Gerecht EU 6 oktober 2021, T-32/21, ECLI:EU:T:2021:643

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

6 oktober 2021 ( *1 )

„Uniemerk – Uniewoordmerk Muresko – Oudere nationale woordmerken Muresko – Inroepen van de anciënniteit van oudere nationale merken na de inschrijving van het Uniemerk – Artikelen 39 en 40 van verordening (EU) 2017/1001 – Inschrijving van oudere nationale merken waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de dag waarop de anciënniteit wordt ingeroepen”

In zaak T‑32/21,

Daw SE, gevestigd te Ober-Ramstadt (Duitsland), vertegenwoordigd door A. Haberl, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Markakis als gemachtigde,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 25 november 2020 (zaak R 1686/2020‑4) inzake het inroepen van de anciënniteit van identieke oudere nationale merken ten behoeve van het Uniewoordmerk Muresko (nr. 15465719),

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, F. Schalin en P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 22 januari 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 30 maart 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

Conclusies van partijen

9 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO te gelasten om de litigieuze aanspraak op anciënniteit ten behoeve van het Uniemerk in kwestie in te schrijven; – het EUIPO te verwijzen in de kosten.

10 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

11 Verzoekster betwist niet dat de geldigheidsduur van de inschrijving van het Poolse en het Duitse merk was verstreken op het moment dat zij voor het EUIPO de anciënniteit van deze merken inriep. De onderzoeker heeft hier tevens op gewezen in de kennisgeving van 10 februari 2020.

12 Ter ondersteuning van het onderhavige beroep beperkt verzoekster zich in wezen tot één enkel middel. Volgens haar heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 12 van de bestreden beslissing artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39 ervan, te restrictief uit te leggen, namelijk in die zin dat het identieke oudere nationale merk op de datum waarop de anciënniteit ervan wordt ingeroepen, ingeschreven en van kracht moet zijn. Deze onjuiste uitlegging heeft de kamer van beroep ertoe gebracht om verzoeksters beroep ten onrechte te verwerpen, in plaats van de beslissing van de onderzoeker houdende afwijzing van de ingeroepen anciënniteit te vernietigen en die aanspraak op anciënniteit in te schrijven ten behoeve van het betrokken Uniemerk.

13 Verzoekster betoogt in wezen dat de houder van een identiek ouder nationaal merk waarvan de geldigheidsduur van de inschrijving is verstreken, nog altijd beschikt over het recht om de anciënniteit van dat merk in te roepen ten behoeve van elk Uniemerk dat later wordt aangevraagd of ingeschreven, indien op het moment waarop de anciënniteit wordt ingeroepen reeds een op hetzelfde nationale merk gebaseerde aanspraak op anciënniteit was toegewezen ten behoeve van een ander Uniemerk. [omissis]

18 Het EUIPO weerlegt verzoeksters argumenten en vordert dat het onderhavige beroep kennelijk ongegrond wordt verklaard.

19 Verzoeksters enige middel werpt een vraag op betreffende de uitlegging van artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39 van die verordening, waarnaar eerstgenoemd artikel verwijst. Het gaat erom of de houder van een Uniemerk waarvoor de anciënniteit van een identiek ouder nationaal merk werd erkend, zich kan beroepen op de fictie van het voortbestaan van de inschrijving van het oudere nationale merk ten behoeve van een ander Uniemerk, waarvoor de anciënniteit van het oudere nationale merk werd ingeroepen nadat de geldigheidsduur van de inschrijving van dat nationale merk was verstreken. [omissis]

22 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van bepalingen van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken [zie arresten van 11 juli 2018, COBRA, C‑192/17, EU:C:2018:554, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

23 Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat uitzonderingsbepalingen strikt moeten worden uitgelegd [zie in die zin en naar analogie arrest van 22 januari 2020, Pensionsversicherungsanstalt (Staking van de werkzaamheid na het bereiken van de pensioenleeftijd), C‑32/19, EU:C:2020:25, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Gelet op de gevolgen die overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van verordening 2017/1001 verbonden zijn aan een aanspraak op de anciënniteit van een identiek ouder nationaal merk en die een uitzondering vormen op het beginsel dat de houder van een dergelijk merk de daaraan verbonden rechten verliest als de inschrijving ervan niet wordt vernieuwd, moeten de voorwaarden waaronder een dergelijke aanspraak op anciënniteit kan worden toegewezen strikt worden uitgelegd [zie in die zin, wat betreft de voorwaarde dat de betrokken merken identiek zijn, arrest van 19 januari 2012, Shang/BHIM (justing), T‑103/11, EU:T:2012:19, punt 17].

24 Ten eerste moet in casu worden opgemerkt dat volgens de bewoordingen van artikel 40, lid 1, van verordening 2017/1001 het identieke oudere nationale merk waarvan de anciënniteit wordt ingeroepen door de houder van het Uniemerk, afhankelijk van de verschillende taalversies, een in een lidstaat „ingeschreven” merk of een merk „dat is ingeschreven” in een lidstaat moet zijn.

25 Deze formulering, in de voltooid tegenwoordige tijd, wijst er duidelijk op dat het identieke oudere nationale merk waarvan de anciënniteit wordt ingeroepen ten behoeve van het Uniemerk, ingeschreven moet zijn op het moment dat de anciënniteit wordt ingeroepen.

26 Verzoekster kan dus niet met succes in essentie betogen dat artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39 van die verordening, enkel vereist dat het oudere nationale merk op enig moment in het verleden was ingeschreven om te voorkomen dat een louter de-factomerk kan worden aangevoerd ter ondersteuning van een aanspraak op anciënniteit.

27 Ten tweede wordt deze letterlijke uitlegging van artikel 40 van verordening 2017/1001 bevestigd door de context ervan. Volgens lid 4 moet dit artikel namelijk samen met artikel 39, lid 3, van die verordening worden toegepast. Uit deze laatste bepaling, zoals uitgelegd in de rechtspraak, volgt dat het enige rechtsgevolg van de aanspraak op de anciënniteit van een identiek ouder nationaal merk erin bestaat dat wanneer de Uniemerkhouder van wie de aanspraak op anciënniteit werd toegewezen afstand doet van het oudere nationale merk of het laat vervallen, hij dezelfde rechten kan blijven genieten als ware dat oudere merk ingeschreven gebleven [arresten van 19 januari 2012, justing, T‑103/11, EU:T:2012:19, punt 17, en 20 februari 2013, Langguth Erben/BHIM (MEDINET), T‑378/11, EU:T:2013:83, punt 28].

28 Het systeem waarbij de anciënniteit van een nationaal merk wordt ingeroepen na de inschrijving van een Uniemerk, zoals vastgesteld in artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39, lid 3, van die verordening, berust dus op het beginsel dat de houder van het oudere nationale merk er geen afstand van mag doen of het niet mag laten vervallen voordat zijn aanspraak op anciënniteit ten behoeve van het Uniemerk is toegewezen. Dit betekent a fortiori dat op de datum waarop de anciënniteit wordt ingeroepen de geldigheidsduur van de inschrijving van het identieke oudere nationale merk niet reeds verstreken mag zijn.

29 Deze uitlegging van artikel 40 van verordening 2017/1001 strookt met de wijze waarop het EUIPO dit artikel toepast in de praktijk, zoals beschreven in deel B, afdeling 2, punt 13.2, van de richtsnoeren voor het onderzoek van het EUIPO, volgens hetwelk „het [EUIPO] moet controleren of het oudere merk was ingeschreven op het moment dat de Uniemerkaanvraag werd ingediend en of de oudere inschrijving niet was verstreken op het moment dat het beroep werd gedaan”. Daarin staat ook nog het volgende te lezen: „Indien de oudere inschrijving was verstreken op het moment dat het beroep werd gedaan, is beroep op anciënniteit niet mogelijk, zelfs niet als het toepasselijke nationale merkenrecht voorziet in een ‚respijtperiode’ van zes maanden voor vernieuwing.”

30 Ten derde is deze uitlegging van artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39, lid 3, van die verordening, in overeenstemming met het doel van het systeem waarbij de anciënniteit van een nationaal merk wordt ingeroepen na de inschrijving van een Uniemerk, namelijk om houders van identieke nationale en Uniemerken in staat te stellen hun merkenportefeuilles te rationaliseren met behoud van hun oudere rechten. Na de toewijzing van de aanspraak op de anciënniteit van het identieke oudere nationale merk ten behoeve van het Uniemerk kan de houder namelijk de geldigheidsduur van de inschrijving van het eerste merk laten verstrijken terwijl hij voor het tweede merk dezelfde rechten blijft genieten als wanneer het eerste merk ingeschreven was gebleven (zie punt 27 hierboven).

31 Overeenkomstig dit doel en zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 39, leden 3 en 4, van verordening 2017/1001, dat strikt moet worden uitgelegd (zie punt 23 hierboven), heeft dit vermoeden van het behoud van de aan het identieke oudere nationale merk verbonden rechten geen algemene werking, zoals verzoekster betoogt, maar geldt het uitsluitend ten behoeve van het identieke Uniemerk, voor de identieke waren of diensten waarvoor de aanspraak op anciënniteit werd toegewezen en bij niet-vernieuwing van de inschrijving van het identieke oudere nationale merk.

32 Aldus is uitdrukkelijk bepaald dat dit vermoeden niet geldt wanneer het betrokken nationale merk nietig is verklaard of vervallen is verklaard als dat verval ingaat vóór de datum van indiening of die van voorrang van het Uniemerk.

33 Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat dit vermoeden niet inhoudt dat het oudere nationale merk hierdoor als zodanig blijft bestaan, en voorts dat een eventueel gebruik van het betrokken teken na de doorhaling van dat merk in een dergelijk geval moet worden beschouwd als een gebruik van het Uniemerk en niet van het doorgehaalde oudere nationale merk (arrest van 19 april 2018, Peek & Cloppenburg, C‑148/17, EU:C:2018:271, punt 30). Dit bevestigt dat de erkenning van de ingeroepen anciënniteit niet als gevolg heeft dat het betrokken oudere nationale merk blijft voortbestaan of zelfs maar dat slechts bepaalde daaraan verbonden rechten behouden blijven los van het Uniemerk ten behoeve waarvan de aanspraak op anciënniteit is toegewezen.

34 Aan deze strikte uitlegging van de draagwijdte van het vermoeden van het behoud van de aan het identieke oudere nationale merk verbonden rechten wordt niet afgedaan door de lezing van artikel 40 van verordening 2017/1001 in het licht van overweging 12 van die verordening, waarin het door de verordening nagestreefde doel wordt uitgedrukt om de door de houders van oudere merken verkregen rechten te handhaven.

35 Om te beginnen kan de preambule van een Uniehandeling de inhoud ervan weliswaar preciseren, maar kan deze niet worden aangevoerd om van de bepalingen zelf van die handeling af te wijken (arrest van 10 januari 2006, IATA en ELFAA, C‑344/04, EU:C:2006:10, punt 76). Op grond van de inhoud van overweging 12 van verordening 2017/1001 kan dus niet worden afgeweken van een voorwaarde die in artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39, lid 3, van die verordening, is gesteld opdat de aanspraak op de anciënniteit van een identiek ouder nationaal merk kan worden toegewezen. Verder en in elk geval berust deze overweging, die verwijst naar „het voorrangsbeginsel, op grond waarvan een ingeschreven ouder merk voorrang krijgt op later ingeschreven merken”, zelf op de gedachte dat de door de houder van een ouder merk verworven rechten slechts voorrang kunnen hebben op de rechten die worden verleend door later ingeschreven merken, voor zover dat oudere merk is ingeschreven. De inhoud van deze overweging strookt dus met de uitlegging van artikel 40 van verordening 2017/1001 volgens welke het identieke oudere nationale merk waarvan de anciënniteit wordt ingeroepen, ingeschreven moet zijn op het moment waarop de anciënniteit wordt ingeroepen.

36 Aan deze strikte uitlegging van de draagwijdte van het vermoeden wordt evenmin afgedaan door punt 30 van het arrest van 19 april 2018, Peek & Cloppenburg (C‑148/17, EU:C:2018:271), waarnaar verzoekster verwijst. In dat punt stelt het Hof namelijk niet vast dat de houder van het Uniemerk ten behoeve waarvan de aanspraak op de anciënniteit van een identiek ouder nationaal merk is toegewezen, zich kan beroepen op de fictie dat de inschrijving van dat merk ten behoeve van een ander Uniemerk is blijven bestaan, maar bevestigt het eerder dat die fictie slechts een beperkte draagwijdte heeft (zie punt 33 hierboven).

37 Tot slot wordt aan die uitlegging ook niet afgedaan door artikel 139, lid 3, van verordening 2017/1001, volgens hetwelk „[d]e nationale aanvraag die uit de omzetting van een aanvraag of van een Uniemerk voortvloeit, [...] in de betrokken lidstaat de datum van de aanvraag of de datum van voorrang van de aanvraag respectievelijk van het Uniemerk [krijgt] en, in voorkomend geval, de anciënniteit van een merk van die staat die op grond van artikel 39 of artikel 40 [van deze verordening] wordt ingeroepen”. Het behoud van de aan het identieke oudere nationale merk verbonden rechten geldt namelijk ook in dat geval slechts voor de nationale merkaanvraag die voortvloeit uit de omzetting van het Uniemerk ten behoeve waarvan de aanspraak op anciënniteit werd toegewezen.

38 Verzoekster kan dus niet met succes aanvoeren dat het op grond van artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39, lid 3, van die verordening, mogelijk is om het vermoeden van het behoud van de aan het identieke oudere nationale merk verbonden rechten na het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van dat merk te doen gelden ten behoeve van een ander Uniemerk dan dat ten behoeve waarvan de aanspraak op anciënniteit werd toegewezen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van een aanspraak op anciënniteit van het oudere nationale merk ten behoeve van dat andere Uniemerk.

39 Het loutere feit dat verzoekster zich voor het onder het nummer 340810 ingeschreven Uniemerk kan beroepen op het vermoeden van het behoud van de aan het Poolse en het Duitse merk verbonden rechten, zelfs na het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van die merken, betekent dus niet dat zij zich eveneens op dit vermoeden kan beroepen ter ondersteuning van de litigieuze aanspraak op anciënniteit voor het Uniemerk in kwestie. De door haar in dit verband aangevoerde oudere rechten komen namelijk in beginsel uitsluitend ten goede aan het onder het nummer 340810 ingeschreven Uniemerk, ten behoeve waarvan de aanspraak op de anciënniteit van het Poolse en het Duitse merk werd toegewezen.

40 Gelet op een en ander heeft de kamer van beroep dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 12 van de bestreden beslissing artikel 40 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 39 van die verordening, aldus uit te leggen dat het identieke oudere nationale merk waarvan de anciënniteit wordt ingeroepen ten behoeve van een later ingeschreven Uniemerk, zelf ingeschreven en van kracht moet zijn op de datum waarop de anciënniteit wordt ingeroepen. [omissis]

HET GERECHT (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Daw SE wordt verwezen in de kosten.

Tomljenović Schalin Škvařilová-Pelzl Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 oktober 2021. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde uitspraken