Gerecht EU 2 juli 2025, T-131/24, ECLI:EU:T:2025:649
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
2 juli 2025 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Ouderdomspensioen – Hervormingen van het Statuut van 2004 en 2014 – Overgangsmaatregelen met betrekking tot bepaalde regels voor de berekening van de pensioenrechten – Artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut – Arbeidscontractanten die ambtenaar zijn geworden – Jaarlijks pensioenopbouwpercentage – Pensioenleeftijd – Werkingssfeer van de wet – Gelijke behandeling”
In zaak T‑131/24,
CR, vertegenwoordigd door S. Orlandi, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Baeckelmans, M. Brauhoff en G. Niddam als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Bukšek Tomac en M. Mão Cheia Carreira als gemachtigden,
en door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer, J. Rurarz en X. Chamodraka als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, C. Mac Eochaidh (rapporteur) en J. Laitenberger, rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 14 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoekster, CR, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 4 mei 2023 tot vaststelling van haar rechten op ouderdomspensioen (hierna: „bestreden besluit”).
Toepasselijke bepalingen
2 Vóór 1 mei 2004 bepaalde artikel 77 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) onder meer dat een ambtenaar die ten minste tien dienstjaren had vervuld, vanaf de leeftijd van 60 jaar recht had op ouderdomspensioen, dat het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage voor elk dienstjaar 2 % bedroeg van het laatste basissalaris, dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste één jaar ingedeeld is geweest (hierna: „laatste basissalaris”), en dat het maximale ouderdomspensioen 70 % van dit laatste basissalaris bedroeg. Voorts werd in artikel 39 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) met betrekking tot de rechten op ouderdomspensioen van tijdelijke functionarissen verwezen naar artikel 77 van het Statuut.
3 Vanaf 1 mei 2004 zijn het Statuut en de RAP gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB 2004, L 124, blz. 1; hierna: „hervorming van 2004”).
4 In het kader van de hervorming van 2004 heeft de Uniewetgever artikel 77 van het Statuut gewijzigd, met name door de pensioenleeftijd te verhogen tot 63 jaar en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage vast te stellen op 1,9 % van het laatste basissalaris voor elk dienstjaar. De grens van 70 % van het laatste basissalaris bleef behouden. Deze hervorming was ook van toepassing op tijdelijke functionarissen en op een nieuwe categorie personeelsleden, te weten arbeidscontractanten (artikelen 39 en 109 RAP).
5 Vanaf 1 januari 2014 zijn het Statuut en de RAP gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (PB 2013, L 287, blz. 15; hierna: „hervorming van 2014”).
6 In het kader van de hervorming van 2014 heeft de Uniewetgever artikel 77 van het Statuut opnieuw gewijzigd, met name door de pensioenleeftijd te verhogen tot 66 jaar en een nieuw jaarlijks pensioenopbouwpercentage vast te stellen van 1,8 %. De grens van 70 % van het laatste basissalaris bleef behouden. Deze hervorming was ook van toepassing op tijdelijke functionarissen en op arbeidscontractanten (artikelen 39 en 109 RAP).
7 Volgens de Uniewetgever waren de met de hervormingen van 2004 en 2014 aangebrachte wijzigingen noodzakelijk om het actuariële evenwicht van de pensioenregeling van de instellingen van de Unie (hierna: „PRIEU”) op korte en op lange termijn te handhaven wegens de demografische ontwikkelingen en de veranderende leeftijdspiramide van de bevolking, die een steeds zwaardere belasting voor deze pensioenregeling vormden (overwegingen 28 en 29 van verordening nr. 723/2004; overwegingen 14 en 15 van verordening nr. 1023/2013).
8 Bovendien was de hervorming van 2004 weliswaar in het algemeen gericht op de inachtneming van de begrotingsdiscipline (overweging 10 van verordening nr. 723/2004), maar vond die van 2014 plaats in een zeer moeilijke sociaaleconomische context na een financiële crisis zonder weerga, die van alle overheden met name een consolidering van de overheidsfinanciën op korte, middellange en lange termijn vereiste (overwegingen 11-13 van verordening nr. 1023/2013).
9 In afwijking van artikel 77 van het Statuut en de artikelen 39 en 109 RAP bevatten bijlage XIII bij het Statuut en de bijlage bij de RAP overigens overgangsmaatregelen voor ambtenaren en andere personeelsleden die al in dienst waren vóór de inwerkingtreding van de hervorming van 2004 of die van 2014.
10 De Uniewetgever heeft deze overgangsbepalingen vastgesteld om de nieuwe regeling en maatregelen geleidelijk te kunnen toepassen, zonder afbreuk te doen aan de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de personeelsleden die vóór de wijzigingen in dienst waren getreden (overwegingen 29 en 37 van verordening nr. 723/2004; overwegingen 14 en 29 van verordening nr. 1023/2013).
11 Om te beginnen bepaalt artikel 21, eerste alinea, van bijlage XIII bij het Statuut dat een ambtenaar die vóór 1 mei 2004 in dienst is getreden per dienstjaar 2 %, en niet 1,8 %, van zijn laatste basissalaris verwerft. Deze bepaling is in haar huidige formulering het resultaat van de hervorming van 2014, maar vindt haar oorsprong in de hervorming van 2004 (bijlage I, punt 102, van verordening nr. 723/2004).
12 Artikel 21, tweede alinea, van bijlage XIII bij het Statuut bepaalt dat een ambtenaar die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2013 in dienst is getreden, per dienstjaar 1,9 %, en niet 1,8 %, van zijn laatste basissalaris verwerft. Deze bepaling werd toegevoegd in het kader van de hervorming van 2014 [artikel 1, punt 73, onder f), van verordening nr. 1023/2013].
13 Krachtens artikel 22, lid 1, tweede tot en met vierde alinea, van bijlage XIII bij het Statuut is de pensioenleeftijd van een ambtenaar die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden niet vastgesteld op 66 jaar, maar ligt deze tussen 60 en 65 jaar, afhankelijk van de leeftijd van de ambtenaar op 1 mei 2014. Deze bepalingen zijn toegevoegd in het kader van de hervorming van 2014 [artikel 1, punt 73, onder g), van verordening nr. 1023/2013].
14 Bovendien heeft de Uniewetgever verduidelijkt dat bijlage XIII bij het Statuut van overeenkomstige toepassing is op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst waren en dat de artikelen 21 en 22, met uitzondering van lid 4 van artikel 22, van deze bijlage van overeenkomstige toepassing zijn op de andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst waren (artikel 1, lid 1, eerste en tweede volzin, van de bijlage bij de RAP).
15 Ten slotte bepaalt artikel 28, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut dat een tijdelijke functionaris waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 liep en die vervolgens vóór 1 januari 2014 tot ambtenaar werd benoemd, bij pensionering recht heeft op een actuariële aanpassing van de pensioenrechten die hij als tijdelijke functionaris heeft opgebouwd, rekening houdend met de verandering van zijn pensioenleeftijd als bedoeld in artikel 77 van het Statuut. Deze bepaling is in haar huidige formulering het resultaat van de hervorming van 2014, maar ook zij vindt haar oorsprong in de hervorming van 2004 (bijlage I, punt 102, van verordening nr. 723/2004).
16 Evenzo bepaalt artikel 28, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut dat een tijdelijke functionaris, arbeidscontractant of arbeidscontractant voor hulptaken waarvan de overeenkomst op 1 januari 2014 liep en die vervolgens tot ambtenaar werd benoemd, bij pensionering recht heeft op een actuariële aanpassing van de pensioenrechten die hij als tijdelijke functionaris of arbeidscontractant heeft opgebouwd, rekening houdend met de verandering van zijn pensioenleeftijd als bedoeld in artikel 77 van het Statuut, mits hij op 1 mei 2014 minstens 35 jaar oud was. Deze bepalingen zijn toegevoegd in het kader van de hervorming van 2014 [artikel 1, punt 73, onder j), van verordening nr. 1023/2013].
17 De in de punten 15 en 16 hierboven vermelde actuariële aanpassingen worden berekend overeenkomstig de coëfficiënten die zijn vastgesteld in conclusie nr. 268/15 van het college van hoofden van de administratie van 25 februari 2016 met betrekking tot de actuariële aanpassing van als tijdelijk functionaris of arbeidscontractant verworven rechten (artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut).
Voorgeschiedenis van het geding
18 Op 16 juni 2012 is verzoekster als arbeidscontractant in dienst getreden bij de Commissie.
19 Op 16 augustus 2015 is verzoekster benoemd tot ambtenaar.
20 Op 4 mei 2023 heeft het „Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten” (hierna: „PMO”) van de Commissie het bestreden besluit vastgesteld. Het PMO heeft verzoekster meegedeeld dat zij recht had op een ouderdomspensioen vanaf 1 juli 2023, op de leeftijd van 66 jaar. Het PMO heeft haar eveneens meegedeeld dat het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage voor de periode waarin zij arbeidscontractant was (van 16 juni 2012 tot en met 15 augustus 2015) 1,9 % bedroeg en dat dit percentage voor de periode waarin zij ambtenaar was (van 16 augustus 2015 tot en met 30 juni 2023) 1,8 % bedroeg.
21 Op 11 mei 2023 heeft verzoekster, onder verwijzing naar het arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), en rekening houdend met het feit dat zij ononderbroken aangesloten was geweest bij en had bijgedragen tot de PRIEU, het PMO verzocht het bestreden besluit aldus te herzien dat haar pensioenleeftijd wordt vastgesteld op 63 jaar en dat op haar volledige loopbaan een jaarlijks pensioenopbouwpercentage van 1,9 % wordt toegepast. Aangezien zij in dienst was gebleven tot de leeftijd van 66 jaar terwijl haar pensioenleeftijd naar eigen zeggen 63 jaar had moeten zijn, heeft verzoekster bovendien verzocht om toekenning van een verdere verhoging van 2,5 % van haar laatste basissalaris voor elk jaar dat zij na de leeftijd van 63 jaar heeft gewerkt.
22 Op 15 mei 2023 heeft het PMO verzoekster meegedeeld dat zij een klacht kon indienen indien zij het niet eens was met het bestreden besluit.
23 Op 1 juli 2023 is verzoekster met pensioen gegaan.
24 Op 25 juli 2023 heeft verzoekster een klacht ingediend tegen het bestreden besluit.
25 Op 30 november 2023 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag deze klacht verworpen.
Conclusies van de partijen
26 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
27 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
28 Het Europees Parlement verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
29 De Raad van de Europese Unie verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.
In rechte
30 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
Eerste middel: schending van de werkingssfeer van de wet
31 Verzoekster betoogt dat het PMO blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te besluiten dat artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut op haar van toepassing was. Na de arresten van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), en 14 december 2018, Torné/Commissie (T‑128/17, EU:T:2018:969), zouden op een situatie zoals de hare de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut moeten worden toegepast, en niet artikel 28 daarvan. Uit de artikelen 21, 22 en 28 van bijlage XIII bij het Statuut, gelezen in samenhang met die twee arresten, zou namelijk volgen dat de werkingssfeer van artikel 28 moet worden beperkt tot tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten die na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 tot ambtenaar zijn benoemd en die niet ononderbroken bij de PRIEU aangesloten zijn geweest. Aangezien verzoekster altijd aangesloten is gebleven bij de PRIEU, zou zij niet onder artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut vallen. Alleen de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut zouden op haar situatie van toepassing zijn.
32 De Commissie, daarin gesteund door het Parlement en de Raad, betwist dit argument.
33 In casu merkt het Gerecht op dat het door het PMO gehanteerde jaarlijkse pensioenopbouwpercentage voor de periode waarin verzoekster werkzaam was als arbeidscontractant, te weten 1,9 %, niet voortvloeit uit de toepassing van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut, maar uit de gecombineerde toepassing van artikel 21, tweede alinea, van bijlage XIII bij het Statuut en artikel 1, lid 1, tweede volzin, van de bijlage bij de RAP.
34 Het PMO heeft daarentegen de bepalingen van artikel 28, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut, waarin wordt verwezen naar artikel 77 van het Statuut, toegepast wat betreft de pensioenleeftijd van verzoekster, te weten 66 jaar, en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage dat overeenstemt met de periode waarin zij als ambtenaar werkzaam is geweest, te weten 1,8 %. Voorts heeft een actuariële aanpassing plaatsgevonden van de pensioenrechten die verzoekster als arbeidscontractant heeft verworven. Overeenkomstig conclusie nr. 268/15 (zie punt 17 hierboven) heeft het PMO op deze pensioenrechten namelijk een coëfficiënt van 1,152 toegepast. Daardoor is het percentage dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van verzoeksters pensioenrechten met 0,914 punten verhoogd. Deze verhoging stemt dus overeen met een verlenging van zes maanden van de periode waarin verzoekster daadwerkelijk als arbeidscontractant heeft gewerkt.
35 Alleen de in punt 34 hierboven samengevatte aspecten van het bestreden besluit worden door verzoekster bekritiseerd. Volgens verzoekster moeten artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut haar volledige loopbaan bij de Unie regelen, met inbegrip van de periode waarin zij werkzaam was als ambtenaar, en had zij het recht om op de leeftijd van 63 jaar met pensioen te gaan. Het PMO zou derhalve ten onrechte artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut op haar situatie hebben toegepast en zou bovendien hebben nagelaten artikel 22, lid 1, van deze bijlage, in afwijking van artikel 77 van het Statuut, op haar toe te passen.
36 In dit verband stelt het Gerecht vast dat verzoekster voldoet aan de in artikel 28, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut vastgestelde voorwaarden. Zij was immers arbeidscontractant tussen 16 juni 2012 en 15 augustus 2015, is op 16 augustus 2015 benoemd tot ambtenaar en was op 1 mei 2014 ouder dan 35 jaar.
37 Hoewel zij aan deze voorwaarden voldoet, betoogt verzoekster niettemin dat artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut niet op haar van toepassing is, omdat zij altijd aangesloten is gebleven bij de PRIEU. Volgens verzoekster is artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut namelijk uitsluitend van toepassing op tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten die voldoen aan de in dit artikel vastgestelde voorwaarden en waarvan de aansluiting bij de PRIEU bovendien vóór hun benoeming tot ambtenaar is onderbroken.
38 Dit argument moet worden afgewezen, aangezien deze laatste voorwaarde, namelijk de onderbreking van de aansluiting bij de PRIEU, niet blijkt uit de duidelijke bewoordingen van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut. Indien het argument van verzoekster zou worden toegewezen, zou dit betekenen dat de werkingssfeer van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut zou worden beperkt door de toevoeging van een voorwaarde waarin de Uniewetgever niet heeft voorzien.
39 Het is vaste rechtspraak dat wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, de Unierechter niet van deze bewoordingen mag afwijken (zie arresten van 19 oktober 2023, Sad Trasporto Locale,C‑186/22, EU:C:2023:795, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 juli 2024, HDI Global en MS Amlin Insurance, C‑771/22 en C‑45/23, EU:C:2024:644, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 De opvatting dat voor de toepassing van een bepaling van het Statuut een andere voorwaarde geldt dan daarin is omschreven, is derhalve een uitlegging contra legem van deze bepaling, die niet kan worden aanvaard (zie in die zin en naar analogie arresten van 17 december 2020, De Masi en Varoufakis/ECB, C‑342/19 P, EU:C:2020:1035, punt 36, en 8 november 2023, OA/Parlement, T‑39/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:709, punt 69).
41 Deze conclusie is temeer geboden omdat de Unierechter, gelet op de beginselen van het institutionele evenwicht en de bevoegdheidstoedeling, zoals verankerd in artikel 13, lid 2, VEU [zie in die zin arrest van 25 oktober 2017, Commissie/Raad (WRC‑15), C‑687/15, EU:C:2017:803, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak], niet over de bevoegdheid beschikt om af te wijken van de bepalingen van het Statuut.
42 Ten slotte zou, naast de in de punten 39 tot en met 41 hierboven vermelde overwegingen, de toevoeging aan artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut van een voorwaarde waarin niet werd voorzien door de Uniewetgever eveneens in strijd zijn met de vaste rechtspraak volgens welke de overgangsbepalingen strikt moeten worden uitgelegd aangezien deze een afwijking vormen en budgettaire gevolgen hebben (zie in die zin arrest van 14 december 2018, Torné/Commissie,T‑128/17, EU:T:2018:969, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Bijgevolg heeft het PMO geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te besluiten dat artikel 28, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing was op de situatie van verzoekster.
44 De arresten van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), en 14 december 2018, Torné/Commissie (T‑128/17, EU:T:2018:969), waarop verzoekster zich beroept, doen niet af aan deze conclusie.
45 In de arresten van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), en 14 december 2018, Torné/Commissie (T‑128/17, EU:T:2018:969), hebben het Hof en het Gerecht zich niet uitgesproken over de werkingssfeer van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut. Niets in die arresten wijst erop dat het Hof of het Gerecht de keuzen van de Uniewetgever ter discussie heeft willen stellen en de werkingssfeer van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut heeft willen wijzigen door dit artikel uitsluitend voor te behouden aan tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 liep en waarvan de aansluiting bij de PRIEU vóór hun benoeming tot ambtenaar onderbroken was geweest.
46 In de arresten van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), en 14 december 2018, Torné/Commissie (T‑128/17, EU:T:2018:969), hebben het Hof en het Gerecht namelijk gewoon artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, uitgelegd en toegepast op situaties die binnen hun werkingssfeer vallen.
47 In dit verband herinnert het Gerecht eraan dat de bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut, op zichzelf beschouwd en overeenkomstig het opschrift van die bijlage, uitsluitend van toepassing zijn op ambtenaren (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie,C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 65).
48 Gepreciseerd moet worden dat de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut, met uitzondering van lid 4 van artikel 22, alleen vanwege artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP van overeenkomstige toepassing zijn op andere personeelsleden (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie,C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punten 66 en 80).
49 Wat om te beginnen de ambtenaren betreft, bepaalt artikel 77 van het Statuut, in de versie die voortvloeit uit de hervorming van 2004, dat het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage in beginsel is vastgesteld op 1,9 % en dat de pensioenleeftijd is vastgesteld op 63 jaar. Ditzelfde artikel bepaalt, in de versie die voortvloeit uit de hervorming van 2014, dat het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage in beginsel is vastgesteld op 1,8 % en dat de pensioenleeftijd is vastgesteld op 66 jaar.
50 Artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut wijken, zowel in de versie die voortvloeit uit de hervorming van 2004 als in die welke voortvloeit uit de hervorming van 2014, uitdrukkelijk af van deze basisregeling. Volgens de bewoordingen van deze twee artikelen geldt deze afwijkende regeling echter uitsluitend voor „ambtenaren” die, in het geval van de hervorming van 2004, in dienst zijn getreden „vóór”1 mei 2004, of, in het geval van de hervorming van 2014, in dienst zijn getreden „vóór”1 januari 2014.
51 Het Gerecht merkt tevens op dat in artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut uitsluitend wordt verwezen naar de datum van „indiensttreding” van ambtenaren, en niet, zoals in artikel 28 van deze bijlage (zie de punten 52 en 53 hieronder) het geval is, naar de datum van hun „benoeming”.
52 Daarnaast voorziet artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut in een speciale regeling voor „functionarissen” waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 of 1 januari 2014„liep” en die vervolgens tot ambtenaar zijn „benoemd”.
53 Artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut bevat derhalve twee afzonderlijke en cumulatieve voorwaarden. De eerste voorwaarde is de indiensttreding als personeelslid, die niet later dan 1 mei 2004 of 1 januari 2014 mag hebben plaatsgevonden, aangezien het personeelslid op een van deze datums moest beschikken over een lopende overeenkomst. De tweede voorwaarde is de benoeming van het personeelslid tot ambtenaar, die noodzakelijkerwijs moet hebben plaatsgevonden na zijn indiensttreding, aangezien artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut verwijst naar personeelsleden waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 liep en die „vervolgens” tot ambtenaar zijn benoemd.
54 Uit een letterlijke en systematische lezing van artikel 77 van het Statuut en artikel 21, artikel 22, lid 1, en artikel 28 van bijlage XIII bij dit Statuut blijkt derhalve dat het de bedoeling van de Uniewetgever was dat artikel 21 en artikel 22, lid 1, op zichzelf beschouwd, uitsluitend zouden gelden voor „ambtenaren” die als zodanig „in dienst zijn getreden”„vóór”1 mei 2004 of „vóór”1 januari 2014.
55 Ambtenaren die „na”1 mei 2004 of „na”1 januari 2014 zijn „benoemd” vallen daarentegen onder artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut indien zij voordien in dienst waren getreden als tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten en indien hun overeenkomst liep op 1 mei 2004 of 1 januari 2014.
56 Verder heeft de Uniewetgever aan de hand van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP toegestaan dat artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut naar analogie worden toegepast op andere personeelsleden die op 30 april 2004 of 31 december 2013„in dienst [waren]”.
57 Een dergelijke toepassing naar analogie van artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut heeft, volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, echter uitsluitend betrekking op personeelsleden en niet op ambtenaren (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie,C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punten 66 en 80).
58 Deze oplossing strookt overigens met de essentie van de RAP en de bijlage daarbij, die uitdrukkelijk en exclusief betrekking hebben op personeelsleden. Een ambtenaar kan dus geen aanspraak maken op de uit de RAP en de bijlage daarbij voortvloeiende voordelen.
59 Zoals reeds is opgemerkt in punt 52 hierboven, heeft de Uniewetgever desalniettemin een speciale regeling vastgesteld, te weten artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut, voor tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 liep en die vervolgens tot ambtenaar zijn benoemd.
60 Hieruit volgt dat op de situatie van verzoekster, wat betreft de periode waarin zij werkzaam was als arbeidscontractant, aanvankelijk artikel 77 van het Statuut in combinatie met artikel 109 RAP van toepassing was, zoals deze artikelen voortvloeiden uit de hervorming van 2004. Tussen 1 januari 2014 en 15 augustus 2015 was op haar situatie daarentegen artikel 21, tweede alinea, van bijlage XIII bij het Statuut, in combinatie met artikel 1, lid 1, tweede volzin, van de bijlage bij de RAP van toepassing. Krachtens deze bepalingen bedroeg het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage in haar geval 1,9 % voor de periode waarin zij werkzaam was als arbeidscontractant.
61 Met betrekking tot de periode waarin verzoekster werkzaam was als ambtenaar, is sinds 16 augustus 2015, de datum van haar benoeming, op haar situatie artikel 77 van het Statuut in combinatie met artikel 28, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing, zoals deze artikelen voortvloeien uit de hervorming van 2014. Krachtens deze bepalingen bedraagt haar jaarlijkse pensioenopbouwpercentage voor deze periode 1,8 % en wordt haar pensioenleeftijd vastgesteld op 66 jaar. Bovendien wordt de verhoging van haar pensioenleeftijd financieel gecompenseerd door een actuariële aanpassing van de door haar als arbeidscontractant verworven pensioenrechten (zie punt 34 hierboven).
62 Deze conclusies zijn niet in strijd met de lessen die voortvloeien uit de punten 76 en 80 van het arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984). Om te beginnen verschilt de situatie van verzoekster van die van Maxime Picard. Hij had een nieuwe overeenkomst gesloten als personeelslid, terwijl verzoekster is benoemd tot ambtenaar. Bovendien heeft het bestreden besluit er in casu, anders dan werd betwist door Picard, en ongeacht de vraag of verzoeksters taken als gevolg van haar benoeming al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd, niet toe geleid dat verzoekster het voordeel van de overgangsbepalingen van bijlage XIII bij het Statuut heeft „verloren”. Zoals in punt 61 hierboven is opgemerkt, valt de periode waarin verzoekster werkzaam was als ambtenaar binnen de werkingssfeer van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut.
63 Voorts heeft het Hof, anders dan verzoekster stelt, niet bevestigd dat een ononderbroken aansluiting bij de PRIEU het enige criterium is om te bepalen op wie de overgangsbepalingen van de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing zijn. Door in punt 76 van het arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), de formulering „met name” te gebruiken, geeft het Hof immers aan dat dit slechts één van vele criteria is. Dezelfde oplossing moet noodzakelijkerwijs worden gehanteerd voor artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut, waarover het Hof zich echter niet heeft uitgesproken (zie punt 45 hierboven), aangezien dit artikel, net als de artikelen 21 en 22 van deze bijlage, deel uitmaakt van de overgangsbepalingen.
64 Zoals blijkt uit de punten 54 en 55 hierboven, vormen de benoeming van een personeelslid tot ambtenaar na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 en het bestaan van een overeenkomst die liep op een van deze datums, de criteria voor de toepassing van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut.
65 Ten overvloede merkt het Gerecht op dat artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut eveneens van toepassing kan zijn indien de aansluiting van een personeelslid bij de PRIEU onderbroken is geweest vóór de hervorming van 2004 of die van 2014, mits dit personeelslid beschikte over een overeenkomst die liep op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 en het vervolgens tot ambtenaar is benoemd. Met andere woorden, het enige wat van belang is om te bepalen of artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing is, is of is voldaan aan de in dit artikel vastgestelde voorwaarden, die in punt 53 hierboven in herinnering zijn gebracht.
66 Ten slotte herinnert het Gerecht eraan dat de conclusies in de punten 60 en 61 hierboven de keuzen van de Uniewetgever weerspiegelen en dat het, in het kader van de taken die door de auteurs van de Verdragen aan de Unierechter zijn toebedeeld, anders dan verzoekster verlangt, niet aan de Unierechter staat om af te wijken van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut door er een thans niet-bestaande voorwaarde aan toe te voegen (zie de punten 37‑43 hierboven).
67 Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het gelijkheidsbeginsel
68 Met haar tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, werpt verzoekster een exceptie van onwettigheid van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut op, op grond dat het inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel.
69 In dit verband vereist het gelijkheidsbeginsel dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Om te kunnen bepalen of dit beginsel al dan niet is geschonden moet met name rekening worden gehouden met het voorwerp en het doel van de bepaling waarmee beweerdelijk inbreuk wordt gemaakt op dat beginsel (zie arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Bovendien is op een gebied dat valt onder de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, zoals de vaststelling van overgangsregels die een billijke overgang van een oude naar een nieuwe statutaire regeling beogen te garanderen, enkel sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer de Uniewetgever een onderscheid maakt dat op willekeur berust of kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het doel van de betrokken regeling (arrest van 14 december 2018, GQ e.a./Commissie,T‑525/16, EU:T:2018:964, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens in die zin arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 Volgens de rechtspraak dient het Gerecht zich bijgevolg te beperken tot de vraag of het verschil in behandeling niet willekeurig of kennelijk ongeschikt moet worden geacht in het licht van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Álvarez y Bejarano e.a./Commissie,C‑517/19 P en C‑518/19 P, EU:C:2021:240, punten 53 en 54).
73 Rekening houdend met deze beperkte rechterlijke toetsing staat het daarentegen niet aan het Gerecht om na te gaan of het niet onredelijk was dat de Uniewetgever het ingevoerde verschil in behandeling geschikt en noodzakelijk achtte voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang (zie in die zin arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a.,C‑116/21 P–C‑118/21 P, C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 129, en beschikking van 22 december 2022, Commissie/KM en Raad/Commissie,C‑341/21 P en C‑357/21 P, EU:C:2022:1042, punt 64).
74 Het Gerecht zal de twee onderdelen van het tweede middel in het licht van deze rechtspraak onderzoeken.
Eerste onderdeel van het tweede middel
75 Verzoekster betoogt dat artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut een schending vormt van het gelijkheidsbeginsel omdat het categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, verschillend behandelt. Verzoekster zou immers minder goed zijn behandeld dan wanneer zij in plaats van ambtenaar tijdelijk functionaris was geworden, of wanneer zij arbeidscontractant was gebleven, louter vanwege haar benoeming tot ambtenaar en terwijl haar aansluiting bij de PRIEU nooit onderbroken is geweest. Bovendien verklaart verzoekster dat het Parlement artikel 21, artikel 22, lid 1, en artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut gedurende meer dan vijf jaar op dezelfde wijze heeft opgevat als zij.
76 De Commissie, daarin gesteund door het Parlement en de Raad, betwist dit argument.
77 In dit verband heeft het Hof met betrekking tot de vergelijkbaarheid van situaties reeds opgemerkt dat bij het Statuut en de RAP een gemeenschappelijke pensioenregeling wordt ingesteld voor ambtenaren en andere personeelsleden, te weten de PRIEU. Aangezien in artikel 39, lid 1, en artikel 109, lid 1, RAP wordt verwezen naar de voorwaarden van hoofdstuk 3 van titel V van het Statuut, dragen immers ook tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten onder de voorwaarden van artikel 83, lid 2, van het Statuut bij aan de financiering van die pensioenregeling (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie,C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punten 77 en 78).
78 Het Hof heeft echter ook opgemerkt dat er verschillen bestaan tussen ambtenaren en andere personeelsleden (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie,C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 69).
79 In dit verband herinnert het Gerecht eraan dat ambtenaren er in beginsel van verzekerd zijn dat zij tot hun pensioenleeftijd in dienst van de Unie kunnen blijven. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden, zoals verlof om redenen van persoonlijke aard aan het einde van de loopbaan, verlof in het belang van de dienst, ontslag op verzoek, ontslag ambtshalve, ontheffing van het ambt om redenen van dienstbelang, ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt, tuchtrechtelijk ontslag, overlijden of pensionering vanwege blijvende invaliditeit, loopt hun functie af voordat zij de pensioenleeftijd hebben bereikt [artikelen 40, 42 quater, 47-51 en 53 van het Statuut en artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut].
80 Omgekeerd beschikken personeelsleden, zoals verzoekster zelf ook erkent, in het algemeen niet over een dergelijke baanzekerheid. Volgens vaste rechtspraak wordt de duur van de arbeidsverhouding tussen een instelling en een voor bepaalde tijd aangeworven personeelslid geregeld volgens de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de tussen partijen gesloten overeenkomst. Bovendien beschikt de administratie over een ruime beoordelingsvrijheid op het gebied van de verlenging van de overeenkomst (zie in die zin arrest van 14 december 2022, SU/Eiopa,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Alleen met de afsluiting van een overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt tussen de instelling en het betrokken personeelslid een stabielere relatie zonder tijdsbeperking gecreëerd (zie in die zin arrest van 9 november 2022, QM/Europol,T‑164/21, EU:T:2022:695, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Aangezien ambtenaren over het algemeen langer in dienst zijn bij de Unie, automatisch in hogere salaristrappen worden geplaatst en worden bevorderd, is het daarnaast gebruikelijk dat zij tegen het einde van hun loopbaan hogere rangen en salaristrappen bereiken dan personeelsleden. Deze hogere indeling die gebruikelijk is bij ambtenaren gaat gepaard met een hogere bezoldiging dan die van de meeste personeelsleden, aangezien de bezoldiging rechtstreeks is gekoppeld aan rang en salaristrap.
82 Dit laatste punt is in de onderhavige zaak van doorslaggevend belang, aangezien bij de berekening van het ouderdomspensioen van een ambtenaar of een personeelslid alleen diens laatste basissalaris in aanmerking wordt genomen (zie de punten 4‑16 hierboven).
83 Bovendien is het bedrag van het pensioen niet uitsluitend afhankelijk van het laatste basissalaris. Het bedrag hangt ook af van de diensttijd van de ambtenaar of het personeelslid, aangezien de ambtenaar of het personeelslid voor elk dienstjaar 1,8 %, 1,9 % of 2 % van zijn laatste basissalaris ontvangt (zie de punten 4‑16 hierboven). Aangezien ambtenaren over het algemeen langer in dienst zijn dan personeelsleden, bouwen zij automatisch een groter aantal pensioenjaren op.
84 Gezien deze objectieve verschillen, is het totale effect van de hervormingen van 2004 en 2014 op de begroting van de Unie, zoals de Commissie, het Parlement en de Raad betogen, onvermijdelijk groter wat betreft de pensioenen van de ambtenaren dan wat betreft die van de andere personeelsleden.
85 In deze omstandigheden mocht de Uniewetgever zich, gezien de doelstelling om het actuariële evenwicht van de PRIEU te handhaven zonder afbreuk te doen aan de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van de wijzigingen in dienst zijn getreden (conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de zaak Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:582, punten 44 en 51) – die bovenop de algemenere doelstellingen van begrotingsdiscipline en consolidering van de overheidsfinanciën in een moeilijke sociaaleconomische context komt (zie de punten 7 en 8 hierboven) –, en rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt, op het standpunt stellen dat ambtenaren die na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 zijn benoemd een andere behandeling moesten krijgen dan die welke die zij zouden hebben gekregen wanneer zij gedurende ten minste tien jaar hun status van tijdelijk functionaris of arbeidscontractant hadden behouden.
86 In dit verband herinnert het Gerecht eraan dat de ambtenaren en personeelsleden slechts voor een derde bijdragen aan de financiering van de PRIEU, terwijl de betaling van de pensioenen, die collectief door de lidstaten wordt gegarandeerd, ten laste komt van de Uniebegroting (artikel 83, leden 1 en 2, van het Statuut). In het licht van deze financieringsstructuur van de PRIEU, die in de eerste plaats gebaseerd is op de middelen die door de lidstaten aan de Unie worden toegewezen, kunnen de belangen van de ambtenaren die onder de speciale regeling van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut vallen niet zomaar in aanmerking worden genomen terwijl volledig wordt voorbijgegaan aan het feit dat de lidstaten zich genoodzaakt hebben gezien om strenge maatregelen te nemen om de blijvende gevolgen van een zware economische en financiële crisis aan te pakken (overweging 13 van verordening nr. 1023/2013). Met het oog op het actuariële evenwicht van de PRIEU moet inderdaad rekening worden gehouden met economische ontwikkelingen en financiële variabelen op lange termijn [zie in die zin en naar analogie arrest van 13 december 2017, Arango Jaramillo e.a./EIB, T‑482/16 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2017:901, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In een samenleving die wordt gekenmerkt door solidariteit, zoals in artikel 2 VEU wordt benadrukt (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 71), en in een context die werd gekenmerkt door een ernstige economische en financiële crisis, heeft de Uniewetgever terecht onder meer deze speciale regeling getroffen om in het licht van de inspanningen die de lidstaten op hun eigen niveau hebben moeten leveren de solidariteit van het Europese ambtenarenapparaat tot uitdrukking te brengen.
87 Voorts zij erop gewezen dat tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten in het algemeen minder bijdragen aan de PRIEU dan ambtenaren, aangezien het basissalaris van ambtenaren meestal stijgt afhankelijk van de hogere rangen en salaristrappen die zij gedurende hun loopbaan bereiken. In dit verband is het juist dat de PRIEU is georganiseerd op basis van het solidariteitsbeginsel en niet aldus is opgezet dat het pensioen dat een ambtenaar of een personeelslid ontvangt een exacte tegenprestatie is voor de bijdragen die deze ambtenaar of dit personeelslid aan deze regeling heeft betaald (zie arrest van 8 november 2023, OA/Parlement, T‑39/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:709, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Uniewetgever kon zich, in het kader van de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt en rekening houdend met het solidariteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de PRIEU, op goede gronden op het standpunt stellen dat een personeelslid dat na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 tot ambtenaar is benoemd, niet in aanmerking kon komen voor het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage dat op hem van toepassing was tijdens zijn diensttijd als tijdelijk functionaris of arbeidscontractant, aangezien dit zou betekenen dat hij een onevenredig groot voordeel zou halen uit dit hogere percentage in het licht van de berekening van het bedrag van zijn pensioen op basis van het laatste basissalaris dat hoort bij de rang waarin hij was ingedeeld voordat hij met pensioen ging.
88 Gelet op de voorgaande overwegingen lijkt het door verzoekster betwiste verschil in behandeling niet kennelijk ongeschikt om de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. De keuze van de Uniewetgever strookt bovendien met de beginselen van begrotingsdiscipline en goed financieel beheer (artikelen 310 en 317 VWEU) en met het beginsel van het handhaven van het actuariële evenwicht van de PRIEU (artikel 83 bis van het Statuut en bijlage XIII daarbij).
89 Het verschil in behandeling is evenmin willekeurig.
90 Hierover heeft het Hof reeds geoordeeld dat een bepaling van het Statuut een willekeurig onderscheid invoert tussen ambtenaren en/of personeelsleden wanneer dit onderscheid is gebaseerd op een discriminerend criterium dat geen verband houdt met het nagestreefde doel. In een dergelijke situatie kunnen overwegingen van zuiver budgettaire, administratieve of personeelsbeleidsmatige aard op zich geen objectieve rechtvaardiging vormen voor het verschil in behandeling dat tussen ambtenaren en/of personeelsleden in vergelijkbare situaties is ingevoerd (zie in die zin arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punten 79‑81, 93 en 94).
91 Anders dan artikel 8, lid 2, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut, waarvan het Hof in het arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie (C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336), de onwettigheid heeft vastgesteld, berust het door verzoekster betwiste verschil in behandeling in casu niet op een uit hoofde van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verboden discriminatiegrond, maar op de in de punten 78 tot en met 84 hierboven vermelde objectieve redenen.
92 Volgens vaste rechtspraak vereist het gelijkheidsbeginsel weliswaar dat ambtenaren en/of personeelsleden die zich in gelijke of vergelijkbare situaties bevinden aan dezelfde bepalingen worden onderworpen, maar verbiedt het de Uniewetgever niet rekening te houden met objectieve verschillen in de omstandigheden of de positie waarin de betrokkenen zich bevinden (zie arresten van 16 oktober 1980, Hochstrass/Hof van Justitie,147/79, EU:C:1980:238, punt 7, en 3 mei 2018, SB/EUIPO, T‑200/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:244, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Verder kunnen volgens eveneens vaste rechtspraak de statutaire verschillen tussen de diverse categorieën personen die door de Unie worden tewerkgesteld niet in geding worden gebracht en kan er geen sprake zijn van discriminatie wanneer op het vlak van statutaire waarborgen en voordelen van sociale zekerheid bepaalde categorieën personeelsleden van de Unie waarborgen en voordelen genieten waarvan andere categorieën verstoken blijven (zie arrest van 12 maart 2020, XB/ECB, T‑484/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:90, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Het Gerecht stelt eveneens vast dat het onderscheid tussen ambtenaren en personeelsleden, zoals ook het Parlement heeft opgemerkt, niet alleen in artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut voorkomt. De PRIEU zelf is weliswaar gemeenschappelijk voor ambtenaren en personeelsleden, maar niet eenvormig. Zo kunnen tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten, anders dan ambtenaren, op grond van de artikelen 42 en 112 RAP verzoeken dat hun instelling betalingen verricht voor de totstandkoming of handhaving van hun pensioenrechten in hun land van herkomst. Wanneer een arbeidscontractant ambtenaar wordt of wanneer een ambtenaar arbeidscontractant wordt, is het evenzo mogelijk dat, gelet op artikel 3, onder d), van bijlage VIII bij het Statuut, die verandering van de rechtspositie een vermindering van de onder de vorige regeling verworven pensioenjaren tot gevolg heeft, of leidt tot een terugbetaling van de surplusbijdragen, namelijk het verschil tussen het berekende aantal pensioenjaren en het aantal daadwerkelijke dienstjaren.
95 Het in casu betwiste onderscheidingscriterium is dus niet discriminerend en berust op objectieve gronden. Bovendien wijst het Gerecht erop dat dit criterium, nogmaals anders dan is geoordeeld met betrekking tot artikel 8, lid 2, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut, evenmin kan worden geacht „geen verband te houden” met de nagestreefde doelstellingen. Met de vaststelling van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut heeft de wetgever, in overeenstemming met de doelstellingen om het actuariële evenwicht van de PRIEU in stand te houden, de begrotingsdiscipline te handhaven en de overheidsfinanciën te consolideren, beoogd het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage van de betrokken ambtenaren, uitsluitend voor de periode waarin zij in die hoedanigheid werkzaam waren, te verlagen en de duur van hun loopbaan te verlengen, juist omdat de begrotingslast van de pensioenen van de ambtenaren zwaarder is dan die van de personeelsleden (zie de punten 7, 8 en 84 hierboven).
96 Zelfs al sluit het Gerecht niet uit dat een personeelslid in bepaalde specifieke situaties een loopbaan kan hebben die – wat betreft duur, rang, bezoldiging en taken – vergelijkbaar is met die van een ambtenaar, feit blijft dat dit in de regel niet het geval is. Volgens vaste rechtspraak kan, ook al leidt de instelling van een algemene en abstracte regeling in grensgevallen noodzakelijkerwijze tot onvoorzienbare bezwaren, de Uniewetgever niet worden verweten zijn toevlucht te hebben genomen tot een indeling in categorieën, indien deze gelet op het nagestreefde doel niet neerkomt op een daadwerkelijke discriminatie (arresten van 16 oktober 1980, Hochstrass/Hof van Justitie,147/79, EU:C:1980:238, punt 14, en 15 april 2010, Gualtieri/Commissie,C‑485/08 P, EU:C:2010:188, punt 81).
97 Het door verzoekster betwiste verschil in behandeling is derhalve geenszins willekeurig, maar berust op een objectief en niet-discriminerend criterium en wordt bovendien gerechtvaardigd door de doelstellingen om het actuariële evenwicht van de PRIEU in stand te houden, de begrotingsdiscipline te handhaven en de overheidsfinanciën te consolideren.
98 Daarenboven heeft het Hof in wezen reeds erkend dat wanneer het onderscheidingscriterium niet discriminerend is en wel degelijk verband houdt met de nagestreefde doelstellingen, zoals in casu het geval is, begrotingsbeperkende maatregelen die de ambtenaren en/of personeelsleden treffen, met name in de vorm van een vermindering van hun voordelen, kunnen worden gerechtvaardigd door de doelstellingen van begrotingsdiscipline en consolidering van de overheidsfinanciën (zie in die zin arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punt 81; zie eveneens in die zin en naar analogie arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 67, 69 en 71).
99 Daarnaast kan uit artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut geen enkel willekeurig of kennelijk ongeschikt onderscheid worden afgeleid met betrekking tot de door de Uniewetgever nagestreefde doelstelling om de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de betrokken ambtenaren te vrijwaren, aangezien hun verworven rechten en legitieme verwachtingen, net als die van andere personeelsleden die op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 in dienst waren, worden geëerbiedigd.
100 De pensioenrechten die zij hebben verworven gedurende hun diensttijd als personeelslid, blijven immers behouden. Bovendien hadden zij vóór hun benoeming tot ambtenaar logischerwijs nog geen pensioenrechten als ambtenaar verworven. De betrokken ambtenaren hebben pas vanaf hun benoeming in die hoedanigheid pensioenrechten verworven.
101 Overigens hebben zij toen zij nog personeelslid waren, geen precieze en onvoorwaardelijke garantie gekregen dat hun jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en hun pensioenleeftijd onveranderd zouden blijven indien zij ervoor zouden kiezen ambtenaar te worden.
102 Naast het feit dat, net zoals in het geval van andere personeelsleden die op 1 mei 2004 of 1 januari 2014 in dienst waren, hun verworven rechten en legitieme verwachtingen worden geëerbiedigd, merkt het Gerecht ook nog op dat de verhoging van de pensioenleeftijd van de betrokken ambtenaren krachtens artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut financieel wordt gecompenseerd door een actuariële aanpassing van de pensioenrechten die zij hebben verworven als personeelsleden. In de praktijk wordt naargelang van de persoonlijke situatie van de betrokken ambtenaar een coëfficiënt tussen 1 en 1,178 toegepast op de pensioenrechten die hij als personeelslid heeft verworven (zie punt 17 hierboven). Dit is ook voor verzoekster het geval (zie punt 34 hierboven). In werkelijkheid worden de verworven rechten door de toepassing van deze coëfficiënt dus niet geschonden maar gehandhaafd (in het geval van een coëfficiënt van 1) of verhoogd (in het geval van een coëfficiënt die hoger is dan 1).
103 Hoe dan ook stelt het Gerecht vast dat verzoekster vóór haar benoeming tot ambtenaar geen enkele garantie had gekregen dat zij recht zou hebben op een ouderdomspensioen, aangezien zij op die datum, anders dan artikel 77, eerste alinea, van het Statuut voorschrijft, nog geen tien jaar in dienst was van de Unie.
104 Tot slot is de door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat het Parlement er, ten gunste van andere personeelsleden die ambtenaar zijn geworden, gedurende meer dan vijf jaar dezelfde opvatting van artikel 21, artikel 22, lid 1, en artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut op na heeft gehouden als die welke zij voorstelt, niet ter zake dienend. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat het gelijkheidsbeginsel te verenigen moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie arrest van 16 oktober 2019, Palo/Commissie,T‑432/18, EU:T:2019:749, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel
106 Verzoekster stelt dat artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut een schending vormt van het gelijkheidsbeginsel omdat het alle personeelsleden die na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 ambtenaar zijn geworden op dezelfde manier behandelt, zonder rekening te houden met een eventuele onderbreking van hun aansluiting bij de PRIEU vóór hun benoeming. Haar situatie zou niet mogen worden gelijkgesteld met die van een personeelslid van wie de aansluiting bij de PRIEU is onderbroken en dat vervolgens tot ambtenaar is benoemd. De aansluiting van verzoekster bij de PRIEU heeft geen onderbreking gekend.
107 De Commissie, daarin gesteund door het Parlement en de Raad, betwist dit argument.
108 In dit verband herinnert het Gerecht eraan dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat situaties volledig gelijk zijn om dezelfde behandeling te kunnen toepassen. Deze situaties dienen enkel vergelijkbaar te zijn (arrest van 15 oktober 2020, Coppo Gavazzi e.a./Parlement, T‑389/19–T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑414/19, T‑416/19–T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19, punt 257).
109 Gelet op de doelstelling van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut en de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen moeten alle ambtenaren op wie dit artikel betrekking heeft, worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden, aangezien zij allen voorheen personeelsleden waren en allen na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 zijn benoemd.
110 Bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van hun respectieve situaties is de vraag of de aansluiting van deze ambtenaren bij de PRIEU vóór hun benoeming onderbroken is geweest, daarentegen niet relevant. Deze omstandigheid heeft immers betrekking op de periode waarin zij werkzaam waren als personeelsleden, terwijl de toepassing van artikel 28 van bijlage XIII bij het Statuut afhankelijk is van hun benoeming tot ambtenaar. Deze omstandigheid zal er in de praktijk hoogstens toe leiden dat een ambtenaar van wie de aansluiting bij de PRIEU, en derhalve de betaling van bijdragen, vóór zijn benoeming onderbroken is geweest, minder pensioenjaren zal hebben opgebouwd die uitsluitend betrekking hebben op zijn diensttijd als personeelslid, dan indien die onderbreking niet had plaatsgevonden.
111 Wat betreft de bescherming van hun verworven rechten bevinden personeelsleden die ambtenaar zijn geworden na een onderbreking van hun aansluiting bij de PRIEU en personeelsleden die ambtenaar zijn geworden zonder onderbreking van hun aansluiting, zich overigens in een vergelijkbare situatie. In beide gevallen hebben deze personeelsleden namelijk bijdragen betaald aan de PRIEU in het vooruitzicht van een lagere pensioenleeftijd dan die welke uiteindelijk op hen van toepassing zal zijn. Hun verworven rechten zijn dus van dezelfde aard. Het enige verschil is het aantal pensioenjaren dat elk van hen zal hebben opgebouwd. Daarom moeten personeelsleden die ambtenaar zijn geworden, kunnen profiteren van een actuariële aanpassing, ongeacht of aan hun benoeming tot ambtenaar al dan niet een onderbreking van hun aansluiting bij de PRIEU is voorafgegaan.
112 Ook wat betreft hun legitieme verwachtingen bevinden personeelsleden die ambtenaar zijn geworden na een onderbreking van hun aansluiting bij de PRIEU en personeelsleden die ambtenaar zijn geworden zonder onderbreking van hun aansluiting bij deze regeling, zich in een vergelijkbare situatie. Aangezien zij ambtenaar zijn geworden na 1 mei 2004 of na 1 januari 2014 konden zij niet de legitieme verwachting koesteren dat meteen na hun benoeming artikel 21 en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut op hen van toepassing zouden zijn, aangezien deze twee artikelen overgangsmaatregelen bevatten die uitsluitend tot doel hebben de verworven rechten en legitieme verwachtingen die bestonden vóór de inwerkingtreding van de hervorming van 2004 of die van 2014 te vrijwaren.
113 Hoe dan ook vormt de al dan niet ononderbroken aansluiting bij de PRIEU, zoals reeds is uiteengezet in het kader van de analyse van het eerste middel, niet het enige criterium aan de hand waarvan kan worden bepaald op wie de verschillende overgangsbepalingen van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing zijn (zie de punten 63 en 64 hierboven).
114 De door verzoekster betwiste identieke behandeling vormt derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien deze identieke behandeling betrekking heeft op categorieën personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
115 In deze omstandigheden moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
116 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen en moet het beroep dus in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
117 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
118 Voorts dragen volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg dragen het Parlement en de Raad elk hun eigen kosten.
HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) CR draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
3) Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen elk hun eigen kosten.
Svenningsen Mac Eochaidh Laitenberger Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 juli 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 februari 2025, C-146/23, ECLI:EU:C:2025:109
- HvJ EU 29 juli 2024, C-771/22, ECLI:EU:C:2024:644
- HvJ EU 18 april 2024, C-567/22, ECLI:EU:C:2024:336
- HvJ EU 19 oktober 2023, C-186/22, ECLI:EU:C:2023:795
- HvJ EU 15 december 2022, C-366/21, ECLI:EU:C:2022:984
- Gerecht EU 14 december 2022, T-296/21, ECLI:EU:T:2022:808
- Gerecht EU 9 november 2022, T-164/21, ECLI:EU:T:2022:695
- HvJ EU 14 juli 2022, C-116/21, ECLI:EU:C:2022:557
- HvJ EU 25 maart 2021, C-517/19, ECLI:EU:C:2021:240
- HvJ EU 17 december 2020, C-342/19, ECLI:EU:C:2020:1035
- Gerecht EU 16 oktober 2019, T-432/18, ECLI:EU:T:2019:749
- Gerecht EU 14 december 2018, T-128/17, ECLI:EU:T:2018:969
- Gerecht EU 13 december 2017, T-482/16, ECLI:EU:T:2017:901
- HvJ EU 25 oktober 2017, C-687/15, ECLI:EU:C:2017:803
- HvJ EU 15 april 2010, C-485/08, ECLI:EU:C:2010:188