Gerecht EU 9 juli 2025, T-534/24, ECLI:EU:T:2025:682

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (prejudiciële kamer)

9 juli 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Accijns – Richtlijn 2008/118/EG – Artikel 7 – Verschuldigdheid van de accijns – Uitslag tot verbruik – Energieproducten – Verschuldigd worden van accijns – Fictieve levering van producten die onderworpen zijn aan accijns die op valse facturen voorkomen”

In zaak T‑534/24, [Gotek] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upravni sud u Osijeku (bestuursrechter in eerste aanleg Osijek, Kroatië) bij beslissing van 30 september 2024, ingekomen bij het Hof op 8 oktober 2024, in de procedure

MK

tegen

Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak,

wijst

HET GERECHT (prejudiciële kamer),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, N. Półtorak (rapporteur), M. Sampol Pucurull, G. Steinfatt en D. Petrlík, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 17 oktober 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en A. Koričić als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 7 en 8 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MK, een natuurlijke persoon, en het Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak (ministerie van Financiën van de Republiek Kroatië, dienst belast met de administratieve procedure op het tweede niveau) over de inning van de door MK verschuldigde accijns.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Richtlijn 2008/118 is met ingang van 13 februari 2023 ingetrokken bij richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB 2020, L 58, blz. 4), die daarvoor in de plaats is gekomen. Gelet op de datum van de feiten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet dit verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel worden onderzocht in het licht van de bepalingen van richtlijn 2008/118.

4 De overweging 8 van richtlijn 2008/118 luidde: „Aangezien het voor de goede werking van de interne markt noodzakelijk blijft dat het concept ‚accijns’ en de omstandigheden waarin deze verschuldigd wordt, in alle lidstaten dezelfde zijn, moet op communautair niveau worden verduidelijkt wanneer accijnsgoederen tot verbruik worden uitgeslagen en wie de tot voldoening van de accijns gehouden persoon is.”

5 Artikel 7 van richtlijn 2008/118 bepaalde: „1. De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik. 2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan: a) het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen; b) het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving; c) de productie, met inbegrip van onregelmatige productie, van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling; d) de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst. [...]”

6 Artikel 8 van richtlijn 2008/118 bepaalde: „1. De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is: a) met betrekking tot het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a): i) de erkend entrepothouder, de geregistreerde geadresseerde of enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken en, in geval van onregelmatige onttrekking aan het belastingentrepot, enig andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest; ii) in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 10, leden 1, 2 en 4: de erkende entrepothouder, de geregistreerde afzender of enig andere persoon die de in artikel 18, leden 1 en 2, bedoelde zekerheid heeft gesteld en alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde; b) met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder b): de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is; c) met betrekking tot de productie van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder c): de persoon die de accijnsgoederen produceert of, in geval van onregelmatige productie, enig andere persoon die bij de productie ervan betrokken is geweest; d) met betrekking tot de invoer van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder d): de persoon die de accijnsgoederen bij invoer aangeeft of voor wiens rekening de goederen bij invoer worden aangegeven of, in geval van onregelmatige invoer, enig andere persoon die bij de invoer betrokken is geweest. 2. Indien er voor eenzelfde accijnsschuld verscheidene schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.”

Kroatisch recht

7 Artikel 7 van de Zakon o trošarinama (accijnswet) van 21 november 2018 (Narodne novine, br. 106/18), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, met als opschrift „Berekening van de accijns”, bepaalt in lid 1: „(1) Tenzij deze wet anders bepaalt, wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip waarop de accijnsgoederen op het grondgebied van de Republiek Kroatië tot verbruik worden uitgeslagen. [...]”

8 Artikel 12 van de accijnswet, met als opschrift „Berekening en betaling van accijns in geval van onrechtmatige gedraging”, luidt als volgt: „(1) De accijns wordt eveneens verschuldigd wanneer wordt vastgesteld dat: 1. er sprake is van een onrechtmatige gedraging met de belastbare goederen; 2. de accijnsgoederen onrechtmatig tot verbruik zijn uitgeslagen op het grondgebied van de Republiek Kroatië [...] [...] (2) In de zin van deze wet wordt onder de onrechtmatige gedraging verstaan: het produceren, verwerken, voorhanden hebben, ontvangen, verzenden, invoeren, binnenbrengen, vervoeren, gebruiken, verkopen, inkopen of bezitten van de belastbare goederen waarover geen accijns krachtens deze wet is berekend en voldaan, dan wel waarover de accijns niet volledig is berekend en voldaan, alsmede enige andere vorm van rechtsmisbruik bij het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen. Onder onrechtmatige gedraging wordt tevens verstaan elke gedraging die in deze wet expliciet als onrechtmatig wordt genoemd. Er wordt aangenomen dat iemand onrechtmatig handelt met belastbare goederen wanneer hij niet kan aantonen dat hij deze goederen rechtmatig heeft verkregen of bezit, ofwel dat hij deze goederen feitelijk of juridisch gezien rechtmatig voorhanden heeft, terwijl uit de omstandigheden van het geval blijkt dat er met deze goederen onrechtmatig is gehandeld. (3) De verplichting tot berekening en voldoening van de accijns krachtens dit artikel wordt bij beschikking opgelegd. [...]”

9 Artikel 124 van de accijnswet bepaalt: „(1) Onder rechtsmisbruik bij het overbrengen of voorhanden hebben van belastbare goederen wordt verstaan: elke gedraging van personen die op enige wijze, direct of indirect, betrokken zijn geweest bij het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen met als doel: 1. de werkelijke intentie of het werkelijk doel van, ofwel de reden voor, het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen te verbergen, 2. de voldoening van de accijns of andere overheidsheffingen te ontwijken, daaronder begrepen het faciliteren van de ontwijking van de voldoening van de accijns of andere overheidsheffingen. (2) Er is sprake van rechtsmisbruik bij het overbrengen of voorhanden hebben van belastbare goederen wanneer de personen die op enige wijze, direct of indirect, betrokken zijn bij het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen: 1. fictieve of kunstmatige rechtshandelingen verrichten in verband met het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen, dan wel in enige hoedanigheid bij dergelijke rechtshandelingen betrokken zijn; 2. fictieve leveringen, ontvangsten of overbrengingen, of het fictief voorhanden hebben, van de belastbare goederen faciliteren, dan wel direct of indirect bij dergelijke handelingen betrokken zijn; 3. misbruik maken van het Excise Movement and Control System door het fictief overbrengen of voorhanden hebben aan te geven; 4. direct of indirect betrokken zijn bij het vervalsen van handels-, vervoers- of andere documenten in verband met het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen, ofwel bij het gebruik van dergelijke vervalste documenten; 5. onbevoegd of ongeoorloofd gebruikmaken van de gegevens van andere natuurlijke of rechtspersonen om handelingen te verrichten die verband houden met de belastbare goederen, het omgaan daarmee of het overbrengen ofwel voorhanden hebben daarvan, dan wel om dit te faciliteren; 6. met misbruik van vertrouwen – door middel van fraude, onwaarheden of misleidende activiteiten – handelingen verrichten die verband houden met de belastbare goederen, het omgaan daarmee of het overbrengen ofwel voorhanden hebben daarvan, dan wel dit faciliteren. (3) Onder het voorhanden hebben van de belastbare goederen wordt elke feitelijke of juridische vorm van het voorhanden hebben daarvan verstaan, met inbegrip van het uitsluitend verrichten van financiële transacties of handelingen die bestaan in het afgeven, bevestigen of waarmerken van boekhoudkundige of financiële documenten, het aangaan van overeenkomsten, het deelnemen aan contractuele relaties, ofwel het als koper, verkoper, tussenpersoon, vervoerder, geadresseerde of afzender afgeven, bevestigen of waarmerken van vervoers- of andere documenten die verband houden met de belastbare goederen.”

10 Artikel 125 van de accijnswet bepaalt: „(1) Indien de verplichting tot berekening en voldoening van de accijns is ontstaan als gevolg van rechtsmisbruik bij het overbrengen of voorhanden hebben van de belastbare goederen, en in verband daarmee is vastgesteld dat er sprake is van een fictieve of kunstmatige rechtshandeling, van een fictieve levering, ontvangst of overbrenging, of van fictief voorhanden hebben van de belastbare goederen, dan vormt deze fictieve of kunstmatige rechtshandeling, ofwel deze fictieve levering, ontvangst of overbrenging, of dit fictief voorhanden hebben van de belastbare goederen, de grondslag voor de vaststelling van de accijnsverplichting. Eenieder die direct of indirect betrokken is bij het rechtsmisbruik door het verrichten of uitvoeren van een fictieve of kunstmatige rechtshandeling, ofwel van een fictieve levering, ontvangst of overbrenging, of het fictief voorhanden hebben van de belastbare goederen, is hoofdelijk gehouden tot voldoening van de ontstane accijnsschuld. (2) Eenieder ten aanzien van wie uit objectieve omstandigheden blijkt dat hij wist of had moeten weten dat hij door zijn handelen of door het nalaten van verplichte handelingen betrokken is bij rechtsmisbruik bij het overbrengen of voorhanden hebben van belastbare goederen, is hoofdelijk gehouden tot voldoening van de ontstane accijnsschuld. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 MK is eigenaar van een ambachtsbedrijf naar Kroatisch recht dat zich bezighoudt met zaagwerk en aanverwante diensten in de bosbouwsector.

12 Op 1 juli 2019 heeft de Porezna uprava, Područni Ured Virovitica (belastingdienst, belastingkantoor Virovitica, Kroatië) na een belastingcontrole bij de onderneming MK een naheffingsaanslag in de belasting over de toegevoegde waarde (btw) opgelegd ten bedrage van 135603,57 Kroatische kuna (HRK) (ongeveer 18000 EUR), vermeerderd met ermee verband houdende vertragingsrente. De belastingdienst heeft namelijk vastgesteld dat MK voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2017 btw had afgetrokken op basis van facturen voor leveringen van aardolieproducten. Daarbij is gebleken dat het valse documenten waren. In het bijzonder is vastgesteld dat er in werkelijkheid geen aardolieproducten waren geleverd. Bijgevolg is MK het recht op btw-aftrek ontzegd.

13 Daarnaast hebben de ambtenaren van de douaneadministratie in de administratieve procedure die aan het hoofdgeding is voorafgegaan, gecontroleerd of de door MK verschuldigde accijns was betaald overeenkomstig met name de bepalingen van de accijnswet. Aldus is vastgesteld dat gedurende de gecontroleerde periode 36 in 2016 uitgereikte facturen en 119 in 2017 uitgereikte facturen in verband met de aankoop van Eurodiesel, die MK heeft overgelegd, valse facturen waren en dat de betrokken leveringen niet hadden plaatsgevonden. In deze context hebben de douaneautoriteiten zich op het standpunt gesteld dat MK in de zin van artikel 124, lid 2, van de accijnswet misbruik van recht had gemaakt bij de overbrenging van accijnsgoederen, te weten 63435,23 liter aan aardolieproducten. Bijgevolg heeft de douaneadministratie bij aanslag van 22 oktober 2019 de door MK verschuldigde accijns op energieproducten voor de periode van 10 oktober 2016 tot en met 31 december 2017 vastgesteld op 226837,09 HRK (ongeveer 30125 EUR).

14 Bij administratief besluit van 31 maart 2022 heeft het ministerie van Financiën van de Republiek Kroatië, dienst die belast is met de administratieve procedure in tweede aanleg, het bezwaar van MK tegen de belastingaanslag van 22 oktober 2019 afgewezen. MK heeft vervolgens tegen dit besluit tot afwijzing van haar bezwaar beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Upravni sud u Osijeku (bestuursrechter in eerste aanleg Osijek, Kroatië).

15 De verwijzende rechter wijst er om te beginnen op dat MK bij vonnis van de Općinski sud u Virovitici (rechter in eerste aanleg Virovitica, Kroatië) van 19 maart 2019 wegens valsheid in geschrifte en belasting- of douanefraude strafrechtelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, en burgerrechtelijk is veroordeeld tot betaling van een bedrag dat overeenkomt met haar belastingschuld.

16 De verwijzende rechter wijst er tevens op dat de douaneadministratie MK op 21 april 2021, los van de accijnsheffing, op grond van de bepalingen van de accijnswet en wegens de begane administratieve overtreding, te weten rechtsmisbruik bij de overbrenging van accijnsgoederen, een geldboete van 45000 HRK (ongeveer 6000 EUR) heeft opgelegd.

17 De verwijzende rechter preciseert vervolgens dat de bepalingen van de accijnswet, zoals uitgelegd door de administratieve en gerechtelijke praktijk, het mogelijk maken dat de accijns wordt vastgesteld op energieproducten, los van de algemene regels inzake het ontstaan van accijns, en met name het bestaan van bewegingen van accijnsgoederen.

18 Na te hebben opgemerkt dat MK aangeeft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde petroleumproducten nooit hebben bestaan, herinnert de verwijzende rechter eraan dat de accijns een belasting op het verbruik van een specifiek goed vormt. Hij heeft er dus twijfels over of een nationale wettelijke regeling, zoals uitgelegd door de nationale instanties, waarbij accijns wordt vastgesteld in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin ongetwijfeld geen sprake is van overbrenging van accijnsgoederen en waarin valse facturen zijn opgesteld met het oog om op onrechtmatige wijze voorbelasting af te trekken, in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie.

19 In deze omstandigheden heeft de Upravni sud u Osijeku de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten de bepalingen van [richtlijn 2008/118], in het bijzonder de artikelen 7 en 8, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk (en wetgeving) op grond waarvan een verplichting tot voldoening van accijns op energieproducten ontstaat in een situatie waarin de accijnsgoederen in kwestie niet in de handel zijn gebracht en de accijnsschuld is berekend over de energieproducten die op vervalste aankoopfacturen zijn vermeld, terwijl op basis van deze facturen – juist omdat zij vervalst zijn – geen recht op aftrek van de voorbelasting bestaat aangezien er sprake is van fictieve leveringen van energieproducten, hetgeen ook bij onherroepelijke uitspraak in een strafprocedure is vastgesteld?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

20 Vooraf moet worden vastgesteld dat de vraag van de verwijzende rechter, zoals zij is geformuleerd, betrekking heeft op de uitlegging van zowel artikel 7 van richtlijn 2008/118 als artikel 8 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de vaststelling van de „tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon”. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter niet dat de verwijzende rechter het Gerecht de vraag wil voorleggen wie de tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is. Om een nuttig antwoord op de aan het Gerecht gestelde vraag te geven, hoeft dus alleen artikel 7 van richtlijn 2008/118 te worden uitgelegd.

21 Derhalve moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn enige vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 7 van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals uitgelegd door de nationale autoriteiten, die bepaalt dat accijns verschuldigd is op grond van een fictieve levering van accijnsgoederen die op valse facturen vermeld zijn.

22 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalt dat „[d]e accijns [...] verschuldigd [wordt] op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik”. Artikel 7, lid 2, van deze richtlijn definieert „uitslag tot verbruik” aan de hand van vier hypothesen.

23 Bovendien blijkt uit overweging 8 van richtlijn 2008/118 dat het voor de goede werking van de interne markt noodzakelijk is dat het concept „accijns” en de omstandigheden waarin deze verschuldigd wordt, in alle lidstaten dezelfde zijn.

24 Artikel 7 van richtlijn 2008/118 legt op Unieniveau vast op welk tijdstip de accijnsgoederen worden uitgeslagen tot verbruik. Zoals het Hof heeft geoordeeld, kan met deze harmonisatie in beginsel dubbele belasting in de betrekkingen tussen lidstaten worden vermeden (zie in die zin arrest van 18 april 2024, Girelli Alcool,C‑509/22, EU:C:2024:341, punt 41; zie naar analogie ook arrest van 24 februari 2021, Silcompa,C‑95/19, EU:C:2021:128, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Bovendien moet het begrip „uitslag tot verbruik”, dat bepalend is voor het tijdstip waarop de accijns verschuldigd wordt, in alle lidstaten uniform worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 8 februari 2018, Commissie/Griekenland,C‑590/16, EU:C:2018:77, punt 45).

26 Zoals de verwijzende rechter preciseert, heeft het hoofdgeding betrekking op een fictieve levering van accijnsgoederen die op valse facturen zijn vermeld. Op basis van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens moet worden vastgesteld dat in het hoofdgeding de accijns niet is geheven wegens onttrekking van goederen aan een accijnsschorsingsregeling, het voorhanden hebben ervan buiten een dergelijke regeling, productie buiten een dergelijke regeling, of invoer, zijnde de hypothesen van uitslag tot verbruik die zijn neergelegd in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2008/118 en die worden genoemd in punt 22 hierboven. Evenmin is die accijns geheven wegens onregelmatig onttrekken, of onregelmatige productie of invoer van accijnsgoederen, die vallen onder de hypothesen van uitslag tot verbruik van artikel 7, lid 2, van richtlijn 2008/118.

27 Zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, wordt de accijns in het hoofdgeding namelijk geheven wegens rechtsmisbruik in de zin van artikel 124 van de accijnswet, te weten in casu het feit dat in de boekhouding economische activiteiten zijn opgenomen op basis van valse facturen, terwijl de aan accijns onderworpen energieproducten niet in het verkeer zijn gebracht en evenmin zijn geleverd.

28 In dit verband zij eraan herinnerd dat – zoals in punt 22 hierboven is opgemerkt – artikel 7, lid 2, van richtlijn 2008/118 de hypothesen van „uitslag tot verbruik” van een accijnsproduct noemt. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat deze hypothesen een uitputtende opsomming vormen. Buiten deze hypothesen kan dus niet worden vastgesteld dat een dergelijk product tot verbruik is uitgeslagen. Deze uitlegging vloeit ook voort uit de in de punten 24 en 25 hierboven genoemde noodzaak om het begrip „uitslag tot verbruik” in alle lidstaten uniform uit te leggen.

29 Vastgesteld zij dat de in punt 27 hierboven bedoelde hypothese niet overeenstemt met een van de in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2008/118 bedoelde gevallen en niet kan worden aangemerkt als uitslag tot verbruik in de zin van deze bepaling.

30 Voorts wijst de verwijzende rechter erop dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling met name is gerechtvaardigd met het oog de bescherming van de fiscale belangen van de Republiek Kroatië, teneinde misbruik van bepaalde accijnsregelingen en het plegen van ernstige belastingfraude te voorkomen.

31 Wat dat betreft dient te worden opgemerkt dat de lidstaten er een rechtmatig belang bij hebben om passende maatregelen te nemen om hun financiële belangen te beschermen en dat de bestrijding van eventuele fraude, belastingontduiking en misbruik een doel is dat wordt nagestreefd door richtlijn 2008/118 (zie in die zin arrest van 29 juni 2017, Commissie/Portugal,C‑126/15, EU:C:2017:504, punt 59).

32 Dit neemt echter niet weg dat de regelgevende bevoegdheid van de lidstaten om maatregelen als bedoeld in punt 31 hierboven vast te stellen niet kan worden uitgeoefend in strijd met de bepalingen van richtlijn 2008/118, en in het bijzonder met artikel 7, leden 1 en 2, ervan, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de door de Uniewetgever nagestreefde harmonisatiedoelstelling die met name in overweging 8 van die richtlijn is uiteengezet (arrest van 21 december 2023, CDIL,C‑96/22, EU:C:2023:1025, punt 68).

33 In dit verband stelt de Kroatische regering dat de artikelen 124 en 125 van de accijnswet tot doel hebben het gebruik van illegaal verkregen energieproducten te voorkomen. Wat dit argument betreft, volstaat het te benadrukken dat, zoals blijkt uit de punten 26 en 27 hierboven, de belasting die aan de orde is in de door de verwijzende rechter gestelde vraag geen betrekking had op illegaal verkregen energieproducten.

34 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7 van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals uitgelegd door de nationale autoriteiten, die bepaalt dat accijns verschuldigd is op grond van een fictieve levering van accijnsgoederen die op valse facturen vermeld zijn.

Kosten

35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (prejudiciële kamer), rechtdoende, verklaart:

Artikel 7 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals uitgelegd door de nationale autoriteiten, die bepaalt dat accijns verschuldigd is op grond van een fictieve levering van accijnsgoederen die op valse facturen vermeld zijn.

Papasavvas Półtorak Sampol Pucurull Steinfatt Petrlík Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Kroatisch.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken