol of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte [...] [...] 2208 Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten [...] [...]

8 GN‑hoofdstuk 33 bevat de volgende posten: GN‑code Omschrijving [...] [...] 3302 Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van één of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken 3302 10 – van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen‑ en drankenindustrie – – van de soort gebruikt in de drankenindustrie – – – bereidingen die alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevatten [...] [...]

Richtsnoeren vastgesteld tijdens de vergadering van 12, 13 en 14 november 2003

9 Volgens punt 1 van het document van het Accijnscomité met het opschrift „Richtsnoeren vastgesteld tijdens de vergadering van 12, 13 en 14 november 2003” (CED nr. 458 van 19 november 2003) „[stellen] [d]e delegaties [...] zich vrijwel unaniem op het standpunt dat aroma’s die onder de op het tijdstip van vaststelling van deze richtsnoeren geldige versie van de GN‑codes 1302 1930, 2106 9020 en 3302 vallen, vanaf het tijdstip van vervaardiging of invoer ervan in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn [92/83]”.

Tsjechisch recht

10 § 3, onder i), van de zákon č. 353/2003 Sb., o spotřebních daních (wet nr. 353/2003 betreffende de accijns), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: [...] i) gebruiker van bepaalde van accijns vrijgestelde producten [...], een natuurlijke of rechtspersoon die bepaalde van accijns vrijgestelde producten ontvangt en gebruikt [...]; de gebruikers hebben de hoedanigheid van belastingplichtige zonder verplichting om zich te registreren”.

11 § 71, lid 1, onder c), van deze wet bepaalt: „Is eveneens vrijgesteld van accijns, ethylalcohol [...] c) in stoffen die bestemd zijn voor het aromatiseren van 1. dranken met een ethylalcoholgehalte van niet meer dan 1,2 % vol, of 2. andere levensmiddelen, met uitzondering van de producten van [GN‑]codes 2207 en 2208”.

12 § 72, lid 1, van die wet luidt: „De gebruiker moet bij de belastingplichtige schriftelijk vrijstelling aanvragen van de accijns op ethylalcohol als bedoeld in § 71, lid 1, onder a), c), d), f) of i), ten laatste voordat de belastingplichtige een document inzake het in het vrije verkeer brengen van ethylalcohol opstelt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 AROCO is een handelsvennootschap naar Tsjechisch recht die aromatische stoffen, kleurstoffen voor levensmiddelen en additieven voor snoepgoed op basis van ethylalcohol produceert. Zij verkoopt met name aroma’s die onder de GN‑code 330210 vallen en ethylalcohol bevatten (hierna: „betrokken aroma’s”). Deze aroma’s zijn bestemd om levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken te aromatiseren en worden vaak in kleine flesjes gebruikt.

14 Na een belastingcontrole heeft de belastingdienst verzoekster in het hoofdgeding bij naheffingsaanslagen van 25 mei 2021 voor het belastingtijdvak van januari 2016 tot en met juni 2017 accijns op ethylalcohol in de samenstelling van de betrokken aroma’s opgelegd voor een totaalbedrag van 736155 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 29988 EUR), tezamen met een dwangsom van 147231 CZK (ongeveer 5997 EUR).

15 De belastingdienst heeft geweigerd om verzoekster in het hoofdgeding de door haar ingeroepen vrijstelling van accijns te verlenen voor ethylalcohol in de samenstelling van de betrokken aroma’s, op grond dat deze aroma’s niet alleen waren verkocht aan gebruikers in de zin van § 3, onder i), van wet nr. 353/2003 betreffende de accijns, te weten personen die deze producten hadden ontvangen en hadden gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, maar ook aan personen die niet de hoedanigheid van gebruiker hadden, met name detailhandelsketens die deze aroma’s vervolgens aan gebruikers hadden doorverkocht.

16 Verzoekster in het hoofdgeding heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van de belastingdienst, die dit bezwaar heeft afgewezen.

17 Bij vonnis van 13 april 2023 heeft de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) het door verzoekster in het hoofdgeding tegen dat afwijzende besluit ingestelde beroep afgewezen. Deze rechter heeft in essentie geoordeeld dat de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s uitsluitend kon worden verleend indien deze aroma’s worden verkocht aan gebruikers in de zin van § 3, onder i), van wet nr. 353/2003 betreffende de accijns, hetgeen impliceerde dat de kopers van deze aroma’s deze niet doorverkopen, maar dat zij deze daadwerkelijk gebruiken voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol. Voorts was hij van oordeel dat deze beperking van de accijnsvrijstelling verenigbaar is met het doel van richtlijn 92/83, aangezien zij ertoe strekte alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

18 Verzoekster in het hoofdgeding heeft cassatieberoep ingesteld bij de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), de verwijzende rechter.

19 In de eerste plaats betwijfelt deze rechter dat de Tsjechische wetgeving in overeenstemming is met het Unierecht. Hij merkt op dat artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 in Tsjechisch recht is omgezet overeenkomstig de Tsjechische taalversie van deze bepaling, waarin de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s uitsluitend afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat het gaat om het eindgebruik van deze aroma’s voor de bereiding of vervaardiging van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol. In andere taalversies van deze bepaling wordt echter enkel vereist dat de betrokken aroma’s bestemd zijn voor de bereiding of vervaardiging van deze levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken om vrijstelling te verkrijgen voor de daarin vervatte ethylalcohol.

20 De verwijzende rechter zet uiteen dat het Hof in het arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages (C‑332/21, EU:C:2022:1031), heeft geoordeeld dat de bepalende factor voor de vrijstelling van accijns het eindgebruik van de ethylalcohol is, en dat dit eindgebruik in die zaak ten eerste bestond in de productie van aroma’s die zelf ethylalcohol bevatten, en ten tweede in de productie van niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol. Anders dan in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, is in de procedure in het hoofdgeding echter niet aangetoond dat de betrokken aroma’s daadwerkelijk zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol. Derhalve rijst de vraag of het eindgebruik van aroma’s die ethylalcohol bevatten voor de bereiding van deze levensmiddelen en dranken, een voorwaarde kan zijn voor de accijnsvrijstelling in de zin van artikel 27, lid 1, van richtlijn 92/83.

21 Voor het geval dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in de tweede plaats te vernemen of de in de Tsjechische wettelijke regeling vastgestelde vrijstellingsvoorwaarden – voor zover zij enkel voorzien in de accijnsvrijstelling voor personen met de hoedanigheid van eerste koper van de aroma’s op het tijdstip waarop deze aan de schorsingsregeling worden onttrokken en ten aanzien van wie is aangetoond dat zij de aroma’s zelf hebben gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, overeenkomstig artikel 27, lid 1, van richtlijn 92/83 – zijn gerechtvaardigd door specifieke, objectieve en controleerbare aanwijzingen dat er een ernstig risico van fraude, ontwijking of misbruik bestaat, en of deze voorwaarden niet verder gaan dan noodzakelijk is voor het bereiken van dat doel, namelijk de juiste en eenvoudige toepassing van de in deze bepaling bedoelde vrijstellingen en de voorkoming van fraude, ontwijking of misbruik. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat aroma’s naar hun aard zeer gemakkelijk kunnen worden misbruikt wanneer ze met name met alcoholhoudende dranken worden vermengd. Daarnaast is hij van mening dat het begrip „misbruik” ruim kan worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de context van de Tsjechische samenleving en haar houding ten aanzien van alcoholgebruik. Een rechtsinstrument waarmee artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 wordt omgezet, is niet alleen bestemd om te beletten dat misbruik wordt gemaakt van de belastingregeling door aroma’s te gebruiken voor het aromatiseren van gedistilleerde dranken, maar ook om de illegale productie van gedistilleerde dranken te voorkomen.

22 In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het verenigbaar met de verplichting van de lidstaten tot het verlenen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn [92/83] (ethylalcoholhoudende aroma’s van GN‑code 330210) dat deze vrijstelling ervan afhankelijk is gesteld dat deze aroma’s aantoonbaar zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, en niet louter afhangt van de omstandigheid dat zij daarvoor bestemd zijn? 2) Mag een lidstaat krachtens artikel 27, lid 1, van richtlijn 92/83 voorwaarden voor de toepassing van de accijnsvrijstelling vaststellen om de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en om fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen, indien die voorwaarden impliceren dat de vrijstelling alleen in het kader van de onttrekking van de aroma’s aan de accijnsschorsingsregeling kan worden aangevraagd door de eerste persoon die deze heeft verworven en deze persoon de aroma’s aantoonbaar zelf heeft gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s die onder GN‑code 330210 vallen, ervan afhankelijk stelt dat de aroma’s aantoonbaar zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, en niet van de omstandigheid dat deze aroma’s daartoe bestemd zijn.

24 Richtlijn 92/83, die de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken harmoniseert, bepaalt in artikel 27, lid 1, onder e), dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor de onder deze richtlijn vallende producten onder de voorwaarden die zij vaststellen om de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen wanneer die producten worden gebruikt voor de productie van aroma’s bestemd voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol.

25 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat alle onder de GN‑posten 2207 en 2208 in te delen producten die een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % vol hebben, onder het begrip „ethylalcohol” in de zin van artikel 20, eerste streepje, van richtlijn 92/83 vallen, zelfs indien zij deel zouden uitmaken van een aroma dat onder GN‑code 330210 valt. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, van die richtlijn moet dit product dus in beginsel worden onderworpen aan de geharmoniseerde accijns waarin die richtlijn voorziet, onder voorbehoud echter van de vrijstellingen als bedoeld in artikel 27, lid 1, ervan (arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 40).

26 In dit verband moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze niet ondubbelzinnig zijn, aangezien de uitdrukking „aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol” aldus kan worden uitgelegd dat de ethylalcohol in de aroma’s slechts kan worden vrijgesteld indien die aroma’s zijn geproduceerd met het oog op de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, maar ook aldus kan worden uitgelegd dat zij daadwerkelijk zijn gebruikt voor een dergelijke bereiding (zie in die zin arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 41).

28 Wat in de tweede plaats de context van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat zij deel uitmaakt van een reeks verplichte vrijstellingen die gelden voor alcohol en bepaalde alcoholhoudende dranken die behoren tot bepaalde bijzondere categorieën die voor bepaalde specifieke toepassingen worden gebruikt.

29 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het eindgebruik van ethylalcohol bepalend is voor de in die bepaling bedoelde vrijstelling (zie arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu geeft de verwijzende rechter in essentie aan dat het daadwerkelijke eindgebruik van de betrokken aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol niet is aangetoond, aangezien verzoekster in het hoofdgeding deze aroma’s niet alleen heeft verkocht aan gebruikers die deze aroma’s zelf voor een dergelijke vervaardiging gebruiken, maar ook aan afnemers die ze vervolgens aan dergelijke gebruikers doorverkopen.

31 In deze context moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de vrijstelling van de in artikel 27, lid 1, van richtlijn 92/83 bedoelde producten de regel is, en de weigering van die vrijstelling de uitzondering, en dat de door deze bepaling aan de lidstaten verleende bevoegdheid om voorwaarden vast te stellen „voor de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen en ter voorkoming van fraude, ontwijking of misbruik” niet kan afdoen aan het onvoorwaardelijke karakter van de in deze bepaling bedoelde vrijstellingsverplichting (zie arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In de derde plaats hebben de vrijstellingen waarin richtlijn 92/83 voorziet met name tot doel de weerslag van de accijns op alcohol als tussenproduct in de samenstelling van andere commerciële of industriële producten te neutraliseren (zie arrest van 22 december 2022, Quadrant Amroq Beverages, C‑332/21, EU:C:2022:1031, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Punt 1 van het document van het Accijnscomité, met als opschrift „Richtsnoeren vastgesteld tijdens de vergadering van 12, 13 en 14 november 2003”, geeft overigens aan dat de delegaties van de lidstaten zich bijna unaniem op het standpunt stellen dat de vrijstelling van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 van toepassing is vanaf het tijdstip van de vervaardiging of de invoer van aroma’s die met name onder GN‑code 3302 vallen.

34 De uitlegging volgens welke de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s afhankelijk wordt gesteld van een daadwerkelijk eindgebruik van deze aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, kan afbreuk doen aan de doelstelling om de weerslag van de accijns op ethylalcohol als tussenproduct in de samenstelling van andere commerciële of industriële producten te neutraliseren. Aangezien de aroma’s die bestemd zijn voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol verkocht worden aan personen die ze vervolgens doorverkopen aan degenen die ze gebruiken voor dergelijke bereidingen, zou de ethylalcohol namelijk aan accijns worden onderworpen, terwijl die aroma’s daadwerkelijk voor een dergelijke bereiding worden gebruikt.

35 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s die onder GN‑code 330210 vallen, ervan afhankelijk stelt dat de aroma’s aantoonbaar zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, en niet van de omstandigheid dat deze aroma’s daartoe bestemd zijn.

Tweede vraag

36 De tweede vraag, gelezen in het licht van de motivering van de verwijzingsbeslissing, moet aldus worden opgevat dat zij enkel is gesteld voor het geval dat artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83 aldus zou zijn uitgelegd dat de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s van GN‑code 330210 ervan afhankelijk mag worden gesteld dat de aroma’s aantoonbaar zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen of niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol.

37 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft deze tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (prejudiciële kamer), rechtdoende, verklaart:

Artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de vrijstelling van accijns op ethylalcohol in de samenstelling van aroma’s die vallen onder code 330210 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/1754 van de Commissie van 6 oktober 2015, ervan afhankelijk stelt dat de aroma’s aantoonbaar zijn gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen en niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2 % vol, en niet van de omstandigheid dat deze aroma’s daartoe bestemd zijn.

Papasavvas Pynnä Laitenberger Stancu Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 oktober 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken