Gerecht EU 2 juni 2021, T-854/19, ECLI:EU:T:2021:309
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
2 juni 2021 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk MONTANA – Absolute weigeringsgrond – Beschrijvend karakter – Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001] – Recht om te worden gehoord – Artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001 – Ambtshalve onderzoek van de feiten – Toelaten van bewijsmateriaal dat voor het eerst voor de kamer van beroep wordt overgelegd – Artikel 95, leden 1 en 2, van verordening 2017/1001”
In zaak T‑854/19,
Franz Schröder GmbH & Co. KG, gevestigd te Delbrück (Duitsland), vertegenwoordigd door L. Pechan en N. Fangmann, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
RDS Design ApS, gevestigd te Allerød (Denemarken), vertegenwoordigd door J. Viinberg, advocaat,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 oktober 2019 (zaak R 2393/2018‑4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Franz Schröder en RDS Design,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, V. Kreuschitz en G. De Baere (rapporteur), rechters,
griffier: J. Pichon, administrateur,
gezien het op 17 december 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 6 maart 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,
gezien de op 7 maart 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,
gezien de schriftelijke vragen van het Gerecht aan partijen en de op 5 en 16 oktober 2020 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden op deze vragen,
gezien de beslissing van 22 oktober 2020 houdende voeging van de zaken T‑854/19 tot en met T‑856/19 voor de mondelinge behandeling,
na de terechtzitting op 26 november 2020,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
Conclusies van partijen
10 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – de vordering tot nietigverklaring toe te wijzen en het litigieuze merk nietig te verklaren voor de betrokken waren en diensten; – het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten die zijn opgekomen voor de kamer van beroep.
11 Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat zij haar tweede vordering introk, waarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting akte is genomen.
12 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
13 Interveniënte concludeert tot verwerping van het beroep.
In rechte
[omissis]
Eerste middel: schending van artikel 95, leden 1 en 2, van verordening 2017/1001
17 Met haar eerste middel verwijt verzoekster de kamer van beroep, ten eerste, overeenkomstig artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk, de door interveniënte te laat overgelegde bewijzen te hebben toegelaten en, ten tweede, bepaalde feiten ambtshalve te hebben onderzocht, in strijd met artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001. Het eerste middel kan dus worden opgesplitst in twee afzonderlijke grieven, die zijn ontleend aan schending van de twee bovengenoemde bepalingen.
Eerste grief van het eerste middel: schending van artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001
[omissis]
23 Volgens artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 „hoeft [het EUIPO] geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd”.
24 Uit de bewoordingen van artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 volgt dat de partijen, in de regel en behoudens andersluidende bepaling, nog feiten en bewijzen kunnen aanvoeren na afloop van de termijnen waarbinnen deze feiten en bewijzen moeten worden aangevoerd krachtens de bepalingen van deze verordening, en dat het het EUIPO niet verboden is rekening te houden met te laat aangevoerde feiten of overgelegde bewijzen [arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 42; 19 april 2018, EUIPO/Group, C‑478/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:268, punt 34, en 21 maart 2019, Pan/EUIPO – Entertainment One UK (TOBBIA), T‑777/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:180, punt 21].
25 Daar het EUIPO overeenkomstig artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 in een dergelijk geval geen rekening „hoeft” te houden met dergelijke feiten en bewijzen, beschikt het EUIPO over een ruime beoordelingsvrijheid om te beslissen of het daarmee rekening houdt, op voorwaarde dat het zijn beslissing op dat punt motiveert (zie in die zin arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 43; 24 januari 2018, EUIPO/European Food, C‑634/16 P, EU:C:2018:30, punt 56, en 21 maart 2019, TOBBIA, T‑777/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:180, punt 22).
26 Bovendien stelt artikel 27, lid 4, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 grenzen aan de uitoefening van de in artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 bedoelde beoordelingsvrijheid met betrekking tot feiten en bewijzen die voor het eerst voor de kamer van beroep zijn aangedragen. Deze bepaling luidt immers als volgt: „Overeenkomstig artikel 95, lid 2, van verordening [2017/1001] kan de kamer van beroep voor het eerst bij de kamer aangedragen feiten of bewijzen uitsluitend aanvaarden voor zover deze feiten en bewijzen aan de volgende eisen voldoen: a) zij kunnen op het eerste gezicht relevant zijn voor de oplossing van het geschil, en b) zij zijn om geldige redenen niet tijdig overgelegd, met name indien zij enkel eerder en tijdig ingediende relevante feiten en bewijzen aanvullen, of zijn ingediend ter betwisting van vaststellingen die door de eerste instantie in de bestreden beslissing op eigen initiatief zijn gedaan of onderzocht.” [omissis]
Tweede grief van het eerste middel: schending van artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001
34 Verzoekster betoogt dat het EUIPO overeenkomstig artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001 zijn onderzoek in nietigheidsprocedures op grond van absolute nietigheidsgronden beperkt tot de door de partijen aangevoerde gronden en argumenten. Voor een ingeschreven Uniemerk geldt een vermoeden van geldigheid en staat het aan de persoon die de vordering tot nietigverklaring heeft ingediend om voor het EUIPO de concrete elementen aan te voeren die kunnen afdoen aan de geldigheid ervan.
35 Verzoekster is dus van mening dat de kamer van beroep zich niet mocht verlaten op haar eigen feitelijke vaststellingen. In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep evenwel „aanvullende feiten” in overweging genomen die partijen niet hadden aangevoerd.
36 Volgens verzoekster hebben deze feiten betrekking op, ten eerste, de bevolking van de staat Montana (Verenigde Staten) (punt 29 van de bestreden beslissing), ten tweede, de populariteit van andere toeristische bestemmingen, zoals de staten Californië of Florida (Verenigde Staten) (punt 31 van de bestreden beslissing), ten derde, de verwijzing naar termen die verband houden met het woord „montana” in bepaalde Europese talen en de associatie van dit woord met de Zwitserse gemeente Crans-Montana (punten 32 en 33 van de bestreden beslissing), ten vierde, het percentage bossen op het grondgebied van de Verenigde Staten en van bepaalde lidstaten van de Unie (punten 42 en 43 van de bestreden beslissing) en, ten vijfde, gegevens uit de Britannica-encyclopedie over de vegetatie en de economie van Montana (punten 40, 51 en 52 van de bestreden beslissing).
37 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.
38 Volgens vaste rechtspraak moeten de onderzoekers van het EUIPO en, op beroep, de kamers van beroep van het EUIPO overeenkomstig artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001 bij het onderzoek naar absolute weigeringsgronden de feiten ambtshalve onderzoeken teneinde uit te maken of het aangevraagde merk onder een van de absolute weigeringsgronden van artikel 7 van deze verordening valt. Hieruit volgt dat de bevoegde instanties van het EUIPO hun beslissingen kunnen baseren op feiten die door de aanvrager niet zijn aangevoerd [zie in die zin arresten van 29 maart 2019, All Star/EUIPO – Carrefour Hypermarchés (Vorm van een schoenzool), T‑611/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:210, punt 43, en 10 juni 2020, Louis Vuitton Malletier/EUIPO – Wisniewski (Weergave van een ruitmotief), T‑105/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:258, punt 21].
39 In het kader van een nietigheidsprocedure op basis van een absolute weigeringsgrond kan de kamer van beroep er evenwel niet toe worden verplicht om het op het tijdstip van de inschrijving door de bevoegde instanties van het EUIPO ambtshalve verrichte onderzoek van de relevante feiten nogmaals uit te voeren. Uit de artikelen 59 en 62 van verordening 2017/1001 volgt immers dat het Uniemerk als geldig wordt beschouwd totdat het door het EUIPO na een nietigheidsprocedure nietig wordt verklaard. Het geniet dus een vermoeden van geldigheid, dat het logische gevolg is van de controle door het EUIPO in het kader van het onderzoek van een inschrijvingsaanvraag (zie in die zin arresten van 29 maart 2019, Vorm van een schoenzool, T‑611/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:210, punt 44, en 10 juni 2020, Weergave van een ruitmotief, T‑105/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:258, punt 22).
40 Dit vermoeden van geldigheid beperkt de in artikel 95, lid 1, eerste zin, van verordening 2017/100 neergelegde verplichting van het EUIPO om de relevante feiten op basis waarvan het de absolute weigeringsgronden zou kunnen toepassen ambtshalve te onderzoeken, tot het onderzoek van de Uniemerkaanvraag dat door de onderzoekers en, op beroep, door de kamers van beroep wordt verricht in het kader van de inschrijvingsprocedure van dat merk. In een nietigheidsprocedure op basis van een absolute weigeringsgrond staat het, aangezien het ingeschreven Uniemerk geldig wordt geacht, evenwel aan de persoon die de vordering tot nietigverklaring heeft ingediend om de concrete elementen die afdoen aan de geldigheid ervan voor het EUIPO aan te voeren. Overeenkomstig de tweede zin van artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001, waarbij de eerdere rechtspraak van het Gerecht [arrest van 13 september 2013, Fürstlich Castell’sches Domänenamt/BHIM – Castel Frères (CASTEL), T‑320/10, EU:T:2013:424, punt 28] wordt geconsolideerd, beperkt het EUIPO zijn onderzoek in nietigheidsprocedures op basis van artikel 59 van deze verordening tot de door partijen aangevoerde gronden en argumenten (zie arrest van 10 juni 2020, Weergave van een ruitmotief, T‑105/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:258, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Hoewel het vermoeden van geldigheid van de inschrijving de verplichting van het EUIPO om de relevante feiten te onderzoeken beperkt, kan dit vermoeden op zich echter het EUIPO niet beletten om zich te baseren op algemeen bekende feiten, met name gelet op de elementen die de partij die opkomt tegen de geldigheid van het litigieuze merk aanvoert (zie in die zin arresten van 29 maart 2019, Vorm van een schoenzool, T‑611/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:210, punt 46, en 10 juni 2020, Weergave van een ruitmotief, T‑105/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:258, punt 24).
42 Bovendien beperkt het EUIPO zijn onderzoek in nietigheidsprocedures op basis van een absolute weigeringsgrond weliswaar tot de door de partijen aangevoerde gronden en argumenten, maar betekent dit niet dat de kamer van beroep, in het kader van haar eigen beoordeling van de door de verzoeker tot nietigverklaring aangevoerde feiten, argumenten en bewijzen, niet tot een andere conclusie kan komen dan die welke door laatstgenoemde is voorgesteld [zie in die zin arrest van 24 oktober 2019, Rubik’s Brand/EUIPO – Simba Toys (Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben), T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 82]. Overigens vloeit uit artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 voort dat de kamer van beroep, wanneer bij haar beroep is ingesteld, de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen en in dit kader het beroep dus opnieuw volledig ten gronde dient te onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk [zie in die zin arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 57; 4 maart 2020, Tulliallan Burlington/EUIPO, C‑155/18 P–C‑158/18 P, EU:C:2020:151, punt 97, en 28 maart 2019, Robert Bosch/EUIPO (Simply. Connected.), T‑251/17 en T‑252/17, EU:T:2019:202, punt 27].
43 In het onderhavige geval staat vast dat het geding deel uitmaakt van een nietigheidsprocedure op basis van een absolute nietigheidsgrond. De kamer van beroep diende dus over te gaan tot een onderzoek dat beperkt was tot de gronden en argumenten van partijen, onverminderd de mogelijkheid om rekening te houden met algemeen bekende feiten.
44 Evenwel kan niet worden vastgesteld dat de kamer van beroep in strijd met artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001 de grenzen van haar onderzoek heeft overschreden.
45 Opgemerkt zij immers dat de kamer van beroep slechts heeft onderzocht of de door verzoekster specifiek aangevoerde absolute weigeringsgrond de nietigheid van het litigieuze merk kon meebrengen. [omissis]
47 Bovendien heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing geoordeeld dat het merk MONTANA rechtsgeldig was ingeschreven en heeft zij aldus de geldigheid ervan bevestigd.
48 Bijgevolg is de kamer van beroep niet ambtshalve overgegaan tot een onderzoek van relevante feiten op basis waarvan zij andere absolute weigeringsgronden zou kunnen hebben toegepast die afdoen aan de geldigheid van het litigieuze merk, overeenkomstig de in punt 40 hierboven aangehaalde rechtspraak.
49 Bovendien kan verzoekster niet stellen dat de kamer van beroep bij de beoordeling van de betrokken absolute weigeringsgrond een aantal „aanvullende feiten” ambtshalve heeft onderzocht (zie de punten 35 en 36 hierboven).
50 De in punt 36 hierboven opgesomde vaststellingen van de kamer van beroep betreffen immers haar beoordeling van de door verzoekster ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde elementen en van de motivering van de beslissing van de nietigheidsafdeling. Zij beogen de feiten, bewijzen en argumenten die verzoekster in haar vordering tot nietigverklaring had aangevoerd en die de kamer van beroep onjuist of onvoldoende bewijskrachtig heeft geacht, in de juiste context te plaatsen en de bevindingen te weerleggen waartoe de nietigheidsafdeling was gekomen bij de toewijzing van de vordering tot nietigverklaring. [omissis]
56 Hieruit volgt dat de vaststellingen van de kamer van beroep overeenkomstig de in punt 42 hierboven aangehaalde rechtspraak slechts een weerspiegeling vormen van het nieuwe volledige onderzoek van het beroep ten gronde, zowel rechtens als feitelijk, waarvan de uitkomst anders is dan verzoekster wenste.
57 Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief van het eerste middel en dus ook het eerste middel in zijn geheel moeten worden afgewezen. [omissis]
HET GERECHT (Derde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Franz Schröder GmbH & Co. KG wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).
3) RDS Design ApS zal haar eigen kosten dragen.
Collins Kreuschitz De Baere Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 juni 2021. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.