Gerecht EU 4 december 2024, T-158/23, ECLI:EU:T:2024:876

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

4 december 2024 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 2024]

„Openbare dienst – Ambtenaren – Beoordeling – Beoordelingsrapport – Beoordelingsjaar 2021 – Regelmatigheid van de procedure – Beginsel van onpartijdigheid”

In zaak T‑158/23,

Jean-Marc Colombani, wonende te Oudergem (België), vertegenwoordigd door N. de Montigny, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door R. Coesme, R. Spáč en S. Falek als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, I. Reine (rapporteur) en T. Pynnä, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 2 mei 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep bij het Gerecht krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, Jean-Marc Colombani, nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport voor het jaar 2021 (hierna: „bestreden beoordelingsrapport”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeker is ambtenaar in de rang AD 14 bij de Europese dienst voor extern optreden (EDEO). Hij is op 1 mei 1990 bij de Europese Commissie in dienst getreden.

3 Verzoeker heeft sinds 1 januari 2011 verschillende functies bekleed binnen EDEO. Tussen 22 juni 2011 en 31 mei 2016 was hij assistent van de uitvoerend secretaris-generaal van EDEO en van 1 juni 2016 tot 31 december 2016 was hij adviseur binnen het secretariaat-generaal. Na de benoeming van een nieuwe secretaris-generaal van EDEO werd hij met ingang van 1 januari 2017 aangesteld als adviseur van een van de drie plaatsvervangende secretarissen-generaal van EDEO. Op 1 mei 2020 is verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere vervangen.

4 Op 18 februari 2021 heeft verzoeker op grond van artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een verzoek om bijstand ingediend wegens vermeend psychisch geweld jegens hem, dat hij aan vier personen en in het bijzonder aan zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere verwijt. Bij besluit van 15 juni 2021 heeft EDEO dit verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op de handelingen van twee in dat verzoek genoemde personen. EDEO besloot echter een administratief onderzoek in te stellen naar verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere en een andere persoon.

5 De beoordelingsprocedure voor het jaar 2021 werd geopend op 2 februari 2022. In zijn zelfevaluatie heeft verzoeker melding gemaakt van zijn verzoek om bijstand wegens psychisch geweld door zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere.

6 In een e-mail aan het kabinet van zijn hiërarchieke meerdere heeft verzoeker zijn twijfels geuit over het bestaan van een belangenconflict in de zin van artikel 11 bis van het Statuut indien zijn hiërarchieke meerdere de beoordelingsprocedure zou uitvoeren.

7 Op 6 mei 2022 heeft verzoeker een telefonisch gesprek gevoerd met zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere over zijn beoordeling voor 2021.

8 Op 2 juni 2022 heeft verzoekers hiërarchieke meerdere het beoordelingsrapport van verzoeker als beoordelaar ondertekend. In dit rapport werden de prestaties van verzoeker als bevredigend beoordeeld. In de rubriek over de prestaties stond echter de volgende beoordeling: „Jean-Marc Colombani heeft in april 2021 ingestemd met een nieuwe taakomschrijving, die met name betrekking had op de volgende prioriteiten: 1/ civiel-militaire samenwerking 2/ de Indo-Pacifische regio 3/ strategisch inlichtingenwerk, waarbij het accent ligt op het Strategisch Kompas […] Jean-Marc heeft tot mijn spijt geen gevolg gegeven aan de derde prioriteit. Strategisch inlichtingenwerk in de context van het Kompas zou nuttig zijn geweest voor de onderhandelingen die afzonderlijk met de lidstaten zijn gevoerd, gelet op de nauwe verwevenheid met het publieke debat en de output van onderzoekscentra […].”

9 Op dezelfde dag heeft verzoeker beroep ingesteld tegen zijn beoordeling en verzocht om opschorting van zijn beoordelingsprocedure in afwachting van de uitkomst van de administratieve onderzoeken naar vermeend psychisch geweld die met name tegen zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere waren ingesteld. Verzoeker betwistte de onpartijdigheid van zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere als beoordelaar, aangezien er een dergelijk onderzoek tegen hem was ingesteld.

10 Na een gesprek met verzoeker op 28 juni 2022 heeft de secretaris-generaal van EDEO als beoordelaar in beroep op 13 juli 2022 de beoordeling van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere bevestigd.

11 Op 19 augustus 2022 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden beoordelingsrapport.

12 Op 25 oktober 2022 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag van EDEO besloten om het administratief onderzoek naar vermeend psychisch geweld tegen verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere zonder gevolg af te sluiten.

13 Op 20 december 2022 werd het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht vastgesteld.

Conclusies van partijen

14 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden beoordelingsrapport nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – EDEO te verwijzen in de kosten.

15 EDEO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Voorwerp van het beroep

16 Met zijn tweede vordering vraagt verzoeker om nietigverklaring, voor zover nodig, van het besluit tot afwijzing van de klacht.

17 Volgens vaste rechtspraak hebben vorderingen die formeel zijn gericht tegen een besluit tot afwijzing van een klacht dat geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend (zie arrest van 14 december 2017, RL/Hof van Justitie van de Europese Unie, T‑21/17, EU:T:2017:907, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18 In casu heeft het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud, aangezien het enkel het bestreden beoordelingsrapport bevestigt en de motivering van EDEO verduidelijkt door te antwoorden op verzoekers kritiek daarop. Dit besluit bevestigt namelijk – in navolging van de beoordelaar in beroep – dat verzoekers beoordelaar onpartijdig was en geen belangenconflicten had en dat de beroepsprocedure geldig was. Ook bevestigt dit besluit de beoordeling van het prestatieniveau van verzoeker voor 2021.

19 Bijgevolg moet het beroep worden geacht te zijn gericht tegen het bestreden beoordelingsrapport, waarvan de rechtmatigheid moet worden onderzocht met inachtneming van de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht (zie in die zin arrest van 9 november 2022, QM/Europol, T‑164/21, EU:T:2022:695, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Ten gronde

20 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan. Volgens het eerste middel zijn de regels die van toepassing zijn op de beoordelingsprocedure en de artikelen 11 bis, 12 bis en 24 van het Statuut geschonden en was de beoordelaar niet objectief en onpartijdig. Volgens het tweede middel is er sprake van een kennelijk onjuiste beoordeling en misbruik van bevoegdheid.

21 Wat het eerste middel betreft, zij er om te beginnen op gewezen dat artikel 24 van het Statuut betrekking heeft op de verplichting van de administratie om bijstand te verlenen aan haar ambtenaren en personeelsleden die met name het slachtoffer zijn van psychisch geweld. Het voorwerp van het onderhavige beroep is echter beperkt tot een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden beoordelingsrapport. Hieruit volgt dat het onderhavige beroep niet strekt tot nietigverklaring van een handeling in verband met het door verzoeker ingediende verzoek om bijstand. Bijgevolg moet het beroep op die bepaling als niet ter zake dienend worden afgewezen.

22 Dit middel valt derhalve uiteen in twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan een gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid van verzoekers beoordelaar en het tweede is ontleend aan schending van de regels die van toepassing zijn op de beoordelingsprocedure.

23 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel wijst verzoeker erop dat hij ten tijde van de opstelling van het bestreden beoordelingsrapport niet alleen een verzoek om bijstand had ingediend wegens vermeend psychisch geweld door zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere, maar dat de administratie ook had besloten een administratief onderzoek naar laatstgenoemde in te stellen, dat ten tijde van de vaststelling van het rapport niet was afgesloten. In deze context is het volgens verzoeker onwaarschijnlijk dat zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere, tegen wie het genoemde onderzoek liep, neutraal en onpartijdig is gebleven ten opzichte van verzoeker.

24 Verzoeker stelt dat zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere hem tijdens het beoordelingsgesprek heeft verweten een procedure tegen hem te hebben ingesteld. EDEO had dus moeten aannemen dat zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere noch in objectieve zin noch in subjectieve zin onpartijdig was ten opzichte van hem, en een andere beoordelaar moeten aanwijzen voor de beoordelingsprocedure voor 2021, zoals toegestaan bij besluit ADMIN(2022) 3 van de secretaris-generaal van EDEO van 24 januari 2022 tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 en artikel 44, lid 1, van het Statuut betreffende beoordelingsrapporten voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen.

25 Verzoeker is van mening dat EDEO de beoordelingsprocedure niet op de gebruikelijke wijze mocht voortzetten en een andere beoordelaar had kunnen aanwijzen of de beoordelingsprocedure had kunnen opschorten.

26 Verzoeker leidt daaruit af dat zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere in een belangenconflict verkeerde in de zin van artikel 11 bis van het Statuut.

27 EDEO houdt staande dat uit de rechtspraak volgt dat het feit dat de behandeling van het door verzoeker ingediende verzoek om bijstand en het daarmee verband houdende administratieve onderzoek tijdens de beoordelingsprocedure plaatsvonden, niet betekent dat verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere partijdig was of in een belangenconflict verkeerde. Door verzoekers hiërarchieke meerdere te ontheffen van zijn taak als beoordelaar of door de beoordelingsprocedure op te schorten, zou afbreuk worden gedaan aan het vermoeden van onpartijdigheid en onschuld en zou worden vooruitgelopen op de resultaten van het naar aanleiding van verzoekers verzoek om bijstand geopende onderzoek. Bovendien stelt EDEO dat uit de rechtspraak en de toepasselijke regels van het Statuut en besluit ADMIN(2022) 3 blijkt dat de opschorting van de beoordelingsprocedure niet is voorzien in de regelgeving en niet geschikt is.

28 EDEO merkt op dat het administratieve onderzoek naar verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere in elk geval niet tot de conclusie heeft geleid dat de door verzoeker geuite beschuldigingen van psychisch geweld gegrond waren.

29 EDEO concludeert hieruit dat bij de beoordeling van verzoeker door zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere in het kader van de betrokken beoordelingsprocedure het vereiste van onpartijdigheid niet is geschonden en de hiërarchieke meerdere niet in een belangenconflict verkeerde, hetgeen ook volgt uit zijn beoordelingen in het bestreden beoordelingsrapport. Afgezien van het bestaan van een verzoek om bijstand dat in behandeling was en van een administratief onderzoek tegen verzoekers hiërarchieke meerdere, heeft verzoeker namelijk geen enkel ander element aangevoerd dat kan wijzen op niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid en van de verplichtingen van artikel 11 bis van het Statuut. Volgens EDEO voert verzoeker ofwel elementen aan die tijdens het administratieve onderzoek zijn verworpen, ofwel gedragingen van zijn hiërarchische meerdere die hij niet heeft gestaafd.

30 In het onderhavige geval dient om te beginnen in herinnering te worden gebracht dat een belangenconflict niet meer is dan een variant van het gebrek aan onpartijdigheid, aangezien het vereiste van onpartijdigheid alle omstandigheden omvat waarvan de ambtenaar of het personeelslid die of dat zich over een zaak dient uit te spreken redelijkerwijs moet begrijpen dat deze zijn onafhankelijkheid ter zake in de ogen van derden kunnen aantasten (zie arrest van 10 februari 2021, Spadafora/Commissie, T‑130/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:74, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 In dit verband moet worden opgemerkt dat de verplichting tot onpartijdigheid van de ambtenaren is neergelegd in artikel 11, eerste alinea, van het Statuut, volgens hetwelk de ambtenaar de hem toevertrouwde taken op objectieve en onpartijdige wijze vervult.

32 Tevens moet worden opgemerkt dat de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, waaronder het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op behoorlijk bestuur, moeten eerbiedigen (zie arrest van 3 december 2019, Pethke/EUIPO, T‑808/17, EU:T:2019:832, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten bepaalt onder andere dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

34 Uit vaste rechtspraak blijkt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie verplicht zijn om te voldoen aan het vereiste van onpartijdigheid, en wel aan beide componenten daarvan, te weten enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, op grond waarvan geen enkel lid van de betrokken instelling blijk mag geven van vooringenomenheid of persoonlijke vooroordelen, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid, op grond waarvan die instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel over een eventueel vooroordeel uit te sluiten (zie in die zin arrest van 25 februari 2021, Dalli/Commissie, C‑615/19 P, EU:C:2021:133, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat voor het bewijs dat de organisatie van de administratieve procedure onvoldoende garanties had geboden om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent mogelijke vooringenomenheid uit te sluiten, geen gebrek aan onpartijdigheid hoeft te worden vastgesteld. Het volstaat dat hieromtrent gerechtvaardigde twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen (arresten van 27 maart 2019, August Wolff en Remedia/Commissie, C‑680/16 P, EU:C:2019:257, punt 37, en 21 oktober 2021, Parlement/UZ, C‑894/19 P, EU:C:2021:863, punt 54).

35 In het licht van deze overwegingen moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden onderzocht.

36 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 2024] In casu voert verzoeker een gebrek aan subjectieve en objectieve onpartijdigheid van zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere als beoordelaar aan.

37 Wat meer bepaald de objectieve onpartijdigheid van zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere betreft, baseert verzoeker zich op het administratieve onderzoek dat ten tijde van de beoordelingsprocedure nog tegen deze meerdere liep.

38 Zoals EDEO heeft opgemerkt, volgt in dit verband uit vaste rechtspraak dat wanneer bij het tot aanstelling bevoegd gezag van een instelling op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut is ingediend, het met name een administratief onderzoek moet instellen indien de ambtenaar die om de bescherming van zijn instelling vraagt een begin van bewijs levert dat de aanvallen waarvan hij het slachtoffer stelt te zijn echt zijn, teneinde in samenwerking met de klager de feiten vast te stellen die aan de klacht ten grondslag liggen (arresten van 24 april 2017, HF/Parlement, T‑570/16, EU:T:2017:283, punt 46, en 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 97).

39 Bijgevolg heeft EDEO op 15 juni 2021 besloten een administratief onderzoek in te stellen tegen verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere omdat het van oordeel was dat verzoeker een begin van een bewijs had geleverd tegen zijn hiërarchieke meerdere.

40 Een dergelijke situatie kan bij derden gerechtvaardigde twijfel doen rijzen over mogelijke vooringenomenheid van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere in het kader van de uitoefening van zijn taken als beoordelaar van verzoeker.

41 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 2024] In omstandigheden als de onderhavige kan EDEO zich niet beroepen op een vermoeden van onpartijdigheid ten gunste van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere. EDEO kan zich evenmin beroepen op de rechtspraak volgens welke het feit dat een ambtenaar een klacht wegens intimidatie heeft ingediend tegen de ambtenaar die zijn beroepsprestaties moet beoordelen, als zodanig – buiten elke andere omstandigheid – niet de onpartijdigheid in geding kan brengen van de in de klacht bedoelde persoon (zie arresten van 8 november 2018, QB/ECB, T‑827/16, EU:T:2018:756, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 207). Zoals duidelijk blijkt uit de in punt 34 hierboven aangehaalde rechtspraak, hoeft namelijk wat de niet-nakoming van de verplichting tot objectieve onpartijdigheid betreft geen gebrek aan onpartijdigheid te worden vastgesteld. Het volstaat dat hieromtrent gerechtvaardigde twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen. Bijgevolg kunnen argumenten ten bewijze van het bestaan van subjectieve onpartijdigheid van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere niet slagen. Bovendien is in casu niet alleen een klacht ingediend door verzoeker, maar ook een administratief onderzoek ingesteld door EDEO.

42 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 2024] Zoals blijkt uit punt 4 hierboven, heeft verzoeker zijn verzoek om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut op 18 februari 2021 ingediend. Welnu, zoals in punt 5 hierboven aangegeven, is de procedure voor de beoordeling van het prestatieniveau van verzoeker voor 2021 geopend op 2 februari 2022, dus bijna een jaar na de indiening van het verzoek om bijstand. Bovendien werd op 15 juni 2021 een administratief onderzoek wegens vermeend psychisch geweld geopend tegen verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere. EDEO beschikte derhalve over voldoende tijd om passende maatregelen te nemen ter voorkoming van elk risico dat er sprake is van een gebrek aan objectieve onpartijdigheid wat verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere als beoordelaar van verzoeker betreft.

43 Bovendien was ten tijde van het gesprek tussen verzoeker en zijn hiërarchieke meerdere als beoordelaar, namelijk op 6 mei 2022, dat voorafging aan het beoordelingsrapport, alsmede ten tijde van de ondertekening van dat rapport door laatstgenoemde, namelijk op 2 juni 2022, het resultaat van het in punt 42 hierboven bedoelde administratieve onderzoek nog niet bekend, aangezien dat onderzoek pas op 25 oktober 2022 werd afgesloten (zie punt 12 hierboven). Het is juist dat dit administratieve onderzoek zonder gevolg is afgesloten, maar deze uitkomst van het onderzoek was ten tijde van de beoordelingsprocedure niet bekend.

44 In die omstandigheden kan verzoeker op goede gronden stellen dat EDEO de beoordelingsprocedure voor 2021 niet zodanig heeft georganiseerd dat hem voldoende waarborgen werden geboden met betrekking tot de objectieve onpartijdigheid van de beoordelaar.

45 Het is echter vaste rechtspraak dat een handeling wegens een procedurele onregelmatigheid alleen nietig kan worden verklaard indien de uitkomst van de procedure zonder die onregelmatigheid anders kon zijn geweest (zie arrest van 20 oktober 2021, Kerstens/Commissie, T‑220/20, EU:T:2021:716, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Bij een dergelijk onderzoek moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name met de aard van de grieven en de omvang van de procedurele onregelmatigheden in verhouding tot de waarborgen die de functionaris heeft kunnen genieten (zie arrest van 20 oktober 2021, Kerstens/Commissie, T‑220/20, EU:T:2021:716, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 In casu impliceert de vastgestelde onregelmatigheid, namelijk het gebrek aan objectieve onpartijdigheid van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere als beoordelaar in de zin van de in punt 45 hierboven aangehaalde rechtspraak dat verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere niet voldoet aan het criterium van onpartijdigheid om ten aanzien van verzoeker als beoordelaar op te treden. Zoals blijkt uit punt 40 hierboven, kon het feit dat verzoekers prestaties door zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere werden beoordeeld vóór de beëindiging van de tegen laatstgenoemde gevoerde procedure inzake het gestelde psychisch geweld namelijk bij derden gerechtvaardigde twijfel doen rijzen over mogelijke vooringenomenheid.

48 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de beoordelaars over een zeer grote beoordelingsvrijheid beschikken bij de waardering van het werk van degenen die zij moeten beoordelen, en dat het, behalve in het geval van een kennelijke fout, niet aan de rechter staat om een toetsing te verrichten van de juistheid van deze beoordeling, welke complexe waardeoordelen inhoudt die naar hun aard niet objectief kunnen worden getoetst (zie arresten van 23 september 2020, VE/EAEM, T‑77/18 en T‑567/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:420, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 juli 2022, TL/Commissie, T‑677/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:456, punt 38).

49 In die omstandigheden kan, gelet op de zeer grote beoordelingsvrijheid van de beoordelaars, niet worden uitgesloten dat de uitkomst van de betrokken beoordelingsprocedure zonder de vastgestelde onregelmatigheid, te weten het gebrek aan objectieve onpartijdigheid van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere als beoordelaar, anders kon zijn geweest, met name indien diens taken als beoordelaar door een andere persoon waren waargenomen.

50 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden toegewezen.

51 Bijgevolg moet het bestreden beoordelingsrapport nietig worden verklaard, zonder dat een onderzoek hoeft te worden verricht naar het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel van verzoeker en naar de ontvankelijkheid van de bewijzen die EDEO heeft overgelegd in het kader van zijn antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang.

Kosten

52 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

53 Aangezien EDEO in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van verzoeker te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Vierde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beoordelingsrapport van Jean-Marc Colombani voor het jaar 2021 wordt nietig verklaard.

2) De Europese dienst voor extern optreden (EDEO) wordt verwezen in de kosten.

da Silva Passos Reine Pynnä Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 december 2024. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken