Gerecht EU 11 december 2024, T-440/22, ECLI:EU:T:2024:898

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

11 december 2024 ( *1 )

„Arbitragebeding – Subsidieovereenkomst voor het TTD.EU-project (‚European Quality Wines: Taste the Difference’) – Voorlichtings‑ en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen – Opschorting van de subsidieovereenkomst – Vermoedens van fraude in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een andere subsidieovereenkomst – Contractuele aansprakelijkheid”

In zaak T‑440/22,

Unione Italiana Vini Servizi Soc. coop. arl (UIV Servizi), gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door B. Bonafini, D. Rovetta en V. Villante, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA), vertegenwoordigd door S. Payan-Lagrou en V. Canetti als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: O. Porchia (rapporteur), president, M. Jaeger, L. Madise, P. Nihoul en S. Verschuur, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 6 maart 2024,

gezien het verzoek om afdoening zonder beslissing van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) van 10 september 2024,

gezien de beslissing om de mondelinge behandeling te heropenen,

gezien de opmerkingen van verzoekster over het verzoek om afdoening zonder beslissing van verzoekster die op 14 oktober 2024 ter griffie van het Gerecht zijn neergelegd,

gezien de beslissingen van 21 oktober 2024 om het verzoek om afdoening zonder beslissing te voegen met de zaak ten gronde en de mondelinge behandeling van de zaak te beëindigen,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 272 VWEU verzoekt verzoekster, Unione Italiana Vini Servizi Soc. coop. arl (UIV Servizi) om, ten eerste, het besluit van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) houdende opschorting van subsidieovereenkomst nr. 874904 voor het project „European Quality Wines: Taste the Difference – TTD.EU”, vervat in de brief van het REA van 2 mei 2022 (hierna: „brief houdende bevestiging van de opschorting”) ongeldig te verklaren, ten tweede, het REA te gelasten de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te heffen en, ten derde, het REA te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster daardoor stelt te hebben geleden.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is een Italiaanse vereniging die sinds 1895 bedrijven in de Italiaanse wijnsector vertegenwoordigt op Europees en internationaal niveau. Zij biedt een breed scala aan diensten voor wijnprofessionals, waaronder advies over Europese financiering en projecten.

3 Op 6 december 2019 hebben verzoekster, die optreedt als coördinator en begunstigde, en de Spaanse vereniging Organización Interprofesional del Vino de España (OIVE), die optreedt als begunstigde, met het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (Chafea) subsidieovereenkomst nr. 874904 gesloten voor de uitvoering van het project „European Quality Wines: Taste the Difference – TTD.EU”, dat tot doel heeft Italiaanse en Spaanse wijnen te promoten op de Chinese en Amerikaanse markt (hierna: „TTD.EU-subsidieovereenkomst”). Sinds 1 april 2021 is het REA verantwoordelijk voor de uitvoering van de acties van Chafea.

4 De TTD.EU-subsidieovereenkomst maakte deel uit van de oproep tot het indienen van voorstellen van 15 januari 2019 inzake subsidies voor voorlichtings‑ en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen overeenkomstig verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2019, C 18, blz. 4).

5 Krachtens artikel 3 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst had deze een looptijd van 36 maanden vanaf 1 maart 2020.

6 Bij brief van 16 april 2020 deelde de OIVE verzoekster mee dat zij haar deelname aan de TTD.EU-subsidieovereenkomst wenste te beëindigen met ingang van 1 maart 2020.

7 Bij brief van 29 mei 2020 heeft verzoekster Chafea verzocht om, ten eerste, een addendum bij de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te stellen om de opzegging van die overeenkomst door de OIVE te registreren en, ten tweede, Promotora d’Exportacions Catalanes, SA (Prodeca) als begunstigde toe te voegen. Dit addendum werd op 6 juli 2020 met Chafea gesloten.

8 Tussen 24 april en 1 november 2020 en tussen 18 januari en 22 mei 2021 werd het project opgeschort op grond van artikel 35 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst vanwege de COVID‑19-pandemie.

9 In februari 2021 werd door verzoekster een uitvoeringsorgaan voor het project van de TTD.EU-subsidieovereenkomst geselecteerd dat verantwoordelijk zou zijn voor de uitvoering van de acties om de doelstellingen van dit project te bereiken. Ópera Business Dreams SLU heeft de opdracht gekregen dit project uit te voeren.

10 Op 28 juli 2021 deelde verzoekster het REA via het deelnemersportaal mee dat de Guardia di Finanza di Milano (fiscale opsporingsdienst Milaan, Italië) op 27 mei 2021 een controle bij haar had uitgevoerd op basis van een opsporings‑ en inbeslagnemingsbevel dat op 24 mei 2021 door de openbare aanklager van de Italiaanse Republiek bij de Tribunale di Milano (rechter in eerste aanleg Milaan, Italië) was uitgevaardigd. Deze controle werd verricht in het kader van een strafrechtelijke procedure die op nationaal niveau was ingeleid tegen de algemeen directeur van verzoekster, de financieel directeur van verzoekster en de externe adviseur voor verzoekster en Veronafiere SpA wegens vermoedens van fraude (hierna: „strafrechtelijk onderzoek”). Voor het overige was deze controle, die betrekking had op subsidieovereenkomst nr. 826012, waarvan verzoekster coördinator en begunstigde is, namelijk de overeenkomst „Native Grapes Academy – NGA” (hierna: „NGA-subsidieovereenkomst”), gericht op de contractuele verhouding tussen Veronafiere en verzoekster en op het naast elkaar bestaan van twee hoofdovereenkomsten tussen deze twee vennootschappen.

11 Op 6 augustus 2021 vond er tussen verzoekster en de verantwoordelijke voor de TTD.EU-subsidieovereenkomst binnen het REA een videoconferentie (hierna: „videoconferentie van 6 augustus 2021”) plaats waarop verzoekster nadere informatie over het strafrechtelijk onderzoek heeft verstrekt. Bij die gelegenheid had de binnen het REA voor de TTD.EU-subsidieovereenkomst verantwoordelijke persoon volgens verzoekster opgemerkt dat, aangezien het strafrechtelijk onderzoek betrekking had op een afzonderlijke subsidieovereenkomst, namelijk de NGA-subsidieovereenkomst, hij het niet nodig achtte maatregelen te nemen voor de uitvoering van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, die dus normaal kon blijven worden uitgevoerd.

12 Na de videoconferentie van 6 augustus 2021 heeft het REA de door verzoekster verstrekte informatie doorgestuurd naar het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Bij nota van 13 januari 2022 werd het REA ervan in kennis gesteld dat OLAF op 7 december 2021 een onderzoek had geopend naar beschuldigingen van fraude en andere onregelmatigheden bij de uitvoering van door verzoekster, Veronafiere en andere entiteiten met de Europese Unie gesloten subsidieovereenkomsten, waaronder de TTD.EU-subsidieovereenkomst (hierna: „OLAF-onderzoek”). In die nota stond ook dat er in de fase van de opening van het onderzoek geen preventieve administratieve maatregelen waren overwogen.

13 Op 27 januari 2022 verzocht het Europees Openbaar Ministerie in Milaan de rechter voor vooronderzoeken bij de Tribunale di Milano om het strafrechtelijk onderzoek met 6 maanden te verlengen.

14 Bij brief van 23 februari 2022 [ref. Ares(2022) 1381304] (hierna: „vooraankondigingsbrief”) heeft het REA verzoekster te kennen gegeven dat het voornemens was de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten op grond van artikel 33.2 van die overeenkomst. In die brief verklaarde het REA het volgende: „Op basis van de ontvangen informatie dat tegen uw organisatie in Italië een strafrechtelijk onderzoek loopt wegens vermoedelijke fraude, zijn wij van mening dat de uitvoering [van de TTD.EU-subsidieovereenkomst] niet kan worden voortgezet en moet worden opgeschort totdat de situatie is opgehelderd.”

15 Op 22 maart 2022 heeft verzoekster opmerkingen gemaakt in antwoord op de vooraankondigingsbrief. Zij voerde met name aan dat zij als rechtspersoon bij geen enkele strafprocedure betrokken was en dat het strafrechtelijk onderzoek waarnaar het REA verwijst betrekking had op twee van haar werknemers.

16 Met de brief houdende bevestiging van de opschorting, bevestigde het REA zijn voornemen om de TTD.EU-subsidieovereenkomst met ingang van 8 mei 2022 op te schorten, wees het verzoeksters opmerkingen van de hand en verklaarde het met name dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst was gebaseerd op artikel 33.2.1, onder a), van die subsidieovereenkomst. Volgens het REA waren de natuurlijke personen tegen wie het strafrechtelijk onderzoek was ingesteld immers gemachtigd om verzoekster te vertegenwoordigen of om namens haar besluiten te nemen, hetgeen overeenkomstig artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst grond opleverde om die overeenkomst op te schorten. Voorts heeft het REA dienaangaande verklaard dat het overeenkomstig die bepaling, zelfs indien het strafrechtelijk onderzoek nog liep en er op dat ogenblik geen bewijzen van onregelmatigheden of fraude waren, de TTD.EU-subsidieovereenkomst kon opschorten in geval van vermoedens van fraude teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen.

17 Bij e-mail van 6 mei 2022 verzocht verzoekster om een vergadering in Brussel (België) met het REA om de brief houdende bevestiging van de opschorting te bespreken en om te proberen tot een minnelijke schikking te komen.

18 Op 24 mei 2022 werd in het kader van het OLAF-onderzoek (zie punt 12 hierboven) bij verzoekster in Italië een controle ter plaatse verricht om na te gaan of zij onregelmatigheden had begaan in verband met projecten die door de Unie worden gefinancierd, waaronder het project waarop de TTD.EU-subsidieovereenkomst betrekking had.

19 Op 25 mei 2022 heeft het REA de betalingen opgeschort op grond van artikel 31.1, onder c), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst omdat er twijfel bestond over de subsidiabiliteit van de in de jaarrekeningen gedeclareerde kosten en er dus aanvullende controles, herzieningen, audits of onderzoeken nodig waren.

20 Bij e-mail van 30 mei 2022 heeft het REA afwijzend gereageerd op verzoeksters vraag om een vergadering (zie punt 17 hierboven) omdat het OLAF-onderzoek aan de gang was en het derhalve niet in staat was concrete vragen over de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst of het OLAF-onderzoek te bespreken.

21 Op 12 juli 2022 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

Feiten en procedures na de instelling van het beroep

22 Op 12 juli 2022 heeft het Europees Openbaar Ministerie in Milaan de rechter voor vooronderzoeken bij de Tribunale di Verona (rechter in eerste aanleg Verona, Italië) verzocht om preventief beslag te leggen op het bedrag van 2085810,96 EUR van verzoekster. Op 13 september 2022 wees de rechter voor vooronderzoeken bij de Tribunale di Verona het verzoek toe en gelastte hij de preventieve inbeslagname van 2085810,96 EUR ten laste van verzoekster en, indien de beslagname van dit bedrag onmogelijk zou blijken, de inbeslagname van de goederen van verzoekster ten belope van dit bedrag.

23 Bij brief van 23 september 2022 verzocht verzoekster de Tribunale di Verona om de door die rechter gelaste preventieve inbeslagname te heroverwegen.

24 Op 2 februari 2023 heeft de procureur van de Corte dei conti (rekenkamer, Italië) van de regio Lombardije (Italië) verzocht om conservatoir beslag op de activa en bankrekeningen van verzoekster te leggen teneinde de in het kader van de NGA-subsidieovereenkomst aangewende middelen van de Unie te beschermen. Bij beschikking nr. 2/2023 van 13 februari 2023 heeft de rechter van de Corte dei conti van de regio Lombardije het beslag voor een bedrag van 2,085 miljoen EUR toegestaan, in afwachting van de bevestiging of wijziging van de beschikking tijdens een hoorzitting die gepland was voor 16 maart 2023. Nadat verzoekster dit bedrag op 23 februari 2023 had betaald, is de beschikking tot inbeslagname van de Corte dei conti van de regio Lombardije opgeheven en is de procedure beëindigd.

25 In een antwoord op een door het Gerecht voorgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang hebben partijen ter terechtzitting bevestigd dat het OLAF-onderzoek op 12 december 2022 werd afgesloten. Partijen hebben daarover tevens verklaard dat OLAF op basis van de conclusies van dat onderzoek aan het REA financiële aanbevelingen had gedaan en dat er op de datum van de hoorzitting nog geen maatregelen waren genomen om die aanbevelingen uit te voeren met betrekking tot de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

26 Op 10 september 2024 diende het REA een verzoek tot afdoening van de zaak zonder beslissing in waarbij dit agentschap het Gerecht meedeelde dat de schorsing van de TTD.EU-subsidieovereenkomst was opgeheven. In dat verband heeft het REA een brief van 13 mei 2024 overgelegd, waarin dat agentschap verzoekster had meegedeeld dat, na analyse van de resultaten van het OLAF-onderzoek en de recente uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek, de opschorting van genoemde subsidieovereenkomst kon worden opgeheven.

27 Nadat de mondelinge behandeling van de zaak op 14 oktober 2024 was heropend heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend over het verzoek om afdoening zonder beslissing van het REA. In die opmerkingen bevestigde zij weliswaar dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst was opgeheven en dat de uitvoering van die overeenkomst was hervat, maar verzette zij zich tegen het verzoek om afdoening zonder beslissing om verschillende redenen.

28 Ten eerste betoogt verzoekster dat het verzoek om afdoening zonder beslissing van het REA in een zeer laat stadium is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

29 Ten tweede voert verzoekster aan dat, hoewel het REA de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst „formeel” heeft opgeheven, dit agentschap thans „technische hindernissen” voor de praktische uitvoering van die overeenkomst aanvoert. Voorts wijst verzoekster er in dit verband op dat indien het REA de TTD.EU-subsidieovereenkomst formeel „reactiveert”, het daarmee eigenlijk erkent dat de aanvankelijke opschorting onjuist was, en te meer daar alle omstandigheden van de onderhavige zaak vanaf het begin ongewijzigd zijn gebleven.

30 Ten derde stelt verzoekster dat het REA, in plaats van het Gerecht een verzoek om afdoening zonder beslissing in te dienen, contact met haar had kunnen opnemen om de hervatting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en de gevolgen daarvan voor de onderhavige zaak te bespreken. Door aldus te handelen zonder haar van tevoren te informeren, heeft het REA te kwader trouw gehandeld.

31 Ten vierde is verzoekster van mening dat zij er belang bij heeft dat het Gerecht zich uitspreekt over de schadevordering en bijgevolg over de vraag of de aanvankelijke opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst al dan niet rechtmatig was. Zo het Gerecht zou erkennen dat de opschorting onrechtmatig was zou dit op zichzelf een procesbelang aantonen en een wezenlijke vorm van genoegdoening inhouden in de vorm van herstel van verzoeksters reputatie op de wijnmarkt.

Conclusies van partijen

32 In de laatste versie van haar memories verzoekt verzoekster het Gerecht in wezen: – het besluit tot opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, vervat in de brief houdende bevestiging van de opschorting, ongeldig te verklaren; – het REA te gelasten de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te heffen; – het REA ertoe te veroordelen haar 500000 EUR schadevergoeding te betalen; – vast te stellen dat het beroep een voorwerp heeft; – het REA te verwijzen in de kosten.

33 In de laatste versie van zijn memories verzoekt het REA het Gerecht in wezen: – vast te stellen dat er op het beroep geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan; – subsidiair, het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en volledig ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Arbitragebeding

34 Artikel 41.2, eerste alinea, van de TTD.EU-subsidieovereenkomst bevat een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU, waarbij het Gerecht en, in hogere voorziening, het Hof exclusief bevoegd wordt gemaakt om kennis te nemen van elk geschil over de uitlegging, de toepassing of de geldigheid van die overeenkomst dat niet in der minne kan worden geregeld.

Toepasselijk recht

35 Wanneer bij het Gerecht een geschil aanhangig wordt gemaakt krachtens een arbitragebeding op grond van artikel 272 VWEU, moet het dit beslechten op basis van het materiële recht dat op de overeenkomst van toepassing is (zie in die zin arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, EU:C:1986:501, punt 4).

36 In casu wordt de overeenkomst krachtens de in artikel 41.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst opgenomen rechtskeuzebeding beheerst door het toepasselijke Unierecht, zo nodig aangevuld door het Belgische recht.

37 Hieruit volgt dat, zoals partijen ter terechtzitting hebben bevestigd, de TTD.EU-subsidieovereenkomst wordt beheerst door de relevante bepalingen van het Unierecht, te weten met name het VWEU en verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”).

38 Bovendien moet worden gepreciseerd dat wanneer de instellingen, organen en instanties van de Unie een overeenkomst uitvoeren, zij onderworpen blijven aan de krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en de algemene beginselen van het Unierecht op hen rustende verplichtingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86). Indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, is die rechter dan ook bevoegd om, ongeacht het in de overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).

39 Om een leemte in de contractuele bepalingen of in de relevante bepalingen van het Unierecht op te vullen, wordt de TTD.EU-subsidieovereenkomst bovendien beheerst door het in de overeenkomst aangewezen nationale recht, in dit geval het Belgische recht.

40 Het is dus van belang de regels voor de uitvoering en de uitlegging van overeenkomsten in het Belgische recht te preciseren zoals dat gold ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

41 In de eerste alinea van artikel 1134 van het Belgische Burgerlijk Wetboek is bepaald dat „[a]lle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, […] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken]” en in de tweede alinea dat „[z]ij […] niet herroepen [kunnen] worden dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend”.

42 In artikel 1134, derde alinea, van het Belgische Burgerlijk Wetboek is verder bepaald dat de overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer worden gebracht. Artikel 1135 van datzelfde wetboek bepaalt dat „[o]vereenkomsten […] niet alleen [verbinden] tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend”.

43 Met betrekking tot de uitlegging van overeenkomsten bepaalt artikel 1156 van het Belgische Burgerlijk Wetboek dat men „in de overeenkomsten [moet] nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden”.

44 Ook bepaalt artikel 1157 van het Belgische Burgerlijk Wetboek dat „[w]anneer een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, […] men het veeleer [moet] opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan hebben, dan in die waarin het geen gevolg kan teweegbrengen”.

45 Ten slotte bepaalt artikel 1161 van het Belgische Burgerlijk Wetboek dat „[a]lle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit”, en omvat artikel 1162 van dit wetboek de regel van interpretatio contra proferentem, op grond waarvan „[i]n geval van twijfel […] de overeenkomst [wordt] uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft”.

Eerste vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht de brief houdende bevestiging van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst ongeldig te verklaren

46 Ter ondersteuning van deze eerste vordering voert verzoekster vier middelen aan: – ten eerste, de brief houdende bevestiging van de opschorting is onrechtmatig en artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst is onjuist toegepast; – ten tweede, het evenredigheidsbeginsel is geschonden; – ten derde, de brief houdende bevestiging van de opschorting is onrechtmatig en artikel 33.2.1, onder b), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst is niet toegepast; – ten vierde, het beginsel van behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest en de algemene Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en evenredigheid zijn geschonden en de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU zijn niet nageleefd.

47 Alvorens deze middelen te onderzoeken, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 In casu kan de opheffing van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst (zie punt 26 hierboven) – hetgeen overigens niet wil zeggen dat het opschortingsbesluit wordt ingetrokken – verzoekster niet tevredenstellen, voor zover zij met haar beroep beoogt dat het Gerecht uitspraak doet in het geschil tussen haar en het REA over de toepassing van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en verklaart dat het opschortingsbesluit ongeldig is. Aangezien het thans de bedoeling is dat de TTD.EU-subsidieovereenkomst verder wordt uitgevoerd, kan het beroep verzoekster meer bepaald tot voordeel strekken voor zover het de uitlegging van artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst verduidelijkt en voorkomt dat de gestelde inbreuk zich in de toekomst herhaalt.

49 Het verzoek van het REA om afdoening zonder beslissing moet dan ook worden afgewezen wat betreft de eerste vordering.

50 Bijgevolg moeten om te beginnen het eerste en het derde middel, ontleend aan de onrechtmatigheid van de brief houdende bevestiging van de opschorting, onjuiste toepassing van artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en niet-toepassing van artikel 33.2.1, onder b), van die subsidieovereenkomst, samen worden onderzocht.

51 Met het eerste en het derde middel verwijt verzoekster het REA in wezen artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst te hebben geschonden voor zover zij, ten eerste, als rechtspersoon niet betrokken was bij het strafrechtelijk onderzoek, dat betrekking had op twee van haar werknemers, te weten natuurlijke personen, die volgens het REA geen beslissingsbevoegdheid hadden. Ten tweede konden de twee bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken natuurlijke personen, gelet op het feit dat het strafrechtelijk onderzoek zich ten tijde van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst nog in de voorfase bevond, niet worden aangemerkt als „personen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude” in de zin van artikel 33.2.1, onder a), i), van die subsidieovereenkomst. Ten derde hadden de vermoedens van fraude geen betrekking op de TTD.EU-subsidieovereenkomst, maar op de NGA-subsidieovereenkomst, zodat het REA de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst had moeten baseren op artikel 33.2.1, onder b), daarvan, dat overeenkomt met artikel 202, lid 2, van het Financieel Reglement, waarvoor in casu evenwel niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden.

52 Aldus heeft het REA volgens verzoekster het in artikel 48, lid 1, van het Handvest neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld geschonden en de relevante feiten kennelijk onjuist beoordeeld. Het heeft ook het beginsel van goede trouw geschonden bij de uitvoering van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en verzaakt aan de verplichtingen inzake voorafgaande informatie en „resultaatswaarschuwing” naar Belgisch recht, wat bovendien vanuit het oogpunt van het Unierecht een schending vormt van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel. Het REA heeft haar tijdens de videoconferentie van 6 augustus 2021 – zo stelt verzoekster – immers meegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek geen gevolgen had voor de TTD.EU-subsidieovereenkomst, die volgens het REA dan ook zonder problemen kon worden voortgezet. Het REA besloot vervolgens zijn standpunt plotseling en op onverklaarbare wijze te wijzigen, zonder verzoekster daarvan vooraf in kennis te stellen, en stuurde verzoekster meteen de vooraankondigingsbrief.

53 Het REA betwist verzoeksters argumenten.

54 In de eerste plaats voert het REA aan dat de twee werknemers van verzoekster tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, als algemeen directeur en financieel directeur van verzoekster gemachtigd zijn om haar te vertegenwoordigen of namens haar besluiten te nemen, en dat artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst voorziet in de mogelijkheid om die overeenkomst op te schorten bij vermoedens van wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude ten aanzien van natuurlijke personen die gemachtigd zijn om de begunstigde te vertegenwoordigen of namens die persoon besluiten te nemen. Hieruit volgt dat de vermoedens van fraude met betrekking tot de twee werknemers van verzoekster voldoende grond opleverden om die subsidieovereenkomst op te schorten. In dit verband merkt het REA bovendien op dat uit de kennisgeving van afsluiting van de voorfase van het strafrechtelijk onderzoek van 12 december 2022 blijkt dat verzoekster ook als rechtspersoon bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken was.

55 In de tweede plaats voert het REA aan dat het, anders dan verzoekster stelt, het vermoeden van onschuld heeft geëerbiedigd van de werknemers tegen wie een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, voor zover het hen in het kader van dat onderzoek als „verdachten” en niet als „beklaagden” heeft beschouwd.

56 Volgens het REA moet namelijk vanuit het oogpunt van het Italiaanse strafprocesrecht een onderscheid worden gemaakt tussen de status van „verdachte” en die van „beklaagde”. Krachtens artikel 60 van het Italiaanse wetboek van strafvordering krijgt een verdachte de status van beklaagde wanneer hem een strafbaar feit wordt ten laste gelegd in een verzoek tot verwijzing naar het gerecht nadat de openbare aanklager de onderzoeksfase heeft afgesloten. In casu waren verzoeksters werknemers tegen wie het strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, ten tijde van de inleiding van de schorsingsprocedure echter niet in staat van beschuldiging gesteld en werden zij niet beschouwd als „beklaagden” in de zin van artikel 60 van het Italiaanse wetboek van strafvordering. Het REA benadrukt dat het zich hoofdzakelijk heeft gebaseerd op het feit dat de betrokken werknemers van verzoekster, in hun hoedanigheid van natuurlijke personen die gemachtigd waren om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar besluiten te nemen, het voorwerp uitmaakten van een strafrechtelijk onderzoek in Italië en op 7 juli 2021 formeel waren ingeschreven in het register van strafbare feiten, om ervan uit te gaan dat deze werknemers werden verdacht van fraude in de zin van artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en om die subsidieovereenkomst bijgevolg op te schorten.

57 Voorts betoogt het REA dat artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst tot doel heeft de financiële belangen van de Unie te beschermen door de opschorting mogelijk te maken van een overeenkomst waarbij subsidies worden toegekend aan een begunstigde die fraude heeft gepleegd of ervan wordt verdacht fraude te hebben gepleegd. Deze bepaling, die terug te vinden is in alle modelsubsidieovereenkomsten, geeft uitvoering aan artikel 131, lid 3, van het Financieel Reglement. Het doel van de opschortingsmaatregel van artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst zou worden ondermijnd indien het beginsel van het vermoeden van onschuld vereist, zoals verzoekster stelt, dat de opschorting pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat de verdachte door een strafrechter schuldig is bevonden.

58 Ook benadrukt het REA in dupliek dat de door verzoekster gehanteerde uitlegging, volgens welke alleen het project waarvoor er beschuldigingen van onregelmatigheid of fraude zijn geuit kan worden opgeschort, noch door de toepasselijke regels noch door de rechtspraak wordt ondersteund. Indien het strafrechtelijk onderzoek op basis van vermoedens van fraude betrekking had op de NGA-subsidieovereenkomst, konden de vermoedens volgens het REA ook betrekking hebben op de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

59 In de derde plaats herhaalt het REA het argument dat het bij de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst niet heeft gehandeld op basis van een onjuiste veronderstelling, aangezien vaststaat dat de twee bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken werknemers van verzoekster zowel op het tijdstip waarop zij de vooraankondigingsbrief verzond als op het tijdstip waarop zij de brief houdende bevestiging van de opschorting verzond, werden verdacht van fraude in de zin van het Italiaanse strafrecht.

60 In de vierde plaats stelt het REA om te beginnen dat het de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft toegepast in overeenstemming met het beginsel van goede trouw dat wordt gewaarborgd door de artikelen 1134 en 1156 van het Belgische Burgerlijk Wetboek. In dit verband benadrukt het REA dat het zich heeft gehouden aan artikel 33.2.2 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, waarin is bepaald dat wanneer dit agentschap voornemens is de uitvoering van de overeenkomst op te schorten, het de begunstigde formeel in kennis moet stellen van zijn voornemen en de redenen daarvoor en hem moet verzoeken binnen 30 dagen na de kennisgeving zijn opmerkingen te maken. Het REA beklemtoont dat het aan zijn contractuele verplichtingen heeft voldaan door verzoekster op 23 februari 2022 een vooraankondigingsbrief toe te zenden, waarin het zijn voornemen om de overeenkomst op te schorten motiveerde en verzoekster verzocht binnen de gestelde termijn haar opmerkingen kenbaar te maken.

61 Vervolgens voegt het REA daaraan toe dat het weliswaar juist is dat verzoekster hem in juli 2021 overeenkomstig haar kennisgevingsverplichting uit hoofde van artikel 12 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op de hoogte had gebracht van het lopende strafrechtelijke onderzoek in Italië en de voor de TTD.EU-subsidieovereenkomst verantwoordelijke persoon binnen het REA en verzoekster hadden deelgenomen aan een vergadering per videoconferentie, maar dat het REA tijdens die vergadering geen formeel standpunt had ingenomen over de gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek.

62 In dit verband benadrukt het REA in dupliek dat het overwoog de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten in het licht van de feiten die tijdens het strafrechtelijk onderzoek aan het licht waren gekomen. Het REA verklaart dat de omstandigheid dat het op het ogenblik van de vooraankondigingsbrief op de hoogte was van het OLAF-onderzoek irrelevant is, voor zover het gebonden is door geheimhouding van dergelijke onderzoeken en voor zover de vooraankondigingsbrief niet verwijst naar of betrekking heeft op het genoemde onderzoek.

63 Ook hield het REA tijdens de hoorzitting en in lijn met hetgeen het in het verweerschrift had aangevoerd, staande dat het pas na op de hoogte te zijn gebracht van de opening van het OLAF-onderzoek in januari 2022 – welk onderzoek de verdenking van fraude door verzoekster zou hebben doen toenemen – had overwogen de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten.

64 Verzoekster heeft – zo vervolgt het REA – in tegenstelling tot wat zij beweert, geen ernstige schade geleden als gevolg van de verzending van de vooraankondigingsbrief enkele maanden na de videoconferentie van 6 augustus 2021, aangezien verzoekster tussen de verzending van de vooraankondigingsbrief op 23 februari 2022 en de inwerkingtreding van de schorsing op 7 mei 2022 de tijd had om zich op de schorsing voor te bereiden en een plan op te stellen om de gevolgen ervan te verzachten.

65 Met betrekking tot het argument dat het REA heeft geweigerd om tijdens de opschortingsprocedure en na de schorsingsbeslissing met verzoekster bijeen te komen om de zaak te onderzoeken, wijst het REA er bovendien op dat het, anders dan verzoekster stelt, niet verplicht was om na instelling van de opschortingsprocedure met verzoekster bijeen te komen. Overigens heeft het REA niet het recht om in gesprek te gaan met de begunstigde van een subsidieovereenkomst wanneer er een OLAF-onderzoek tegen die begunstigde aan de gang is.

66 Wat het argument inzake schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel betreft, voert het REA aan dat dit argument niet-ontvankelijk is en, subsidiair, dat het, anders dan verzoekster stelt, die beginselen wel degelijk heeft geëerbiedigd.

67 Wat ten slotte het argument betreft dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst had moeten worden gebaseerd op artikel 33.2.1, onder b), van die overeenkomst, welke bepaling een afspiegeling is van artikel 202, lid 2, van het Financieel Reglement en waarvoor echter niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden, voert het REA aan dat dit argument irrelevant is, aangezien in casu de TTD.EU-subsidieovereenkomst werd opgeschort krachtens artikel 33.2.1, onder a), ervan, welke bepaling een afspiegeling is van artikel 131 van het Financieel Reglement.

68 Het eerste en het derde middel stellen in wezen de voorvraag aan de orde of het REA, zoals verzoekster stelt, artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft geschonden door deze subsidieovereenkomst op te schorten.

69 Bijgevolg moet artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst zo worden uitgelegd dat deze bepaling het REA toestaat om deze overeenkomst op te schorten.

70 Artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst bepaalt het volgende: „Het agentschap kan de uitvoering van de actie of een deel ervan opschorten indien: a) een begunstigde (of elke natuurlijke persoon die gemachtigd is de begunstigde te vertegenwoordigen of namens hem besluiten te nemen) zich schuldig heeft gemaakt of ervan verdacht wordt zich schuldig te hebben gemaakt aan: i) aanzienlijke fouten, onregelmatigheden of fraude, dan wel ii) een ernstige inbreuk op de verplichtingen die voortvloeien uit deze overeenkomst of tijdens de gunningsprocedure (waaronder onjuiste uitvoering van de actie, indiening van een valse verklaring, niet verstrekken van de vereiste informatie, schending van ethische beginselen), of b) een begunstigde (of elke natuurlijke persoon die gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen of namens hem besluiten te nemen) – in de context van andere aan hem onder soortgelijke voorwaarden toegekende subsidies [van de Unie] of Euratom – systematische of terugkerende fouten, onregelmatigheden, fraude of ernstige inbreuken op verplichtingen heeft begaan met een significant effect op deze subsidie (uitbreiding tot deze subsidie van bevindingen die zijn gedaan in de context van andere subsidies – zie artikel 17.5.2).”

71 In casu moet worden vastgesteld dat het REA de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft opgeschort op grond van artikel 33.2.1, onder a), i), van die overeenkomst, omdat er tegen de algemeen directeur en de financieel directeur van verzoekster een strafrechtelijk onderzoek liep wegens vermoedens van fraude in verband met de uitvoering van een andere subsidieovereenkomst, te weten de NGA-subsidieovereenkomst.

72 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst dat het REA de uitvoering van die overeenkomst kan opschorten, onder meer op grond van vermoedens van fraude ten aanzien van zowel de begunstigde onderneming als „elke natuurlijke persoon die gemachtigd is [haar] te vertegenwoordigen of namens [haar] besluiten te nemen”. Hieruit volgt dat, zoals het REA terecht aanvoert, vermoedens van fraude met betrekking tot de algemeen directeur en de financieel directeur van verzoekster in beginsel grond opleveren om de TTD.EU-subsidieovereenkomst te schorsen, voor zover de algemeen directeur en de financieel directeur, zoals hier het geval is, bevoegd zijn om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar besluiten te nemen.

73 Ondanks verzoeksters pogingen om haar algemeen directeur en haar financieel directeur voor te stellen als louter werknemers zonder beslissingsbevoegdheid, blijkt uit het dossier dat verzoeksters financieel directeur zowel de TTD.EU-subsidieovereenkomst als de NGA-subsidieovereenkomst in haar naam heeft ondertekend, en het was verzoeksters algemeen directeur die namens haar zijn handtekening zette onder de voorafgaande gunningsbrief van 19 maart 2021 waarbij aan Ópera Business Dreams de opdracht voor de uitvoering van de acties in verband met de TTD.EU-subsidieovereenkomst is gegund.

74 In de tweede plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst dat het voldoende is dat de begunstigde (of elke natuurlijke persoon die gemachtigd is hem te vertegenwoordigen of namens hem besluiten te nemen) een aanzienlijke fout, onregelmatigheid of fraude heeft begaan of „ervan verdacht wordt” te hebben begaan om de subsidieovereenkomst op te schorten. Hieruit volgt dat het bestaan van fraude of het bewijs daarvan voor het REA niet vereist is om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten (zie in die zin arrest van 12 december 2013, ANKO/Commissie, T‑118/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:641, punt 46).

75 In casu moet worden nagegaan of het REA gerechtigd was verzoeksters algemeen directeur en financieel directeur aan te merken als „personen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude” in de zin van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op grond dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hen liep, met name gelet op het feit dat het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek zich op het ogenblik dat de brief houdende bevestiging van de opschorting werd verzonden nog in de voorfase bevond.

76 Dienaangaande betoogt verzoekster dat het REA voor de uitlegging van het begrip „persoon die ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude” in de zin van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, rekening had moeten houden met de wijze waarop dit begrip in het Italiaanse strafrecht wordt toegepast, en bijgevolg tot de slotsom had moeten komen dat de betrokken personen naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek niet als „verdachten” naar Italiaans recht konden worden beschouwd. Aangezien het strafrechtelijk onderzoek volgens verzoekster een nog steeds lopend vooronderzoek is dat nog niet is afgesloten door een beslissing om de zaak voor de inbeschuldigingstelling naar de bevoegde rechter te verwijzen, kon het REA de betrokken personen immers niet aanmerken als personen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude. In dit verband benadrukt verzoekster dat volgens artikel 60 van het Italiaanse wetboek van strafvordering de betrokkene pas formeel kan worden beschouwd als „beklaagde” en dus als „persoon die ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude” wanneer het openbaar ministerie het vooronderzoek heeft afgesloten en de inbeschuldigingstelling vraagt.

77 In dit verband zij erop gewezen dat artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst in algemene zin verwijst naar vermoedens van „aanzienlijke fouten, onregelmatigheden of fraude”, zonder de oorsprong of de bron van dergelijke vermoedens te specificeren. Het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek op basis van vermoedens van fraude ten aanzien van de twee natuurlijke personen die gemachtigd zijn om verzoekster te vertegenwoordigen of in haar naam besluiten te nemen, kan derhalve een bron van „vermoedens van fraude” zijn in de zin van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

78 Zonder zich uit te spreken over de relevantie en de draagwijdte van artikel 60 van het Italiaanse wetboek van strafvordering voor de uitlegging van de bepalingen van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, kan aan deze vaststelling niet worden afgedaan door het feit dat dit strafrechtelijk onderzoek zich ten tijde van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst volgens de door verzoekster aangevoerde uitlegging van het Italiaanse strafrecht in een voorfase bevond.

79 Na deze verduidelijking moet worden bepaald of het REA in casu de TTD.EU-subsidieovereenkomst op grond van artikel 33.2.1, onder a), i), ervan kon opschorten, ondanks het feit dat de vermoedens van fraude tegen de algemeen directeur en de financieel directeur van verzoekster voortvloeiden uit een strafrechtelijk onderzoek dat betrekking had op een andere subsidieovereenkomst dan de TTD.EU-subsidieovereenkomst, namelijk de NGA-subsidieovereenkomst.

80 Op dit punt zijn partijen het oneens over de uitlegging van artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst en met name over het verschil tussen de bepaling onder a) en de bepaling onder b) van dat artikel.

81 In antwoord op een vraag hierover ter terechtzitting heeft het REA kort samengevat betoogd dat op grond van artikel 33.2.1, onder b), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst deze subsidieovereenkomst kon worden opgeschort wanneer werd vastgesteld dat er fraude was gepleegd in de context van andere overeenkomsten, terwijl op grond van artikel 33.2.1, onder a), i), de TTD.EU-subsidieovereenkomst kon worden opgeschort bij louter „vermoedens van fraude”. Aangezien artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst niet specifiek verwijst naar die overeenkomst, kunnen vermoedens van fraude met betrekking tot de uitvoering van andere subsidieovereenkomsten volgens het REA worden aangemerkt als vermoedens van fraude die een geldige grond kunnen opleveren om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten in de zin van die bepaling. Indien het de bedoeling van de opsteller van deze overeenkomst was om de mogelijkheid tot opschorting te beperken tot gevallen waarin fraude werd vermoed in verband met de TTD.EU-subsidieovereenkomst, zou hij dit immers hebben gespecificeerd, zoals hij heeft gedaan in artikel 33.2.1, onder a), ii), van die overeenkomst.

82 Volgens verzoekster daarentegen moet artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst zo worden uitgelegd dat de bepaling onder a) de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst alleen rechtvaardigt in geval van vermoedens van fraude in verband met de uitvoering van die overeenkomst, terwijl de bepaling onder b) de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst toestaat in geval van fraude in verband met andere overeenkomsten. Voorts wijst zij er in dit verband op dat, indien de door het REA voorgestane uitlegging geldig zou zijn, er geen verschil zou zijn tussen de bepaling onder a) en de bepaling onder b) van artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

83 Met betrekking tot de uitlegging van artikel 33.2.1 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, moet eraan worden herinnerd dat men overeenkomstig artikel 1156 van het Belgische Burgerlijk Wetboek bij de uitlegging van overeenkomsten moet „nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden”.

84 Bovendien moet worden benadrukt dat het REA volgens artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst de subsidieovereenkomst kan opschorten, zowel indien de begunstigde „zich schuldig heeft gemaakt” aan fraude als wanneer de begunstigde „ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt” aan fraude.

85 Zoals het REA opmerkt, verwijst artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst inderdaad niet specifiek naar die overeenkomst, zodat vermoedens van fraude met betrekking tot de uitvoering van een andere overeenkomst grond zouden kunnen opleveren om de TTD.EU-overeenkomst op te schorten.

86 Evenwel moet worden benadrukt dat artikel 33.2.1, onder a), ii), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst naar die overeenkomst verwijst en dat het REA volgens artikel 33.2.1, onder b), de TTD.EU-subsidieovereenkomst kan opschorten indien de begunstigde ervan – „in de context van andere aan hem onder soortgelijke voorwaarden toegekende subsidies [van de Unie] of Euratom – […] fraude […] heeft begaan”.

87 Overeenkomstig artikel 1161 van het Belgische Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan „[a]lle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit”, kan derhalve uit artikel 33.2.1, onder a), i) en ii), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst juncto artikel 33.2.1, onder b), van deze overeenkomst de conclusie worden getrokken dat artikel 33.2.1, onder a), i) grond oplevert om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten wanneer de begunstigde (of elke natuurlijke persoon die gemachtigd is hem te vertegenwoordigen of namens hem besluiten te nemen) bij de uitvoering van die overeenkomst fraude heeft gepleegd of vermoed wordt te hebben gepleegd. Anderzijds kan de TTD.EU-subsidieovereenkomst op grond van artikel 33.2.1, onder b) worden opgeschort wanneer de begunstigde (of elke natuurlijke persoon die gemachtigd is hem te vertegenwoordigen of namens hem besluiten te nemen) fraude heeft gepleegd bij de uitvoering van een andere overeenkomst, mits wordt aangetoond dat die fraude een significant effect heeft op de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

88 In dit verband moet worden benadrukt dat deze uitlegging, overeenkomstig artikel 1157 van het Belgische Burgerlijk Wetboek (zie punt 44 hierboven), het mogelijk maakt rechtsgevolgen te verlenen aan artikel 33.2.1, onder b), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

89 Zoals verzoekster terecht aanvoert, ontneemt de door het REA voorgestelde uitlegging van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst (zie punt 81 hierboven) uiteindelijk immers iedere betekenis aan artikel 33.2.1, onder b), van die overeenkomst, aangezien – volgens de uitlegging van het REA – artikel 33.2.1, onder a), reeds voorzag in de mogelijkheid om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten op grond van fraude in het kader van een andere subsidieovereenkomst, zodat het niet nodig zou zijn geweest te voorzien in de bepaling onder b).

90 Verder is deze uitlegging in overeenstemming met de regel van interpretatio contra proferentem, neergelegd in artikel 1162 van het Belgische Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan „[i]n geval van twijfel […] de overeenkomst [wordt] uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft”. Bijgevolg moet artikel 33.2.1, onder a), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst worden uitgelegd in het nadeel van het REA, dat deze bepaling heeft bedongen, en in het voordeel van verzoekster, die zich middels die bepaling heeft verbonden.

91 Derhalve moet worden vastgesteld dat loutere vermoedens van fraude met betrekking tot de uitvoering van een andere subsidieovereenkomst dan de TTD.EU-subsidieovereenkomst waarbij verzoekster betrokken was, niet kunnen worden aangemerkt als vermoedens van fraude in de zin van artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op grond waarvan die overeenkomst kan worden opgeschort.

92 Overigens had fraude met betrekking tot de uitvoering van een andere subsidieovereenkomst dan de TTD.EU-subsidieovereenkomst, zoals in punt 87 hierboven is benadrukt, grond kunnen opleveren om die subsidieovereenkomst op te schorten indien was voldaan aan de voorwaarden van artikel 33.2.1, onder b), ervan, te weten dat er fraude was gepleegd die een significant effect had op de TTD.EU-subsidieovereenkomst, wat hier niet het geval is. Aangezien het REA het besluit om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten niet op artikel 33.2.1, onder b), heeft gebaseerd omdat er geen fraude was aangetoond, heeft het niet onderzocht of er in casu was voldaan aan de tweede voorwaarde, namelijk of die fraude een significant effect had op de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

93 De andere argumenten van het REA doen niet af aan deze vaststelling.

94 Wat ten eerste het argument betreft dat het REA in wezen de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft opgeschort nadat het op de hoogte was gebracht van de opening van het OLAF-onderzoek, dat betrekking had op een aantal door verzoekster ondertekende subsidieovereenkomsten, waaronder de TTD.EU-subsidieovereenkomst, moet meteen worden opgemerkt dat dit argument wordt tegengesproken door het feit – zoals door het REA zelf in de dupliek wordt erkend (zie punt 62 hierboven) – dat zowel in de vooraankondigingsbrief als in de brief houdende bevestiging van de opschorting wordt gesteld dat de TTD.EU-subsidieovereenkomst uitsluitend was opgeschort wegens het strafrechtelijk onderzoek naar de algemeen directeur en de financieel directeur van verzoekster. In geen van beide documenten wordt verwezen naar het OLAF-onderzoek.

95 Bovendien moet in dit verband worden benadrukt dat de nota van 13 januari 2022 waarmee OLAF het REA in kennis stelde van de opening van zijn onderzoek, niet voorzag in de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst als preventieve administratieve maatregel (zie punt 12 hierboven).

96 Uit het dossier (zie punt 94 hierboven) kan worden opgemaakt dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst uitsluitend was ingegeven door het strafrechtelijk onderzoek naar vermoedens van fraude bij de uitvoering van de NGA-subsidieovereenkomst.

97 Het is juist dat het REA, net als elke instelling, orgaan en instantie van de Unie, erop moet toezien dat het vertrouwelijk karakter van de onderzoeken van OLAF wordt geëerbiedigd overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door [OLAF] en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1).

98 Uit de rechtspraak blijkt echter dat de in artikel 10, lid 3, van verordening nr. 883/2013 neergelegde regel van vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF in zijn context moet worden uitgelegd en met name in het licht van overweging 12 van verordening nr. 883/2013, waarin wordt gesteld dat de onderzoeken van OLAF moeten worden uitgevoerd onder volledige eerbiediging van de fundamentele vrijheden (zie in die zin arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 169).

99 In dit verband moet worden herinnerd aan artikel 33.2.2 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, waarin is bepaald dat „wanneer het REA voornemens is de uitvoering van [de TTD.EU-subsidieovereenkomst] op te schorten, het de begunstigde formeel in kennis stelt van zijn voornemen en de redenen daarvoor en hem verzoekt binnen 30 dagen na de kennisgeving zijn opmerkingen te maken”.

100 Hoewel het REA op grond van artikel 10, lid 3, van verordening nr. 883/2013 verplicht was om erop toe te zien dat het OLAF-onderzoek vertrouwelijk bleef, moest het dus overeenkomstig artikel 33.2.2 van de TTD.EU-subsidieovereenkomst ook voldoen aan de verplichting om de opschorting van die overeenkomst te motiveren, teneinde verzoekster in staat te stellen zich te verdedigen.

101 In deze context en gelet op de informatie in het dossier (zie punt 94 hierboven) kan de verplichting om het OLAF-onderzoek geheim te houden, waarnaar het REA bovendien op generieke wijze verwees na indiening van het verzoekschrift, niet aannemelijk maken dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst werd gemotiveerd door vermoedens van fraude met betrekking tot de uitvoering van die overeenkomst en niet van de NGA-subsidieovereenkomst.

102 Wat ten tweede het argument betreft dat het REA door de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft gehandeld in een geest van voorzichtigheid om de financiële belangen van de Unie te beschermen, moet worden opgemerkt dat de verplichting van goed financieel beheer van de middelen van de Unie, die krachtens artikel 317 VWEU op het REA als agentschap rust, het REA niet kan toestaan om de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te schorten in strijd met artikel 33.2.1, onder a), i), van die overeenkomst (zie in die zin arrest van 21 februari 2024, Greenspider/Eismea, T‑733/21, niet gepubliceerd, EU:T:2024:104, punt 39).

103 Derhalve moet worden geoordeeld dat het REA artikel 33.2.1, onder a), i), van de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft geschonden door te besluiten tot opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op grond dat verzoeksters algemeen directeur en financieel directeur, twee natuurlijke personen die gemachtigd waren om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar besluiten te nemen, werden verdacht van fraude in het kader van een andere subsidieovereenkomst dan de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

104 Gelet op een en ander moeten het eerste en het derde ter ondersteuning van de eerste vordering aangevoerde middel worden aanvaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere argumenten die verzoekster ter ondersteuning van die middelen heeft aangevoerd, noch over de andere ter ondersteuning van deze vordering aangevoerde middelen.

Tweede vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht het REA te gelasten om de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te heffen

105 Wat de tweede vordering betreft, zij eraan herinnerd dat het REA het Gerecht bij brief van 10 september 2024 heeft meegedeeld dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst was opgeheven en dat het REA en verzoekster waren overeengekomen de uitvoering van de overeenkomst te hervatten, hetgeen verzoekster heeft bevestigd (zie de punten 26 en 27 hierboven). Derhalve hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan over de tweede vordering.

Derde vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht het REA ertoe te veroordelen verzoekster 500000 EUR schadevergoeding te betalen

106 Verzoekster meent dat zij door de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst ernstige economische schade heeft geleden en vordert van het REA een schadevergoeding van 500000 EUR. Dit bedrag kan volgens haar in de loop van de procedure nader worden bepaald.

107 Op basis van een rapport van een door haar ingeschakelde deskundige (hierna: „rapport van de deskundige”) wijst verzoekster erop dat de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst negatieve economische gevolgen kan hebben voor de uitvoering van die overeenkomst, mocht deze worden hervat. Hoewel de doelstellingen en de begroting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst ongewijzigd blijven, zal de internationale economische en geopolitieke context, die met name wordt gekenmerkt door hogere grondstof‑ en energieprijzen en door moeilijkheden op het gebied van vervoer en logistiek, volgens verzoekster waarschijnlijk leiden tot een herziening van de offertes die zij in januari 2022 heeft ontvangen voor handelsbeurzen, workshops, conferenties en andere evenementen, waardoor zij genoodzaakt zou zijn de activiteiten aanzienlijk terug te schroeven in vergelijking met wat oorspronkelijk was gepland, bepaalde activiteiten te annuleren en uiteindelijk de TTD.EU-subsidieovereenkomst helemaal niet meer uit te voeren.

108 Verzoekster benadrukt dat zij een erkende professionele speler in de wijnsector is, zowel op nationaal en mondiaal niveau als op EU-niveau, en stelt bovendien dat de overhaaste schorsing van de TTD.EU-subsidieovereenkomst haar reputatie en imago schaadt wat betreft commerciële betrouwbaarheid, geloofwaardigheid, eerlijkheid en goede trouw in haar betrekkingen met partners.

109 Ook is de geleden schade volgens verzoekster zeker, aangezien de beoordeling van de nadelige gevolgen die waarschijnlijk uit de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst zullen voortvloeien, in het verzoekschrift gedetailleerd was uiteengezet.

110 Anders dan het REA stelt, is verzoekster bovendien van mening dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het gedrag van het REA, aangezien zij zonder de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst geen schade zou hebben geleden.

111 Het REA betwist deze argumenten en is van mening dat de vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade kennelijk ongegrond is.

112 Meteen zij erop gewezen dat, hoewel de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst is opgeheven (zie punt 26 hierboven), verzoekster door de hervatting van de uitvoering van deze overeenkomst geen resultaat kan verkrijgen dat gelijkwaardig is aan het resultaat dat zij nastreeft met de indiening van de vordering tot vergoeding van de schade die zij meent te hebben geleden door de opschorting van die subsidieovereenkomst.

113 Derhalve moet nog op verzoeksters schadevordering worden beslist.

114 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeksters schadevordering uitsluitend contractueel van aard is.

115 Zo moet eraan worden herinnerd dat de contractuele aansprakelijkheid van de Unie overeenkomstig artikel 340, eerste alinea, VWEU wordt beheerst door de wet die op het betrokken contract van toepassing is. Hier is dat, zoals reeds is vastgesteld in punt 36 hierboven, het toepasselijke Unierecht, zo nodig aangevuld door het Belgische recht.

116 Hieruit volgt dat, zoals in de punten 37 en 38 hierboven is uiteengezet, de TTD.EU-subsidieovereenkomst wordt beheerst door de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, in casu het VWEU, het Handvest en het Financieel Reglement en – om eventuele leemten in de contractuele bepalingen of de relevante bepalingen van Unierecht te dichten – door het in de overeenkomst aangewezen nationale recht, in casu het Belgische recht.

117 Bijgevolg is het in deze context, nu er geen bepalingen van Unierecht van toepassing zijn, passend te herinneren aan de voorwaarden voor contractuele aansprakelijkheid krachtens het Belgische recht die van kracht waren ten tijde van de sluiting en uitvoering van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

118 In de eerste plaats bepaalt artikel 1142 van het Belgische Burgerlijk Wetboek – dat deel uitmaakt van boek III, titel III, met het opschrift „Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen”, – dat „[i]edere verbintenis om iets te doen of niet te doen wordt opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt”.

119 In de tweede plaats schrijft artikel 1147 van het Belgische Burgerlijk Wetboek voor dat „[d]e schuldenaar […], indien daartoe grond bestaat, [wordt] veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet nakomen het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is”.

120 Uit deze bepalingen volgt dat de basis van contractuele aansprakelijkheid onder het Belgische Burgerlijk Wetboek de gehele of gedeeltelijke niet uitvoering van het contract door een van de contracterende partijen is. Om vergoeding te krijgen van de schade die is geleden als gevolg van de niet-uitvoering van een overeenkomst, ongeacht of deze schade van geldelijke aard is of niet, moet de verzoeker het bestaan van een oorzakelijk verband aantonen tussen de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen en de schade zoals die zich heeft voorgedaan (zie arrest van 4 mei 2017, Meta Group/Commissie, T‑744/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:304, punt 270 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

121 Zoals het REA opmerkt, zonder door verzoekster te worden tegengesproken, kan contractuele schade in deze context slechts worden vergoed indien drie voorwaarden zijn vervuld, te weten de niet-uitvoering van de overeenkomst, schade en een oorzakelijk verband tussen de niet-uitvoering en de schade (zie arrest van 4 mei 2017, Meta Group/Commissie, T‑744/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:304, punt 271 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

122 Met betrekking tot de eerste voorwaarde moet worden vastgesteld dat het REA, zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste vordering, de TTD.EU-subsidieovereenkomst heeft opgeschort in strijd met artikel 33.2.1, onder a), i), van die overeenkomst.

123 Aangezien de drie in punt 121 hierboven genoemde voorwaarden cumulatief zijn (arrest van 11 juni 2015, EMA/Commissie, C‑100/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:382, punt 100), moet worden onderzocht of aan de andere in punt 121 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

124 Met betrekking tot de tweede voorwaarde vordert verzoekster vergoeding van zowel materiële als immateriële schade.

125 Wat in het bijzonder de materiële schade betreft, vordert verzoekster vergoeding van de nadelige economische gevolgen die volgens haar voortvloeien uit de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst (zie punt 107 hierboven).

126 Hoewel verzoekster als gevolg van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst waarschijnlijk bepaalde handelsbeurzen, workshops, conferenties en andere in het kader van de uitvoering van de TTD.EU-subsidieovereenkomst geplande evenementen heeft moeten opschorten of annuleren, toont zij niet aan dat de door haar gestelde materiële schade zich in casu ook daadwerkelijk heeft voorgedaan.

127 In dit verband moet worden benadrukt dat verzoekster een rapport van de deskundige van 7 juli 2022 overlegt.

128 Het rapport van de deskundige vermeldt evenwel dat er op het moment van schrijven „geen sprake was van een werkelijk financieel verlies of gedaan voorschot: er was bijvoorbeeld geen enkel voorschot betaald […], geen enkele boete betaald en geen enkele waarborgsom vereffend”. Om die reden beperkt het rapport van de deskundige zich tot het opsommen van de „potentiële economische, financiële, geldelijke en niet-geldelijke risico’s die verzoekster mogelijk loopt als gevolg van de opschorting”.

129 Zo wordt in het rapport van de deskundige benadrukt dat Prodeca, de Spaanse begunstigde, „gedwongen werd af te zien van deelname aan de voedsel‑ en drankbeurs (China Food & Drinks Fair) te Chengdu in China, die aanvankelijk voor maart was gepland, vervolgens werd uitgesteld tot april, daarna verschoven naar juli-augustus 2022”, ondanks het feit dat zij „het evenement begin februari 2022 al had bevestigd en zij aan de organisatoren van het evenement een voorschot van 33500 EUR had betaald ter reservatie van de ruimte waar de stand van 85 vierkante meter zou worden opgezet”. Verzoekster legt weliswaar een kostenraming over om aan te tonen dat het voorschot van 33500 EUR moest worden betaald ter reservatie van de ruimte waar de stand van 85 vierkante meter zou worden opgezet, maar zij voert geen enkel bewijs aan waaruit blijkt dat dit bedrag daadwerkelijk is betaald.

130 Bovendien somt het rapport van de deskundige een hele reeks geplande handelsbeurzen op die vervolgens zijn geannuleerd of opgeschort. Met name voor het evenement „ProWine Shangai” bevat het rapport van de deskundige echter slechts een raming van de potentiële kosten, zonder dat enig document wordt overgelegd waaruit blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Evenzo wordt het bewijs van de louter indicatieve kostenraming voor verzoeksters deelname aan de andere in het rapport van de deskundige genoemde geannuleerde evenementen, zoals „WineTo Asia Shenzhen”, „Bellavita Chicago Expo”, „Summer Fancy Food edition” en „Texom in Dallas”, geleverd door brochures of activiteitenprogramma’s die geen facturen bevatten waaruit blijkt dat die kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt.

131 Wat ten slotte de lijst van komende workshops, business-to-businessevenementen voor e-commerce, seminars, opleidingen en handelsbeurzen in het rapport van de deskundige betreft, zij erop gewezen dat dit slechts een lijst van evenementen is – waarvan er een aantal trouwens plaatsvond vóór de datum van inwerkingtreding van de opschorting – die niet vergezeld gaat van een raming, zelfs niet ter indicatie, van de kosten.

132 Op een vraag dienaangaande ter terechtzitting antwoordde verzoekster dat de door haar gestelde materiële schade als reeds ontstane daadwerkelijke schade moet worden beschouwd, en kon zij overigens niet aangeven welke stukken van het dossier de gestelde materiële schade aantoonden en evenmin welke kosten zij als gevolg van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst zou hebben moeten dragen.

133 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat de materiële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, zich daadwerkelijk had voorgedaan op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift. Zoals het REA opmerkt, baseert zij haar vorderingen op loutere ramingen, hetgeen nog wordt bevestigd door het feit dat verzoekster het bedrag van de materiële schade waarvoor zij vergoeding vordert, niet precies aangeeft.

134 Voor de materiële schade vordert verzoekster vergoeding van de beweerde schade aan haar reputatie en imago die volgens haar het gevolg is van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst. Zij voert echter geen enkel bewijs aan tot staving van een dergelijke schade.

135 Ten slotte en subsidiair moet er met betrekking tot de derde voorwaarde inzake het bestaan van contractuele aansprakelijkheid op worden gewezen dat verzoekster niet onomstotelijk aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen de aan het REA verweten gedragingen en de gestelde schade.

136 Wat de gestelde materiële schade betreft, gesteld al dat een dergelijke schade is aangetoond (zie punt 133 hierboven), blijkt uit het rapport van de deskundige dat „als gevolg van de COVID‑19-pandemie en de daaruit voortvloeiende opschorting van de activiteiten, het programma sinds aanvang voortdurend te maken heeft gehad met nieuwe marktbehoeften en objectieve moeilijkheden bij de uitvoering van activiteiten, aangezien er voortdurend evenementen moesten worden geannuleerd of uitgesteld”. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat althans een deel van de extra kosten die verzoekster stelt te moeten dragen als gevolg van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst, in feite verband houdt met de COVID‑19-pandemie.

137 Wat de immateriële schade betreft, gesteld al dat een dergelijke schade is aangetoond (zie punt 134 hierboven), kan niet worden uitgesloten dat deze verband houdt met het strafrechtelijk onderzoek en niet met de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst.

138 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet de derde vordering dus worden afgewezen.

Kosten

139 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het REA op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1) Het besluit van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) houdende opschorting van subsidieovereenkomst nr. 874904 voor het project „European Quality Wines: Taste the Difference – TTD.EU”, vervat in de brief van het REA van 2 mei 2022, is ongeldig.

2) Op de tweede vordering, strekkende tot veroordeling van het REA tot opheffing van de opschorting van subsidieovereenkomst nr. 874904 voor het project „European Quality Wines: Taste the Difference – TTD.EU”, hoeft niet meer te worden beslist.

3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4) Het REA wordt verwezen in de kosten.

Porchia Jaeger Madise Nihoul Verschuur Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 december 2024. ondertekeningen

Inhoud

Voorgeschiedenis van het geding

Feiten en procedures na de instelling van het beroep

Conclusies van partijen

In rechte

Arbitragebeding

Toepasselijk recht

Eerste vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht de brief houdende bevestiging van de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst ongeldig te verklaren

Tweede vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht het REA te gelasten om de opschorting van de TTD.EU-subsidieovereenkomst op te heffen

Derde vordering, waarbij het Gerecht wordt verzocht het REA ertoe te veroordelen verzoekster 500000 EUR schadevergoeding te betalen

Kosten

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken