Gerecht EU 18 december 2024, T-560/21, ECLI:EU:T:2024:914
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
18 december 2024 ( *1 )
„Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Aanwerving – Kennisgeving van vacature – Afwijzing van sollicitatie – Beroep tot nietigverklaring – Vertegenwoordiging van een instelling door een van haar personeelsleden – Procesbelang – Ontvankelijkheid – Motiveringsplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Aansprakelijkheid – Morele schade”
In zaak T‑560/21,
TB, vertegenwoordigd door L. Levi en N. Flandin, advocaten,
verzoekster,
tegen
Agentschap van de Europese Unie voor cyberveiligheid (Enisa), vertegenwoordigd door C. Chalanouli als gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: L. Truchot, president, M. Sampol Pucurull en T. Perišin (rapporteur), rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 8 november 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoekster, TB, nietigverklaring van ten eerste het besluit van het selectiecomité van het Agentschap van de Europese Unie voor cyberveiligheid (Enisa) van 10 november 2020 om haar naam niet op te nemen op de lijst van geslaagde kandidaten voor de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” en, ten tweede en in wezen, het besluit van het selectiecomité van Enisa van 12 januari 2021 om haar sollicitatie naar de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” niet in aanmerking te nemen, en daarnaast vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 1 november 2017 is verzoekster op grond van artikel 2, onder f), van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie door Enisa aangesteld als tijdelijk functionaris in de rang AD 9 om gedurende een periode van drie jaar, tot en met 31 oktober 2020, de post van hoofd van de afdeling „Financiën en aanbestedingen” te bekleden.
3 Tussen 15 mei en 17 november 2019 was verzoekster met ziekteverlof. Toen zij opnieuw aan de slag ging, was dit als hoofd van de afdeling „Beleidsbureau”.
4 Begin 2020 vond een reorganisatie van Enisa plaats. Na afloop hiervan werden de zeven oude afdelingen waaruit Enisa bestond, waaronder de afdelingen „Financiën en aanbestedingen” en „Beleidsbureau”, geherstructureerd in zes nieuwe afdelingen.
5 Op 26 februari 2020 heeft de raad van bestuur van Enisa besluit nr. MB/2020/5 betreffende de beginselen voor de interne reorganisatie van Enisa vastgesteld. Het negende in dit besluit geformuleerde beginsel, met als opschrift „Openheid”, bepaalde dat „nieuwe functies en posten binnen Enisa [zouden] worden ingevuld door middel van algemene vergelijkende onderzoeken of interne mobiliteit, op basis van open procedures en een transparante beoordeling van verdiensten en talenten”.
6 Op 5 augustus 2020 heeft Enisa op zijn website twee kennisgevingen gepubliceerd betreffende twee algemene vergelijkende onderzoeken ter invulling van de posten van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” (ENISA‑TA70‑AD‑2020‑04) en hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” (ENISA‑TA71‑AD‑2020‑05) (hierna samen: „kennisgevingen van vacatures van 5 augustus 2020”), die deel uitmaken van de zes nieuwe afdelingen die bij de reorganisatie van Enisa zijn gecreëerd. De voor elk van deze twee posten gekozen kandidaat zou worden aangeworven als tijdelijk functionaris in de rang AD 9 voor een duur van vijf jaar, die voor onbepaalde tijd kon worden verlengd.
7 Op 1 september 2020 heeft de uitvoerend directeur van Enisa mededeling van de administratie 2020‑11 betreffende de uitkomst van de gesprekken over interne mobiliteit vastgesteld. Dit document bevatte de conclusies van de gesprekken met de afdelingshoofden die voor interne mobiliteit in aanmerking kwamen, en preciseerde dat de vergelijking van de taken en functies in het kader van de huidige Enisa-structuren met de taken en functies van de nieuwe afdelingen het mogelijk had gemaakt de posten van drie afdelingshoofden door interne mobiliteit in te vullen. De posten van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” en van hoofd van afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” behoorden niet tot de posten waarvoor was vastgesteld dat zij door interne mobiliteit konden worden ingevuld.
8 Op 6 september 2020 heeft verzoekster zich kandidaat gesteld in de twee vergelijkende onderzoeken die waren georganiseerd ter invulling van, ten eerste, de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” (hierna: „eerste litigieuze vergelijkend onderzoek”) en, ten tweede, die van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” (hierna: „tweede litigieuze vergelijkend onderzoek”).
9 Op 17 september 2020 heeft elk lid van de twee voor de litigieuze vergelijkende onderzoeken ingestelde selectiecomités een verklaring inzake belangenconflicten ingevuld en ondertekend.
10 Bij brief van de uitvoerend directeur van Enisa, die op 10 november 2020 aan verzoekster is meegedeeld, werd zij in kennis gesteld van het besluit van het selectiecomité om haar naam niet op te nemen op de lijst van geslaagde kandidaten voor de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” (hierna: „eerste bestreden besluit”).
11 Op 10 december 2020 heeft de uitvoerend directeur van Enisa, tijdens een vraag-en-antwoordsessie over de reorganisatie van Enisa, de naam van de in het kader van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek geselecteerde kandidaat mondeling meegedeeld aan alle personeelsleden. De aanwijzing van de geslaagde kandidaat werd officieel meegedeeld aan het personeel van Enisa bij e‑mail van 12 januari 2021.
12 Bij e‑mail van 3 januari 2021 heeft verzoekster een verzoek om toegang tot haar persoonsgegevens betreffende de twee litigieuze vergelijkende onderzoeken ingediend.
13 Bij e‑mail van 10 januari 2021 heeft verzoekster een verzoek om toegang tot de informatie over de twee litigieuze vergelijkende onderzoeken ingediend. Zij wenste informatie te verkrijgen over haar resultaten en die van de andere kandidaten.
14 Bij brief van 29 januari 2021, door verzoekster ontvangen op 3 februari daaraanvolgend, heeft Enisa op haar verzoek om toegang tot persoonsgegevens geantwoord op grond van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39). In het bijzonder heeft Enisa verzoekster bij die brief in kennis gesteld van, ten eerste, de beoordeling van haar sollicitatie voor het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek, waarbij werd bevestigd dat zij na het interview en de schriftelijke toets niet de drempel had bereikt die vereist was om haar naam op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek te kunnen plaatsen, en, ten tweede, de beoordeling van haar sollicitatie voor het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek, waarbij Enisa aangaf dat verzoekster niet de vereiste drempel had bereikt om voor de eerste fase van dat vergelijkend onderzoek te slagen.
15 Op 9 februari 2021 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het eerste bestreden besluit en tegen het besluit van het selectiecomité van Enisa om haar sollicitatie naar de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” niet in aanmerking te nemen.
16 Bij besluit van 9 juni 2021 heeft Enisa de klacht van verzoekster afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
Conclusies van partijen
17 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het eerste bestreden besluit nietig te verklaren; – het besluit van het selectiecomité van Enisa om haar sollicitatie naar de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” niet in aanmerking te nemen, nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – Enisa te veroordelen tot vergoeding van haar immateriële schade; – Enisa te verwijzen in de kosten.
18 Enisa verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Voorwerp van de vorderingen tot nietigverklaring
Identificatie van het besluit waarop de tweede vordering betrekking heeft
19 Blijkens de rechtspraak kan de identificatie van de bestreden handeling impliciet volgen uit de inhoud van het verzoekschrift, met name uit de argumenten die tot staving van de voor het Gerecht aangevoerde middelen zijn aangevoerd, op voorwaarde dat de bestreden handeling, samen met de in de conclusies bedoelde handeling, deel uitmaakt van één en hetzelfde geschil, en dat de verwerende partij de bestreden handeling heeft kunnen identificeren en haar rechten van verdediging dus niet zijn geschaad (zie arrest van 22 december 2022, Parlement/Moi, C‑246/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:1026, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster nietigverklaring vordert van het besluit dat volgens de lijst van bijlagen bij het verzoekschrift overeenkomt met bijlage A.26 bij het dossier. Deze bijlage bevat de in punt 14 hierboven vermelde brief van 29 januari 2021, waarbij Enisa heeft geantwoord op haar verzoek om toegang tot haar persoonsgegevens.
21 Vastgesteld moet worden dat de brief van 29 januari 2021 noch tot doel noch tot gevolg had dat verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat haar sollicitatie niet in aanmerking was genomen voor de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”, maar enkel beoogde te antwoorden op haar verzoek om haar persoonsgegevens overeenkomstig de toepasselijke regeling te verstrekken.
22 Zoals blijkt uit punt 11 hierboven, was verzoekster op de datum van haar verzoek om mededeling van de persoonsgegevens echter reeds op de hoogte van de naam van de geslaagde kandidaat voor de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”, die de uitvoerend directeur van Enisa op 10 december 2020 mondeling had meegedeeld tijdens een vraag‑en‑antwoordsessie, en die vervolgens bij e‑mail van 12 januari 2021 officieel aan het personeel van Enisa was meegedeeld.
23 Bijgevolg vormt de officiële mededeling van de naam van de geslaagde kandidaat voor de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”, bij e‑mail van 12 januari 2021, het besluit van het selectiecomité van Enisa om verzoeksters sollicitatie naar die post niet in aanmerking te nemen. De officiële mededeling van deze informatie impliceert namelijk noodzakelijkerwijs dat verzoeksters sollicitatie in het kader van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek werd afgewezen.
24 Aangezien de e‑mail van 12 januari 2021, samen met de brief van 29 januari 2021 deel uitmaakt van één en hetzelfde geschil, en Enisa in staat was de bestreden handeling te identificeren en zijn rechten van verdediging dus niet zijn geschaad, moet dus worden geoordeeld dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van het selectiecomité van Enisa om verzoeksters sollicitatie naar de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” niet in aanmerking te nemen, betrekking heeft op het besluit van 12 januari 2021, dat is opgenomen in bijlage A.25 bij het dossier (hierna: „tweede bestreden besluit”), en niet op de brief van 29 januari 2021.
Vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht
25 Volgens vaste rechtspraak vormen de administratieve klacht, zoals bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut, en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan, een onderdeel van een complexe procedure en vormen zij slechts een voorwaarde om beroep te kunnen instellen bij de rechter. In deze omstandigheden heeft het beroep, zelfs indien dit formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan die van het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie arrest van 19 oktober 2022, JS/CRU, T‑271/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:652, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In casu zij opgemerkt dat het besluit tot afwijzing van de klacht louter een bevestiging is van het eerste en het tweede bestreden besluit (hierna samen: „bestreden besluiten”) en geen andere strekking heeft. Het feit dat de raad van bestuur van Enisa, in antwoord op de door verzoekster in haar klacht aangevoerde argumenten, preciseringen heeft gegeven over de motivering van die besluiten, kan niet rechtvaardigen dat de afwijzing van de klacht wordt beschouwd als een zelfstandige handeling die voor verzoekster bezwarend is, aangezien de motivering van die afwijzing in wezen overeenkomt met die van de besluiten waartegen die klacht is gericht. Bijgevolg moet verzoeksters beroep tot nietigverklaring worden geacht te zijn gericht tegen de bestreden besluiten, waarvan de rechtmatigheid eventueel moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht.
27 Bijgevolg moet worden aangenomen dat de vorderingen tot nietigverklaring uitsluitend zijn gericht tegen de bestreden besluiten.
Ontvankelijkheid
Middel van niet-ontvankelijkheid betreffende Enisa’s vertegenwoordiging
28 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang betoogt verzoekster dat in casu niet was voldaan aan de in de rechtspraak gestelde voorwaarde van vertegenwoordiging door een onafhankelijke advocaat die voldoende afstand heeft tot de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Een van de gemachtigden die Enisa in de onderhavige procedure vertegenwoordigen, is namelijk de persoon die in aanmerking is genomen voor een van de litigieuze functies.
29 Enisa betwist dit betoog van verzoekster, met name omdat deze persoon binnen een groep van drie gemachtigden, bijgestaan door een advocaat, slechts de hoedanigheid van medegemachtigde heeft. Om elke schijn van gebrek aan onafhankelijkheid te vermijden, heeft Enisa niettemin het mandaat van twee van de drie aanvankelijk aangestelde gemachtigden ingetrokken en het mandaat ad litem van de derde gemachtigde, bijgestaan door dezelfde advocaat, behouden.
30 In de eerste plaats luidt artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van toepassing is op het Gerecht: „De lidstaten zowel als de instellingen van de Unie worden voor het Hof van Justitie vertegenwoordigd door een voor elke zaak benoemde gemachtigde; de gemachtigde kan door een raadsman of door een advocaat worden bijgestaan. […] De andere partijen moeten door een advocaat worden vertegenwoordigd. […]”
31 Voorts bepaalt artikel 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht: „De partijen moeten door een gemachtigde of een advocaat worden vertegenwoordigd op de wijze bepaald in artikel 19 van het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie].”
32 Volgens artikel 1, lid 2, onder g), van het Reglement voor de procesvoering wordt onder „instellingen” verstaan de instellingen van de Europese Unie als bedoeld in artikel 13, lid 1, VEU, en de organen en instanties die zijn opgericht bij de Verdragen of een handeling ter uitvoering daarvan en die voor het Gerecht partij kunnen zijn.
33 Uit deze bepalingen volgt dus dat Enisa – een orgaan dat oorspronkelijk is opgericht bij verordening (EG) nr. 460/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk‑ en informatiebeveiliging (PB 2004, L 77, blz. 1), en thans valt onder de bepalingen van verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa, en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie‑ en communicatietechnologieën en tot intrekking van verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening) (PB 2019, L 151, blz. 15) – voor het Gerecht moet worden vertegenwoordigd door een voor elke zaak aangewezen gemachtigde, die in voorkomend geval wordt bijgestaan door een raadsman of advocaat.
34 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de doelstelling van de vertegenwoordiging van andere dan de in artikel 19, eerste en tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde partijen door een advocaat erin bestaat te voorkomen dat particuliere partijen zelf in rechte optreden zonder dat zij een beroep doen op een tussenpersoon, alsmede te waarborgen dat rechtspersonen worden verdedigd door een vertegenwoordiger die voldoende afstand heeft tot de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt (zie arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 In dit verband heeft het Hof benadrukt dat de in artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde taak van een advocaat om zijn cliënt te vertegenwoordigen – die wordt verricht in het belang van een goede rechtsbedeling – in de eerste plaats tot doel heeft de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen, waarbij de advocaat geheel onafhankelijk dient op te treden en de wet alsook de beroeps‑ en gedragsregels in acht dient te nemen (zie arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 De voorwaarde van onafhankelijkheid van de advocaat wordt niet alleen negatief omschreven, namelijk als het ontbreken van een dienstverband tussen de advocaat en zijn cliënt, maar ook positief, namelijk onder verwijzing naar de beroepsethiek (zie arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Wat de positieve definitie van het begrip „onafhankelijkheid” van de advocaat betreft, heeft het Hof uitdrukkelijk benadrukt dat dit begrip niet aldus moet worden opgevat dat er generlei band tussen de advocaat en zijn cliënt mag bestaan, maar wel in die zin dat er tussen beide geen band mag bestaan die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van de advocaat om zich te kwijten van de op hem rustende taak om zijn cliënt te verdedigen door diens belangen zo goed mogelijk te behartigen en daarbij de wet alsook de beroeps‑ en gedragsregels in acht te nemen (zie arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 De Unierechter verricht bij de toepassing van de door het Unierecht aan de vertegenwoordigers van niet-bevoorrechte partijen gestelde voorwaarde van onafhankelijkheid namelijk een beperkte toetsing, in die zin dat hij het bij hem ingestelde beroep enkel niet-ontvankelijk verklaart in de gevallen waarin de betrokken vertegenwoordiger klaarblijkelijk niet in staat is om zich te kwijten van de op hem rustende taak om zijn cliënt te verdedigen door diens belangen zo goed mogelijk te behartigen, zodat die vertegenwoordiger in het belang van zijn cliënt moet worden geweerd (zie arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In de derde plaats zij echter vastgesteld dat de in de punten 34 tot en met 38 hierboven vermelde rechtspraak louter is ontwikkeld met betrekking tot de vertegenwoordiging door een advocaat van niet-bevoorrechte partijen in de zin van artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
40 Zoals blijkt uit de punten 30 tot en met 33 hierboven is Enisa, dat voor het Gerecht moet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde, eventueel bijgestaan door een advocaat, een bevoorrechte partij in de zin van artikel 19, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
41 Bijgevolg zijn de beginselen die voortvloeien uit de in de punten 34 tot en met 38 hierboven vermelde rechtspraak niet van toepassing op Enisa.
42 In de vierde plaats, zelfs in de veronderstelling dat de beginselen die voortvloeien uit de in de punten 34 tot en met 38 hierboven vermelde rechtspraak kunnen worden toegepast op bevoorrechte partijen in de zin van artikel 19, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, blijkt uit de geschriften van verzoekster niet dat zij de onafhankelijkheid van de derde gemachtigde of van de advocaat die Enisa in de onderhavige procedure vertegenwoordigt in twijfel trekt.
43 Bijgevolg dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid van verzoekster te worden afgewezen.
Middel van niet-ontvankelijkheid betreffende verzoeksters procesbelang
44 Enisa betoogt dat verzoekster geen procesbelang meer heeft, aangezien zij ongeveer tien dagen na de instelling van het onderhavige beroep ontslag heeft genomen. Enisa wijst erop dat verzoekster vrijwillig ontslag heeft genomen om een ander functie te vervullen, hetgeen aantoont dat zij niet langer voor Enisa wilde werken.
45 Volgens Enisa is verzoeksters situatie niet vergelijkbaar met die van een ambtenaar die invalide is, die er niet voor heeft gekozen zich in een medische toestand te bevinden die hem belet zijn werkzaamheden uit te oefenen en die, indien hij zich in een omkeerbare situatie bevindt, de door hem stopgezette werkzaamheden kan hervatten.
46 Voorts stelt Enisa dat indien verzoekster in casu in het gelijk zou worden gesteld, zij niet automatisch terug haar functie bij Enisa zou bekleden, aangezien haar naam, afhankelijk van de uitvoering van het arrest, op de reservelijst zou worden geplaatst, zonder enig subjectief recht om te worden geselecteerd en een nieuwe overeenkomst te krijgen.
47 Enisa betwist ook verzoeksters argument dat zij een procesbelang behoudt teneinde te voorkomen dat de gestelde onrechtmatigheid zich in de toekomst in het kader van een soortgelijke procedure opnieuw voordoet. Het merkt in dit verband op dat verzoekster thans voor een andere werkgever werkt en dat haar belang om de onderhavige procedure voort te zetten zuiver juridisch is.
48 Verzoekster betwist de gegrondheid van Enisa’s betoog.
49 In dit verband zij eraan herinnerd dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en de uitslag van het beroep de partij die dit beroep heeft ingesteld dus een voordeel kan opleveren. Het bewijs van een dergelijk belang, dat moet worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep is ingesteld en dat de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte vormt, moet door verzoekster worden geleverd (zie arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑236/17 P, EU:C:2019:258, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Er moet sprake zijn van een verkregen en daadwerkelijk procesbelang. Het mag geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen. Dit belang moet, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing. De rechterlijke instantie waarbij het geding aanhangig is, kan het ontbreken van een belang van een partij bij handhaving van haar verzoek wegens een feit dat zich na de datum van het gedinginleidend stuk heeft voorgedaan, ambtshalve en in elke stand van het geding opwerpen (zie arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑236/17 P, EU:C:2019:258, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Het is namelijk zo dat indien het procesbelang van de verzoekende partij in de loop van de procedure verdwijnt, een beslissing ten gronde van het Gerecht hem dan geen voordeel kan verschaffen (arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 43).
52 Uit de rechtspraak volgt dat een ambtenaar die door zijn ontslagneming heeft doen blijken van zijn wil tot beëindiging van de dienstbetrekking met de instelling waar de vacatures zijn ontstaan welke bij de bestreden handeling werden vervuld, in beginsel geen persoonlijk belang meer heeft bij de nietigverklaring van die handeling (zie in die zin arrest van 29 oktober 1975, Marenco e.a./Commissie, 81/74‑88/74, EU:C:1975:139, punten 6 en 7).
53 Het is juist dat het procesbelang van een verzoekende partij niet noodzakelijkerwijs verdwijnt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. De door deze handeling geraakte persoon kan er immers belang bij behouden dat deze nietig wordt verklaard, om zijn situatie te herstellen of om de auteur van de aangevochten handeling ertoe te brengen in de toekomst passende wijzigingen aan te brengen en aldus het risico te voorkomen dat de onrechtmatigheid die beweerdelijk aan de aangevochten handeling kleeft, wordt herhaald. Zelfs in gevallen waarin het voor de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling is uitgegaan, door omstandigheden onmogelijk blijkt te zijn om haar verplichting na te komen om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij die nietigverklaring is uitgesproken, kan er een belang blijven bestaan bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring, omdat het de grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering zou kunnen opleveren (zie arrest van 30 juni 2022, Camerin/Commissie, C‑63/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:516, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Het staat evenwel aan de verzoekende partij om te bewijzen dat zij een procesbelang heeft, wat de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte is. In het bijzonder kan het door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een handeling slechts ontvankelijk zijn wanneer de verzoekende partij haar belang bij de nietigverklaring van die handeling afdoende aantoont (zie arrest van 30 juni 2022, Camerin/Commissie, C‑63/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:516, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster op 7 oktober 2021, dat wil zeggen bijna een maand na de instelling van het onderhavige beroep, ontslag heeft genomen bij Enisa, aangezien het verzoekschrift is neergelegd op 2 september 2021. Met haar ontslag heeft verzoekster dus blijk gegeven van haar voornemen om niet langer voor Enisa te werken.
56 Er zij evenwel op gewezen dat verzoekster haar vorderingen tot nietigverklaring vergezeld heeft doen gaan van een vordering tot vergoeding van de immateriële schade die zij door de onrechtmatige handelingen van Enisa stelt te hebben geleden. Zij beklemtoont dat zij een procesbelang behoudt om in geval van nietigverklaring van de bestreden besluiten vergoeding te vorderen van de immateriële schade die uit die besluiten voortvloeit.
57 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat verzoekster, hoewel zij na de instelling van het onderhavige beroep ontslag heeft genomen, overeenkomstig de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden besluiten. Bijgevolg moet het middel van niet-ontvankelijkheid op grond dat verzoekster geen procesbelang heeft, ongegrond worden verklaard.
Ten gronde
Vorderingen tot nietigverklaring
58 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste middel betreft de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten, voor zover zij voortvloeien uit het stilzwijgend besluit om de posten van hoofd van de afdeling „Beleidsbureau” en hoofd van de afdeling „Financiën en aanbestedingen” niet open te stellen voor interne mobiliteit en uit de kennisgevingen van vacature van 5 augustus 2020, welk besluit en welke kennisgevingen volgens verzoekster eveneens onrechtmatig zijn. Het tweede middel betreft de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, voor zover dit beginsel de verplichting omvat om handelingen van de Unie te motiveren. Het derde middel is uitsluitend gericht tegen het eerste bestreden besluit en betreft de schending van het beginsel van onpartijdigheid van de jury, schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en schending van artikel 14 van besluit nr. MB/2013/6 van de raad van bestuur van Enisa, betreffende de interne procedureregels voor de raad van bestuur van Enisa en de uitvoerende raad van Enisa.
59 Het Gerecht dient eerst het tweede middel te onderzoeken, dat de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, voor zover het de verplichting tot motivering van de bestreden besluiten omvat.
60 Met haar tweede middel betoogt verzoekster dat Enisa niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur, dat het recht omvat om voldoende informatie te ontvangen om een rechtshandeling te kunnen betwisten.
61 Wat het eerste bestreden besluit betreft, merkt verzoekster ten eerste op dat daarin enkel werd vermeld dat het selectiecomité haar naam niet had kunnen plaatsen op de lijst van de kandidaten die voor het eerste bestreden vergelijkend onderzoek waren geselecteerd.
62 Verzoekster preciseert dat zij pas na haar verzoeken van 3 en 10 januari 2021 op 3 februari 2021 uiteindelijk de beoordeling van haar interview en schriftelijke toets heeft ontvangen, bestaande uit een beoordelingsformulier en een tabel met commentaar en cijfers.
63 Ten tweede voert verzoekster aan dat de beoordeling die zij heeft ontvangen haar niet in staat stelt om de overeenkomst tussen de opmerkingen en de cijfers in de tabel te begrijpen, aangezien sommige zeer positieve opmerkingen overeenkomen met een cijfer van 7,5/10, terwijl andere opmerkingen die ook zeer positief zijn en geen kritiek bevatten, overeenkomen met een score van 6,5/10.
64 In de derde plaats voert verzoekster met name aan dat er geen aanvullende informatie is bij het schriftelijke examen waarvoor zij een cijfer van 23,5/40 heeft behaald.
65 Wat het tweede bestreden besluit betreft, benadrukt verzoekster ten eerste dat zij heeft vernomen dat haar sollicitatie voor het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek was afgewezen toen de uitvoerend directeur van Enisa bij e‑mail van 12 januari 2021 aan het personeel van Enisa de naam had bekendgemaakt van de geslaagde kandidaat voor de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”.
66 Verzoekster preciseert dat zij pas nadat zij daarom had verzocht, op 3 februari 2021 uiteindelijk de beoordeling van haar sollicitatie voor het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek heeft ontvangen.
67 Ten tweede betoogt verzoekster dat de beknopte motivering van haar beoordeling niet voldoet aan de vereisten van de rechtspraak en haar niet in staat stelt te begrijpen waarom zij zelfs niet toegelaten werd tot het vergelijkend onderzoek, ondanks haar eerdere beroepservaring die zij gedurende een periode van drie jaar bij Enisa heeft opgedaan als hoofd van de afdelingen „Financiën en aanbestedingen” en „Beleidsbureau”.
68 Ten derde betoogt verzoekster dat er incoherenties bestaan tussen het beoordelingsformulier voor de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” en dat betreffende de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”.
69 Wat ten slotte de bestreden besluiten betreft, stelt verzoekster dat zij informatie over de andere kandidaten had moeten ontvangen overeenkomstig punt 5 van de kennisgevingen van vacature van 5 augustus 2020, volgens hetwelk „[a]lle verzoeken om inlichtingen of om informatie over het vergelijkend onderzoek, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de resultaten van de kandidaten, […] naar het volgende e‑mailadres [moeten] worden gezonden”.
70 Enisa betwist de gegrondheid van verzoeksters betoog.
71 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 25, tweede alinea, tweede volzin, van het Statuut iedere voor [de ambtenaar] nadelige beslissing met redenen dient te zijn omkleed. Die verplichting komt overeen met de meer algemene verplichting die is neergelegd in artikel 296, tweede alinea, VWEU en in artikel 41 van het Handvest, dat het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, met name lid 2, onder c), van dat artikel.
72 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting om een bezwarend besluit van een van de instellingen van de Unie te motiveren, ten doel de Unierechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te kunnen stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Hieruit volgt dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld en dat het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure bij de Unierechter kennis krijgt van de redenen van het besluit (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 De verplichting voor de administratie om haar besluiten te motiveren is dus niet enkel de uitdrukking van de transparantie van de handelingen van de administratie in algemene zin, maar zij moet daarenboven particulieren in staat stellen om met volledige kennis van zaken te beslissen of het voor hen zin heeft om zich tot de rechter te wenden. Er bestaat dus een nauw verband tussen enerzijds de motiveringsplicht en anderzijds het fundamentele recht op een effectieve rechterlijke bescherming en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest (zie arrest van 22 september 2021, JR/Commissie, T‑435/20, EU:T:2021:608, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Bovendien moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Europese Unie zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat zelfs wanneer het betrokken besluit bepaalde sporen van een motivering bevatte, toch sprake kon zijn van een ontbrekende motivering. Tegenstrijdige of onbegrijpelijke redeneringen worden dan ook gelijkgesteld met het ontbreken van een motivering. Hetzelfde geldt wanneer de motivering in het betrokken besluit dermate onvolledig is dat zij de adressaat, in de context van de vaststelling ervan, op geen enkele wijze in staat stelt om de redenering van de opsteller ervan te begrijpen. De Unierechter gaat derhalve nauwkeurig na of er sprake is van een rudimentaire motivering wanneer hij moet beslissen of het toelaatbaar is om in de loop van de procedure de motivering aan te vullen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Ten slotte moet de motiveringsplicht volgens de rechtspraak worden verzoend met de inachtneming van het in artikel 6 van bijlage III bij het Statuut geformuleerde beginsel, volgens hetwelk de werkzaamheden van de jury geheim zijn. Die werkzaamheden zijn geheim verklaard teneinde de onafhankelijkheid en de objectiviteit van hun werkzaamheden te waarborgen, door hen te beschermen tegen inmenging en druk van buitenaf van zowel de administratie van de Unie zelf als de betrokken kandidaten of derden. De eerbiediging van dit geheim brengt derhalve mee dat de opvattingen van de individuele juryleden niet ruchtbaar mogen worden en dat gegevens, verband houdende met beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, niet aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven (zie arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 In die omstandigheden moet het vereiste van motivering van de besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek dan ook rekening houden met de aard van de betrokken werkzaamheden (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 25).
79 De werkzaamheden van een jury van een vergelijkend onderzoek omvatten in de regel ten minste twee verschillende fasen, namelijk in de eerste plaats het onderzoek van de sollicitaties om de kandidaten te selecteren die tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten, en in de tweede plaats het onderzoek naar de bekwaamheden van de kandidaten voor het te vervullen ambt, teneinde een reservelijst op te stellen (zie arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 In het licht van deze beginselen moet worden beoordeeld of Enisa het beginsel van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen voor zover het de verplichting tot motivering van de bestreden besluiten omvat.
– Eerste bestreden besluit
81 In de eerste plaats blijkt uit punt 4 van de kennisgeving van vacature van het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek, die is opgenomen in bijlage A.26 bij het dossier, dat het selectiecomité, voor de invulling van de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur”, in een eerste fase moest beoordelen of de kandidaten over de „vereiste kwalificaties en ervaring” beschikten om voor het betrokken vergelijkend onderzoek in aanmerking te komen.
82 Vervolgens blijkt uit punt 5 van die kennisgeving dat de in aanmerking komende kandidaten in een tweede fase werden uitgenodigd om zich te onderwerpen aan een „selectieprocedure” bestaande in twee toetsen: een interview en een schriftelijke toets.
83 In casu blijkt uit punt 10 hierboven dat de uitvoerend directeur van Enisa verzoekster op 10 november 2020 in kennis heeft gesteld van het besluit van het selectiecomité om haar naam niet op te nemen op de lijst van kandidaten die in het kader van dat vergelijkend onderzoek zijn geselecteerd. Zoals blijkt uit de punten 12 tot en met 14 hierboven, heeft Enisa verzoekster, nadat zij om toegang tot haar persoonsgegevens had verzocht, op 29 januari 2021 de beoordeling van haar sollicitatie in het kader van het eerste betrokken vergelijkend onderzoek meegedeeld, waarbij het bevestigde dat zij na het interview en de schriftelijke toets niet de vereiste drempel had bereikt om haar naam op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek te kunnen plaatsen.
84 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het eerste bestreden besluit valt onder de tweede fase van de werkzaamheden van de jury van het vergelijkend onderzoek, als bedoeld in punt 79 hierboven.
85 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat de tweede fase van de werkzaamheden van de jury van het vergelijkend onderzoek vooral vergelijkend van aard is en uit dien hoofde gedekt wordt door het geheim van die werkzaamheden (zie arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Aangezien de motiveringsplicht bij een vergelijkend onderzoek of, meer in het algemeen, in een selectieprocedure moet worden verzoend met de inachtneming van het geheim van de beraadslagingen van de jury, vormt de mededeling van de cijfers van de kandidaat, voor zover deze de vergelijkende beoordelingen van de jury weergeven, in beginsel dus een afdoende motivering (zie arrest van 28 februari 2008, Neirinck/Commissie, C‑17/07 P, EU:C:2008:134, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 Uit punt 73 hierboven blijkt echter dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld.
88 Met name op het gebied van vergelijkende onderzoeken die na afloop van de tweede fase van de werkzaamheden van de jury toegang geven tot ambten van ambtenaren of tijdelijke functionarissen van de Unie, moeten aan de kandidaat die de examens betreffende die tweede fase heeft afgelegd, in beginsel tegelijk met het besluit om zijn naam niet op te nemen op de lijst van kandidaten die in het kader van dat vergelijkend onderzoek zijn geselecteerd, de voor die examens behaalde cijfers worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 28 februari 2008, Neirinck/Commissie, C‑17/07 P, EU:C:2008:134, punten 50‑60).
89 Op dit bijzondere domein en behoudens buitengewone omstandigheden zoals die welke kenmerkend zijn voor de organisatie van vergelijkende onderzoeken met een groot aantal deelnemers, stelt de rechtspraak de naleving van de motiveringsplicht immers niet afhankelijk van de indiening van een verzoek, of het nu gaat om een voorafgaande klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut dan wel om een verzoek tot herziening (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 31 en 41).
90 Het eerste bestreden besluit luidt evenwel als volgt: „Aangaande uw sollicitatie in het kader van bovengenoemde selectieprocedure en het interview en de schriftelijke toets waartoe u werd uitgenodigd, wordt u bij deze brief meegedeeld dat het selectiecomité na een grondige beoordeling bij deze gelegenheid uw naam niet op de lijst van geslaagde kandidaten heeft kunnen plaatsen. Dit besluit doet geen afbreuk aan uw deelname aan eventuele toekomstige selectieprocedures bij Enisa waarvoor u aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. Ik herinner u eraan dat het nodig is een nieuwe sollicitatie in te dienen voor elke selectieprocedure waarvoor u belangstelling zou hebben. Ik wil van deze gelegenheid gebruikmaken om u te bedanken voor uw interesse in de activiteiten van Enisa en wens u veel succes in uw toekomstige carrière.”
91 Hieruit volgt dat het eerste bestreden besluit, waarbij verzoekster kennis heeft gekregen van de afwijzing van haar sollicitatie naar de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur”, enkel vermeldt dat zij niet door de selectieprocedure is geraakt. Daarbij stelt zij verzoekster enkel in kennis van de afwijzing van haar sollicitatie zonder haar in kennis te stellen van de cijfers die het selectiecomité in het kader van de twee toetsen van de selectieprocedure heeft toegekend.
92 Zoals blijkt uit punt 14 hierboven, heeft Enisa verzoekster op 29 januari 2021 de cijfers en de beoordeling van haar sollicitatie in het kader van het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek meegedeeld, waarbij het bevestigde dat zij na het interview en de schriftelijke toets niet de vereiste drempel had bereikt zodat haar naam niet op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek kon worden geplaatst.
93 Zoals blijkt uit de punten 12 tot en met 14 hierboven, heeft Enisa verzoekster echter pas naar aanleiding van haar verzoeken om toegang tot haar persoonsgegevens uiteindelijk de beoordeling van haar sollicitatie in het kader van het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek meegedeeld, met vermelding van de cijfers die zij voor de twee toetsen van de selectieprocedure had ontvangen.
94 In de derde plaats is het juist dat de jury, teneinde rekening te houden met de praktische problemen waarvoor zij zich bij een groot aantal deelnemers voor een dergelijk onderzoek geplaatst ziet, in een eerste fase aan de kandidaten enkel iets kan meedelen omtrent de criteria en het resultaat van de selectie, en pas later een individuele toelichting kan geven aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om verzoeken (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 In casu zijn de door de in punt 94 hierboven aangehaalde rechtspraak vereiste buitengewone omstandigheden evenwel niet aangetoond. Enisa heeft namelijk niet eens gesteld, laat staan aangetoond, dat de selectieprocedure voor het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek overeenkwam met een vergelijkend onderzoek met een groot aantal deelnemers, zodat dit agentschap vanuit praktisch oogpunt niet in staat zou zijn om elke kandidaat tijdig een toereikende motivering te geven en het ermee kon volstaan tot het in een later stadium verstrekken van een individuele toelichting aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om hadden verzocht.
96 Zoals Enisa ter terechtzitting heeft verklaard, werden van de 111 sollicitaties die in het kader van het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek werden ingediend slechts 14 kandidaten, waaronder verzoekster, uitgenodigd voor de tweede fase van dat vergelijkend onderzoek, bestaande uit een interview en een schriftelijke toets. In die omstandigheden zou een omstandig antwoord aan verzoekster dus niet tot een overbelasting voor Enisa hebben geleid, vooral omdat het een besluit betrof dat indirect tot gevolg had dat een functionaris zijn beroepsactiviteit niet kon voortzetten ten behoeve van het agentschap waarvoor zij meer dan drie jaar had gewerkt (zie in die zin arrest van 28 februari 2008, Neirinck/Commissie, C‑17/07 P, EU:C:2008:134, punt 58).
97 Derhalve moet worden geconcludeerd dat het eerste bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd.
– Tweede bestreden besluit
98 In de eerste plaats blijkt uit punt 4 van de kennisgeving van vacature van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek, die is opgenomen in bijlage A.26 bij het dossier, dat het selectiecomité, voor de invulling van de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten”, in een eerste fase moest beoordelen of de kandidaten over de „vereiste kwalificaties en ervaring” beschikten om voor het betrokken vergelijkend onderzoek in aanmerking te komen.
99 Vervolgens blijkt uit punt 5 van die kennisgeving dat de in aanmerking komende kandidaten in een tweede fase werden uitgenodigd om zich te onderwerpen aan een „selectieprocedure” bestaande uit twee toetsen: een interview en een schriftelijke toets.
100 In casu heeft verzoekster, zoals blijkt uit de punten 12 en 14 hierboven, in het kader van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek niet de vereiste drempel bereikt om te worden beoordeeld met betrekking tot de „vereiste kwalificaties en ervaring” en dus om te worden uitgenodigd voor het interview en vervolgens voor de schriftelijke toets.
101 Uit punt 4 van die kennisgeving van vacature blijkt inderdaad dat de selectie van de sollicitaties in twee fasen heeft plaatsgevonden. In het bijzonder moest het selectiecomité in het kader van de beoordeling van de „vereiste kwalificaties en ervaring” ten eerste onderzoeken of de kandidaten voldeden aan de „toelatingscriteria”. Ten tweede moest het selectiecomité voor de kandidaten die voldeden aan de „toelatingscriteria” onderzoeken of zij voldeden aan de „selectiecriteria”, bestaande uit vijf „criteria met hoge wegingsfactor” en drie „criteria met lage wegingsfactor”.
102 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de wijze van beoordeling van deze criteria weliswaar verschilde doordat de „selectiecriteria”, anders dan de „toelatingscriteria”, vergezeld gingen van een cijfermatige waardering, maar dat dit niet wegneemt dat de „selectiecriteria”, die ertoe strekten het bezit van bepaalde diploma’s, de duur van de beroepservaring in bepaalde sectoren en het bezit van bepaalde bekwaamheden te beoordelen, overeenkwamen met objectieve gegevens en niet onderworpen waren aan waardeoordelen van de jury. Bovendien maakt de kennisgeving van vacature een duidelijk onderscheid tussen de beoordeling van de „vereiste kwalificaties en ervaring”, bedoeld in punt 4 ervan, die de „toelatingscriteria” en de „selectiecriteria” omvat, en de eigenlijke „selectieprocedure”, bedoeld in punt 5 ervan, die het interview en de schriftelijke toets omvat.
103 Bijgevolg zij vastgesteld dat het tweede bestreden besluit onder de eerste fase van de werkzaamheden van de jury van het vergelijkend onderzoek valt, als bedoeld in punt 79 hierboven.
104 In dit verband bestaat die eerste fase, met name bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, in een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangde kwalificaties. Daar deze toetsing geschiedt aan de hand van objectieve gegevens die overigens aan elke sollicitant – voor zover hem betreft – bekend zijn, staat de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury niet in de weg aan de mededeling van die objectieve gegevens, en wel met name van de normen, gehanteerd bij de selectie waartoe in de preliminaire fase van het onderzoek werd overgegaan teneinde degenen wier sollicitaties nog vóór de aflegging van enig examen terzijde werden gelegd, in staat te stellen na te gaan om welke redenen zij mogelijkerwijze werden afgewezen (zie in die zin arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Zelfs wanneer de jury in een eerste fase slechts een summiere motivering hoeft te verstrekken, zoals bij een vergelijkend onderzoek met een groot aantal deelnemers, moet de motivering bovendien melding maken van de resultaten van het betrokken vergelijkend onderzoek, zonder dat van de kandidaten kan worden verwacht dat zij om mededeling ervan verzoeken (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 35 en 36).
106 Wat in de tweede plaats de motivering van het tweede bestreden besluit betreft, zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 11 hierboven, verzoekster slechts impliciet op de hoogte is gesteld van het resultaat van haar sollicitatie, toen de uitvoerend directeur van Enisa op 10 december 2020 tijdens een vraag‑ en antwoordsessie de naam van de in het kader van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek geselecteerde kandidaat mondeling aan alle personeelsleden heeft meegedeeld, en die naam vervolgens bij e‑mail van 12 januari 2021 officieel aan het personeel van Enisa is meegedeeld.
107 Uit de punten 12 en 14 hierboven blijkt eveneens dat verzoekster pas na toezending van de twee verzoeken van 3 en 10 januari 2021 op 3 februari 2021 de beoordeling van haar sollicitatie voor het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek heeft ontvangen, waarin haar werd meegedeeld dat zij niet de vereiste drempel had bereikt om te worden toegelaten tot de volgende fase van dat vergelijkend onderzoek.
108 Zoals in punt 23 hierboven is opgemerkt, vormt de officiële mededeling, bij e‑mail van 12 januari 2021, van de informatie over de naam van de kandidaat die is gekozen om te voorzien in het ambt van hoofd van de eenheid „Ondersteunende administratieve diensten” het besluit van het selectiecomité van Enisa om verzoeksters sollicitatie naar die post niet in aanmerking te nemen. De officiële mededeling van deze informatie impliceert namelijk noodzakelijkerwijs dat verzoeksters sollicitatie in het kader van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek werd afgewezen.
109 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster volledig toevallig heeft vernomen dat zij niet was toegelaten tot het onderhoud en de schriftelijke proef, terwijl uit punt 105 hierboven volgt dat de kandidaat voor een vergelijkend onderzoek ten aanzien waarvan na de eerste fase zoals omschreven in punt 104 hierboven een besluit inzake niet-toelating is genomen, ten minste op de hoogte moet worden gesteld van de uitkomst van die aanwervingsprocedure, zelfs in geval van een vergelijkend onderzoek met een groot aantal sollicitanten. Het resultaat van de aanwervingsprocedure waaraan een ambtenaar of functionaris heeft deelgenomen, vormt namelijk een minimumgegeven dat in ieder geval aan de kandidaten moet worden meegedeeld, aangezien van hen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij om de mededeling van dat resultaat verzoeken wanneer het bestaan zelf ervan hun niet bekend is.
110 Bijgevolg moet worden opgemerkt dat het tweede bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd.
111 Gelet op een en ander en in het licht van de in de punten 73, 88 en 89 hierboven aangehaalde rechtspraak, moet worden geconcludeerd dat Enisa zijn verplichting tot motivering van de bestreden besluiten niet is nagekomen en bijgevolg inbreuk heeft gemaakt op verzoeksters recht op behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest.
112 In herinnering dient te worden gebracht dat de Unierechter, wanneer hij uitspraak doet over de gevolgen van de nietigverklaring van een maatregel betreffende procedures voor de selectie van het personeel van de Unie, moet proberen om de belangen van de door een onregelmatigheid tijdens die procedure benadeelde kandidaten in overeenstemming te brengen met de belangen van de andere kandidaten, zodat het niet alleen rekening moet houden met de noodzaak om de benadeelde kandidaten in hun rechten te herstellen, maar ook met het gewettigd vertrouwen van de reeds gekozen kandidaten. Daartoe moet deze rechter rekening houden met de aard van de betrokken onregelmatigheid en de gevolgen ervan, alsmede met de verschillende mogelijke maatregelen die kunnen worden genomen om de noodzaak om de rechten van de benadeelde verzoeker te herstellen, de situatie van derden en het belang van de dienst met elkaar in overeenstemming te brengen. In het kader van deze beoordeling kunnen ook elementen van belang zijn zoals het aantal personen dat door de onregelmatigheid van de selectieprocedure is geraakt en het aantal geslaagde kandidaten (zie arrest van 8 mei 2019, Gemeenschappelijke onderneming Fusion for Energy/Galocha,C‑243/18 P, EU:C:2019:378, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 In casu moet ten eerste worden vastgesteld dat de gebreken van de bestreden besluiten bestaan in de schending van de motiveringsplicht, wat een wezenlijk vormvoorschrift is en waarvan de niet-naleving door de rechter ambtshalve kan worden onderzocht. Ten tweede blijkt uit het dossier niet dat deze gebreken enkel de bestreden besluiten zouden hebben aangetast, zodat niet kan worden uitgesloten dat de andere kandidaten die niet zijn toegelaten na de tweede fase van het eerste litigieuze vergelijkend onderzoek en de kandidaten die na de eerste fase van het tweede litigieuze vergelijkend onderzoek niet zijn toegelaten, met dezelfde onrechtmatigheid zijn geconfronteerd. Ten derde impliceert de eventuele nietigverklaring van de bestreden besluiten niet noodzakelijkerwijs dat verzoekster wordt aangesteld in een van de posten van hoofd van een afdeling waarnaar zij had gesolliciteerd. Ten vierde en ten slotte, gesteld al dat Enisa in het kader van de maatregelen om verzoekster in haar rechten te herstellen zou overwegen om over te gaan tot haar aanstelling in een van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde posten van hoofd van een afdeling, zou een dergelijke aanstelling in voorkomend geval slechts afbreuk kunnen doen aan de aanstelling van één enkele persoon. Gelet op een en ander bevindt het Gerecht zich dus niet in een uitzonderlijke situatie waarin de beslissing tot nietigverklaring als buitensporig moet worden beschouwd ten opzichte van de rechten van derden.
114 Bijgevolg moet verzoeksters tweede middel worden aanvaard, zonder dat de andere ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten hoeven te worden onderzocht, en moeten de bestreden besluiten nietig worden verklaard, zonder dat de andere door verzoekster aangevoerde middelen hoeven te worden onderzocht.
Vordering tot schadevergoeding
115 Ter ondersteuning van haar schadevordering stelt verzoekster immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de door Enisa begane onrechtmatigheden, die bij haar hebben geleid tot grote stress en gevoelens van onrechtvaardigheid en gebrek aan respect, die haar gezondheid en waardigheid hebben aangetast. Zij is van mening dat haar immateriële schade niet kan worden vergoed door de enkele nietigverklaring van de bestreden besluiten. Zij verzoekt dan ook Enisa te veroordelen tot betaling van een vergoeding, die naar redelijkheid en billijkheid wordt begroot op 5000 EUR.
116 Enisa voert geen argumenten aan met betrekking tot verzoeksters schadevordering.
117 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak voor de aansprakelijkheid van de Unie aan drie voorwaarden moet zijn voldaan, namelijk dat de aan de instellingen, organen of instanties verweten gedraging onrechtmatig is, dat de gestelde schade reëel en zeker is, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de verweten onrechtmatigheid en die schade (zie arrest van 13 januari 2021, Helbert/EUIPO, T‑548/18, EU:T:2021:4, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat immateriële schade in bepaalde gevallen kan worden geacht passend en afdoende te zijn hersteld door de nietigverklaring van de onrechtmatige handeling die eraan ten grondslag lag (zie arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie, C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 197 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 In casu moet worden vastgesteld dat, gelet op de aard van de door Enisa begane onrechtmatigheden en de aard van de gestelde schade, de nietigverklaring van de bestreden handelingen in de omstandigheden van het onderhavige geval een passend en toereikend herstel van de gestelde immateriële schade waarborgt.
120 Bijgevolg moeten de schadevorderingen van verzoekster ongegrond worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op de immateriële schade als gevolg van de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten.
Kosten
121 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Enisa in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Negende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van het selectiecomité van het Agentschap van de Europese Unie voor cyberveiligheid (Enisa) om de naam van TB niet op te nemen op de lijst van geslaagde kandidaten voor de post van hoofd van de afdeling „Bureau van de uitvoerend directeur” (ENISA‑TA70‑AD‑2020‑04) wordt nietig verklaard.
2) Het besluit van het selectiecomité van Enisa om de sollicitatie van TB naar de post van hoofd van de afdeling „Ondersteunende administratieve diensten” (ENISA‑TA71‑AD‑2020‑05) niet in aanmerking te nemen, wordt nietig verklaard.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) Enisa wordt verwezen in de kosten.
Truchot Sampol Pucurull Perišin Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 december 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 september 2022, C-619/20, ECLI:EU:C:2022:722
- HvJ EU 14 juli 2022, C-110/21, ECLI:EU:C:2022:555
- Gerecht EU 13 januari 2021, T-548/18, ECLI:EU:T:2021:4
- HvJ EU 11 juni 2020, C-114/19, ECLI:EU:C:2020:457
- HvJ EU 27 maart 2019, C-236/17, ECLI:EU:C:2019:258
- HvJ EU 28 februari 2008, C-17/07, ECLI:EU:C:2008:134
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322
- HvJ EU 4 juli 1996, C-254/95, ECLI:EU:C:1996:276