Gerecht EU 23 oktober 2024, T-519/23, ECLI:EU:T:2024:733
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
23 oktober 2024 ( *1 )
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens – Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2019/69 – Causaal verband – Begrip ‚vuurwapen’ – Begrip ‚alarm‑ en seinwapens’”
In zaak T‑519/23,
Keserű Művek Fegyvergyár Kft., gevestigd te Boedapest (Hongarije), vertegenwoordigd door A. Grád, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Talabér-Ritz en R. Tricot als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door B. Fodda, R. Bénard en O. Duprat-Mazaré als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. Kornezov (rapporteur), president, G. De Baere en D. Petrlík, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten om overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU vordert verzoekster, Keserű Mle vek Fegyvergyár Kft., vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van uitvoeringsrichtlijn (EU) 2019/69 van de Commissie van 16 januari 2019 tot vaststelling van technische specificaties voor alarm‑ en seinwapens uit hoofde van richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB 2019, L 15, blz. 22).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een in Hongarije gevestigde onderneming die wapens vervaardigt en in de handel brengt. Zij verklaart dat zij voor de periode van 7 augustus 2009 tot en met 4 april 2029 beschikt over de exclusieve rechten voor het vervaardigen en het in de handel brengen van een wapenmodel waarmee rubberkogels kunnen worden afgevuurd (hierna: „Keserű-wapen”).
3 Op 16 januari 2019 heeft de Europese Commissie uitvoeringsrichtlijn 2019/69 vastgesteld, waarvan de termijn voor omzetting door de lidstaten op grond van artikel 4, lid 1, ervan op 17 januari 2020 verstreek.
4 Hongarije heeft uitvoeringsrichtlijn 2019/69 omgezet bij, onder meer, 2020. évi XLIX. törvény egyes törvényeknek a fegyverek megszerzésének és tartásának ellenőrzésére vonatkozó európai uniós jogi szabályozás módosításával összefüggő jogharmonizációs célú módosításáról (Magyar Közlöny 2020. évi 137. száma; wet nr. XLIX van 2020 tot wijziging van bepaalde wetten met het oog op de harmonisatie van wetgeving in het kader van de wijziging van de wetgeving van de Europese Unie inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens) – waarbij met ingang van 1 januari 2021 2004. évi XXIV. törvény a lőfegyverekről és lőszerekről (Magyar Közlöny 2004. évi 56. száma; wet nr. XXIV van 2004 inzake vuurwapens en munitie) werd gewijzigd – en bij 326/2020. (VII. 1.) Korm. Rendelet a fegyverekről és lőszerekről szóló 253/2004. (VIII. 31.) Korm. rendelet jogharmonizációs célhts módosításáról [Magyar Közlöny 2020. évi 158. száma; regeringsbesluit 326/2020 (VII. 1.) tot wijziging, met het oog op de harmonisatie van wetgeving, van regeringsdecreet 253/2004. (VIII. 31.) betreffende wapens en munitie], dat in werking is getreden op 1 januari 2023.
5 Bij brief van 25 oktober 2022 heeft de Országos Rendőr-főkapitányság (landelijk politiekorps, Hongarije) verzoekster in kennis gesteld van de nieuwe regeling die van toepassing is op „gas‑ en alarmwapens”. Verzoekster heeft daaruit afgeleid dat zij vanaf 1 januari 2023 het Keserű-wapen niet meer zou kunnen verkopen aan personen die geen wapenvergunning hebben.
6 Van mening dat uitvoeringsrichtlijn 2019/69 haar schade heeft berokkend, aangezien deze tot gevolg heeft gehad dat de verkoop van het Keserű-wapen werd beperkt tot personen die een wapenvergunning hebben, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
Conclusies van partijen
7 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – de Europese Unie te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van de vaststelling van uitvoeringsrichtlijn 2019/69, die voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 4 april 2029 is geraamd op 1590088 EUR; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
8 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
9 Ter ondersteuning van haar beroep vordert verzoekster primair vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de vaststelling van een onrechtmatige handeling, te weten uitvoeringsrichtlijn 2019/69, en, subsidiair, vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de vaststelling van die richtlijn, ook al zou deze rechtmatig zijn.
Aansprakelijkheid van de Unie voor de vaststelling van een onrechtmatige handeling
10 Om aan te tonen dat de Unie aansprakelijk is, betoogt verzoekster dat uitvoeringsrichtlijn 2019/69 onrechtmatig is wegens schending van de artikelen 340 en 10 VWEU en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
11 Verzoekster voert in wezen aan dat het Keserű-wapen wegens de technische kenmerken ervan slechts rubberkogels kan afvuren en geen „scherpe munitie”, en dat het wegens de vorm waarin het werd gegoten niet tot een vuurwapen kan worden omgebouwd. Dit wapen beantwoordt dus, gelet op de wijze van vervaardiging ervan, volledig aan de doelstelling van uitvoeringsrichtlijn 2019/69, die ertoe strekt het leven van personen te beschermen en te voorkomen dat iemand met het wapen wordt gedood. Door geen rekening te houden met dit specifieke karakter van het Keserű-wapen, heeft uitvoeringsrichtlijn 2019/69 op dit wapen dezelfde juridische regeling toegepast als op alarm‑ en seinwapens waarmee vaste projectielen kunnen worden afgevuurd en die daardoor tot een andere categorie wapens behoren, waardoor het discriminatieverbod is geschonden. Verzoekster meent dat die richtlijn een uitzondering had moeten bevatten voor het type wapens met soortgelijke kenmerken als Keserű-wapens. Door verschillende situaties gelijk te behandelen, heeft de Commissie dus inbreuk gemaakt op artikel 10 VWEU en artikel 21 van het Handvest, alsook op het verbod van discriminatie, met name gebaseerd op een „specifiek kenmerk”.
12 Verzoekster betoogt bovendien dat het Keserű-wapen niet kan worden beschouwd als een „vuurwapen” in de zin van artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn (EU) 2021/555 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB 2021, L 115, blz. 1), aangezien volgens deze bepaling wapens die om een van de in punt III van bijlage I bij die richtlijn genoemde redenen van die definitie zijn uitgesloten, niet onder het begrip „vuurwapen” vallen. Volgens verzoekster voldoet het Keserű-wapen aan de voorwaarden van punt III, onder a), van bijlage I bij richtlijn 2021/555 en kan het dus niet als „vuurwapen” worden aangemerkt.
13 De Commissie en de Franse Republiek betwisten dit betoog.
14 Volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU moet de Unie, inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
15 Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Het beroep moet in zijn geheel worden verworpen wanneer aan een van de in punt 15 vermelde voorwaarden niet is voldaan, zonder dat de overige voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie moeten worden onderzocht. Bovendien bestaat er voor de Unierechter geen verplichting om die voorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken (zie in die zin arresten van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punten 13 en 63, en 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 148).
17 In casu moet eerst de voorwaarde betreffende het bestaan van een causaal verband tussen de beweerdelijk onrechtmatige handeling en de geleden schade worden onderzocht.
18 Dienaangaande blijkt uit vaste rechtspraak dat deze voorwaarde betrekking heeft op het bestaan van een voldoende direct oorzakelijk verband tussen het gedrag van de instellingen van de Unie en de schade, welk verband door de verzoekende partij dient te worden bewezen, zodat het verweten gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn (zie arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Meer in het bijzonder moet de schade een voldoende rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatige gedrag, zodat met name schade die slechts een ver verwijderd gevolg van die gedraging is, is uitgesloten (arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 135, en beschikking van 12 december 2007, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑113/04, niet gepubliceerd, EU:T:2007:377, punt 40).
20 In de onderhavige zaak betoogt verzoekster dat uitvoeringsrichtlijn 2019/69 onrechtmatig is omdat zij in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 10 VWEU en artikel 21 van het Handvest, en haar schade heeft berokkend doordat zij tot gevolg heeft gehad dat Keserű-wapens sinds 1 januari 2023 slechts aan personen met een wapenvergunning kunnen worden verkocht.
21 In dit verband zij opgemerkt dat uitvoeringsrichtlijn 2019/69 tot doel heeft technische specificaties vast te stellen voor alarm‑ en seinwapens uit hoofde van richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB 1991, L 256, blz. 51), die is ingetrokken bij richtlijn 2021/555. Volgens artikel 26, tweede alinea, van richtlijn 2021/555 gelden verwijzingen naar richtlijn 91/477 als verwijzingen naar richtlijn 2021/555. Aangezien de schade die verzoekster stelt te hebben geleden betrekking heeft op de periode van 1 januari 2023 tot en met 4 april 2029, is richtlijn 2021/555 ratione temporis van toepassing op de onderhavige zaak.
22 Derhalve moet worden nagegaan of een wapen met de kenmerken van het Keserű‑wapen kan worden aangemerkt als een „alarm‑ en seinwapen” in de zin van richtlijn 2021/555, en of uitvoeringsrichtlijn 2019/69, die volgens verzoekster aan de oorsprong van haar schade ligt, dus in een uitzondering had moeten voorzien voor het type wapens dat kenmerken heeft die vergelijkbaar zijn met die van het Keserű-wapen.
23 Volgens artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn 2021/555 wordt onder het begrip vuurwapen verstaan „een draagbaar, van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel wordt uitgestoten, en dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd, tenzij het is uitgesloten van deze definitie om een van de in [punt III] van bijlage I genoemde redenen”. Volgens deze bepaling worden vuurwapens in categorieën ingedeeld in punt II van bijlage I. Voorts stelt die bepaling dat „[e]en object wordt geacht te kunnen worden omgebouwd zodat door middel van explosieve voortstuwing een lading, kogel of projectief uitgestoten kan worden, wanneer a) het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen, en b) het ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd”.
24 Vallen volgens punt III, onder a), van bijlage I bij richtlijn 2021/555 niet onder de definitie van „vuurwapens” voorwerpen die voldoen aan de definitie maar die ontworpen zijn voor het geven van alarm of signalen, reddingsactiviteiten, het slachten van dieren of visserij met harpoenen, of bestemd zijn voor industriële of technische doeleinden, mits zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend.
25 Het begrip „alarm‑ en seinwapens” wordt in artikel 1, lid 1, punt 4, van richtlijn 2021/555 gedefinieerd als „voorzieningen met een patroonhouder die zijn ontworpen om enkel losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren en die niet kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten”.
26 In de onderhavige zaak blijkt uit het dossier en uit de geschriften van verzoekster dat het Keserű-wapen een wapen is waarmee rubberkogels kunnen worden afgevuurd vanuit een cilinder. Het wapen is uitgerust met een frame, een in het frame geïntegreerde loop, een cilinder met kamers die aan het frame is bevestigd, een trekker die aan het frame is bevestigd en een hamer die door de trekker wordt bediend. De cilinder is ontworpen om vooraan met rubberkogels en achteraan met alarm‑ of gaspatronen te worden geladen. Een van de kamers van de cilinder ligt op één lijn met de loop van het wapen wanneer het wordt afgevuurd. Zoals de Commissie betoogt, zonder door verzoekster te zijn weersproken, stoot dit wapen rubberkogels uit door explosieve voortstuwing.
27 Hieruit volgt dat het Keserű-wapen een draagbaar van een loop voorzien wapen is waarmee door explosieve voortstuwing „kogels”, in casu rubberkogels, worden uitgestoten, zodat het moet worden aangemerkt als een „vuurwapen” in de zin van artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn 2021/555.
28 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van verzoekster.
29 Ten eerste moet verzoeksters argument worden afgewezen dat met het Keserű‑wapen alleen rubberkogels en geen „echte” kogels kunnen worden uitgestoten. Het begrip „vuurwapen” omvat immers elk wapen waarmee door explosieve voortstuwing „een lading, een kogel of een projectiel” wordt uitgestoten. In casu kan niet worden gesteld dat het begrip „kogel” in de zin van artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn 2021/555 geen rubberkogels omvat, zoals die welke worden uitgestoten door het Keserű-wapen.
30 Ten tweede is het feit dat het Keserű-wapen wegens de vorm waarin het werd gegoten niet kan worden omgebouwd om „echte” kogels af te vuren, niet relevant, aangezien de omstandigheid dat dit wapen is ontworpen om rubberen kogels af te vuren door explosieve voortstuwing volstaat om het als „vuurwapen” aan te merken, zoals in het vorige punt is benadrukt.
31 Wat ten derde verzoeksters argument betreft dat is gebaseerd op de hardheid van de rubberkogels die in het Keserű-wapen worden gebruikt en de maximale piekdruk op het moment dat deze kogels worden voortgestuwd, moet worden vastgesteld dat die kenmerken, gesteld dat zij zijn aangetoond, niet de conclusie wettigen dat dit wapen geen „vuurwapen” in de zin van artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn 2021/555 is, aangezien het, zoals blijkt uit punt 29 hierboven, aan alle voorwaarden van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2021/555 voldoet, met dien verstande dat niets in richtlijn 2021/555 erop wijst dat rubberkogels op grond van hun hardheid of de piekdruk op het moment van voortstuwing niet als „kogels” in de zin van artikel 1, lid 1, punt 1, van die richtlijn moeten worden beschouwd.
32 Ten vierde valt het Keserű-wapen, anders dan verzoekster stelt, evenmin onder de categorie van wapens als bedoeld in punt III, onder a), van bijlage I bij richtlijn 2021/555, welke wapens niet onder de definitie van een „vuurwapen” vallen.
33 Het Keserű‑wapen is namelijk niet ontworpen voor het geven van alarm of signalen en voldoet dus niet aan de voorwaarde dat het alleen voor dat welbepaalde gebruik kan worden aangewend, zoals in punt III, onder a), van bijlage I bij richtlijn 2021/555 wordt vereist.
34 In dit verband zijn volgens artikel 1, lid 1, punt 4, van richtlijn 2021/555 „alarm‑ en seinwapens” voorzieningen die ten eerste „enkel” zijn ontworpen om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren, en die ten tweede niet kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten.
35 Vast staat dat het Keserű‑wapen niet „enkel” is ontworpen om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren, aangezien het, zoals verzoekster zelf toegeeft, is ontworpen om rubberkogels af te vuren, zodat het niet voldoet aan de eerste hierboven genoemde voorwaarde om als „alarm‑ en seinwapen” te worden aangemerkt.
36 Om dezelfde reden kan het Keserű‑wapen niet worden geacht te zijn ontworpen voor het geven van alarm of signalen en dus te voldoen aan de voorwaarde dat het alleen voor dat welbepaalde gebruik kan worden aangewend in de zin van punt III, onder a), van bijlage I bij richtlijn 2021/555.
37 Bovendien beschrijft verzoekster haar wapen zelf als een „alarmwapen dat op gasdruk werkt en waarmee rubberkogels kunnen worden afgevuurd”. Gesteld al dat het wapen is ontworpen als alarmwapen, neemt dit dus niet weg dat het ook rubberkogels kan afvuren, wat niet kan worden aangemerkt als gebruik alleen voor alarmdoeleinden.
38 Ten vijfde is het feit dat het Keserű‑wapen is ontworpen als een niet-dodelijk wapen, anders dan verzoekster stelt, geen relevant criterium om te bepalen of het om een „vuurwapen” in de zin van richtlijn 2021/555 gaat.
39 Ten zesde geeft verzoekster te kennen dat de Kúria (voorheen de Legfelsőbb Bíróság) (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) bij arrest nr. Kfv.VI.39.008/2011/4 van 24 oktober 2011 heeft geoordeeld dat het Keserű-wapen geen „vuurwapen” in de zin van artikel 1 van richtlijn 2021/555 was.
40 Het volstaat in dit verband op te merken dat het Hof bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht definitief uit te leggen (zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 246, en advies 1/17 (CETA EU-Canada) van 30 april 2019, EU:C:2019:341, punt 111), zodat de Unierechter niet gebonden kan zijn aan de uitlegging van het Unierecht door een nationale rechter.
41 Bovendien moet hoe dan ook worden opgemerkt dat het hierboven in punt 39 genoemde arrest van de Kúria van 2011 dateert en daarin dus geen rekening kon worden gehouden met de ontwikkeling van het regelgevingskader van de Unie op het gebied van de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens na die datum.
42 Hieruit volgt dat het Keserű‑wapen niet kan worden aangemerkt als een „alarm‑ en seinwapen” in de zin van richtlijn 2021/555 en dus niet binnen de werkingssfeer van uitvoeringsrichtlijn 2019/69 valt.
43 Bijgevolg kan uitvoeringsrichtlijn 2019/69 de door verzoekster aangevoerde schade niet hebben veroorzaakt.
44 Derhalve moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde inzake het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de verweten gedraging en de gestelde schade.
45 Bijgevolg kan de Unie niet uit dien hoofde aansprakelijk worden gesteld wegens een vermeende onrechtmatigheid van uitvoeringsrichtlijn 2019/69.
Aansprakelijkheid van de Unie voor de vaststelling van een rechtmatige handeling
46 Verzoekster vordert subsidiair vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de vaststelling van uitvoeringsrichtlijn 2019/69, ook al zou deze rechtmatig zijn.
47 Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de mogelijkheid om de Unie aansprakelijk te stellen voor door een rechtmatige handeling berokkende schade [zie in die zin arresten van 25 maart 2010, Sviluppo Italia Basilicata/Commissie, C‑414/08 P, EU:C:2010:165, punt 141, en 18 september 2014, Holcim (Roemenië)/Commissie, T‑317/12, EU:T:2014:782, punt 235], volstaat de vaststelling dat van een dergelijke aansprakelijkheid in elk geval slechts sprake kan zijn indien cumulatief is voldaan aan drie voorwaarden, te weten de realiteit van de beweerdelijk geleden schade, het causaal verband tussen deze schade en de aan de instellingen van de Unie verweten handeling, en het abnormale en bijzondere karakter van die schade (arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie, C‑237/98 P, EU:C:2000:321, punt 19).
48 Om dezelfde redenen als die welke in de punten 17 tot en met 43 hierboven zijn uiteengezet, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen uitvoeringsrichtlijn 2019/69 en de beweerdelijk geleden schade.
49 De Unie kan dus evenmin uit dien hoofde aansprakelijk worden gesteld.
50 Derhalve dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Kosten
51 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig verweersters vordering in de kosten worden verwezen.
52 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten. De Franse Republiek draagt derhalve haar eigen kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Keserű Művek Fegyvergyár Kft. wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie.
3) De Franse Republiek draagt haar eigen kosten.
Kornezov De Baere Petrlík Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 oktober 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Hongaars.