Gerecht EU 23 mei 2019, T-3/18, ECLI:EU:T:2019:357
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
23 mei 2019 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoord- en -beeldmerken ANN TAYLOR en AT ANN TAYLOR – Absolute nietigheidsgrond – Artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 – Kwade trouw”
In de gevoegde zaken T‑3/18 en T‑4/18,
Holzer y Cia, SA de CV, gevestigd te Mexico-Stad (Mexico), vertegenwoordigd door N. Fernández Fernández-Pacheco en A. Fernández Fernández-Pacheco, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Lukošiūtė en H. O’Neill als gemachtigden,
verweerder,
andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
Annco, Inc., gevestigd te New York, New York (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door D. Rose, J. Warner, E. Preston, solicitors, en P. Roberts, QC,
betreffende twee beroepen tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 2 november 2017 (zaak R 2370/2016‑2) en 8 november 2017 (zaak R 2371/2016‑2) inzake twee nietigheidsprocedures tussen Annco en Holzer y Cia,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, I. Labucka en I. Ulloa Rubio, rechters,
griffier: N. Schall, administrateur,
gezien de op 9 januari 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften,
gezien de op 23 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories van antwoord van het EUIPO,
gezien de op 23 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories van antwoord van interveniënte,
gezien de beslissing van 22 oktober 2018 tot voeging van de zaken T‑3/18 en T‑4/18 voor de mondelinge behandeling en voor de eindbeslissing,
na de terechtzitting op 22 november 2018,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
In rechte
[omissis]
24 Ten gronde voert verzoekster één middel aan, in wezen schending van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening [(EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)] doordat de kamer van beroep volgens haar ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze merken te kwader trouw zijn aangevraagd. Ter ondersteuning van dit middel voert zij drie grieven, te weten beoordelingsfouten betreffende, respectievelijk, de overeenstemming van de conflicterende tekens waardoor verwarringsgevaar kan ontstaan en het feit dat de houder van de litigieuze merken kennis had van het bestaan van een gelijk of overeenstemmend merk, het oogmerk van de houder van de litigieuze merken bij indiening van de aanvraag ervoor en de bewijswaarde van de elementen die interveniënte ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring heeft aangevoerd, alsook de bewijslast.
25 Interveniënte betoogt dat verzoekster met deze grieven niet aan de bepalingen van artikel 72, lid 2, van verordening 2017/1001 voldoet, aangezien zij niet aanvoert dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een procedurefout heeft gemaakt, maar enkel opkomt tegen haar beoordelingen en conclusies.
26 Dienaangaande zij er ten eerste aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 72, lid 2, van verordening 2017/1001 beroep tegen de beslissingen van de kamers van beroep openstaat wegens onder meer schending van deze verordening.
27 Zoals in punt 24 hierboven is aangegeven, is het onderhavige beroep gebaseerd op één enkel middel, namelijk in wezen schending van een bepaling van verordening 2017/1001, namelijk artikel 59, lid 1, onder b).
28 Ten tweede volgt uit de rechtspraak dat het Gerecht in het kader van artikel 72, lid 2, van verordening 2017/1001 bevoegd is om de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) volledig te toetsen en daarbij, zo nodig, na te gaan of deze kamers de feiten van het geding rechtens correct hebben gekwalificeerd en of de beoordeling van de aan deze kamers voorgelegde feitelijke elementen geen fouten vertoont (arrest van 18 december 2008, Les Éditions Albert René/BHIM, C‑16/06 P, EU:C:2008:739, punt 39).
29 Verzoekster heeft dus het recht met haar enige middel het Gerecht te verzoeken om de juistheid te toetsen van de beoordelingen, zowel rechtens als feitelijk, waarop de bestreden beslissingen zijn gebaseerd.
30 In het bijzonder kan verzoekster, anders dan interveniënte ter terechtzitting heeft verklaard, het Gerecht verzoeken om de bewijzen die de partijen aan het EUIPO hebben overgelegd, in het kader van de volledige toetsing van de rechtmatigheid van de bestreden beslissingen te onderzoeken teneinde na te gaan of de kamer van beroep deze bewijzen voldoende in aanmerking heeft genomen en de respectieve relevantie en bewijskracht ervan juist heeft beoordeeld, en of zij op basis daarvan op goede gronden heeft kunnen concluderen dat de litigieuze merken te kwader trouw waren aangevraagd.
31 Hoewel het begrip „kwade trouw” niet in de Uniewetgeving is omschreven, kan uit de gebruikelijke betekenis ervan en uit de context en doelstellingen van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 worden afgeleid dat het, zoals advocaat-generaal Sharpston in punt 60 van haar conclusie in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C‑529/07, EU:C:2009:148) heeft uiteengezet, betrekking heeft op een subjectieve beweegreden aan de zijde van de merkaanvrager, te weten een oneerlijke bedoeling of ander onzuiver motief, die gedrag veronderstelt dat afwijkt van de goede zeden of eerlijke zaken- en handelspraktijken [conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C-529/07, EU:C:2009:148, punt 60, en arrest van 7 juli 2016, Copernicus-Trademarks/EUIPO – Maquet (LUCEO), T‑82/14, EU:T:2016:396, punt 28].
32 Dit begrip is dus niet van toepassing wanneer de aanvraag tot inschrijving kan worden geacht te beantwoorden aan een legitiem doel en de bedoeling van de aanvrager niet in strijd is met de wezenlijke functie van een merk, die erin bestaat de consument of de eindverbruiker de identiteit van de herkomst van de betrokken waar of dienst te waarborgen in dier voege dat hij deze waar of dienst zonder gevaar voor verwarring kan onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punten 44-49, en 7 juli 2016, LUCEO, T‑82/14, EU:T:2016:396, punt 29).
33 Zo wordt met artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 de doelstelling van algemeen belang nagestreefd om onrechtmatige of met de eerlijke zaken- en handelspraktijken strijdige inschrijvingen van merken tegen te gaan (zie in die zin, naar analogie, arrest van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing, C‑569/08, EU:C:2010:311, punten 36 en 37). Dergelijke inschrijvingen zijn immers in strijd met het beginsel dat het Unierecht niet zo ruim mag worden toegepast dat misbruiken van marktdeelnemers worden gedekt waardoor het niet mogelijk wordt het met de betrokken wetgeving nagestreefde doel te bereiken (zie in die zin, naar analogie, arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punten 51 en 52, en 7 juli 2016, LUCEO, T‑82/14, EU:T:2016:396, punt 52).
34 Het staat aan de verzoeker tot nietigverklaring die zich op artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 wil baseren, om de omstandigheden aan te tonen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk te kwader trouw is ingediend, aangezien de goede trouw van de aanvrager tot bewijs van het tegendeel wordt vermoed [arrest van 8 maart 2017, Biernacka-Hoba/EUIPO – Formata Bogusław Hoba (Formata), T‑23/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:149, punt 45].
35 In dit verband is het begrip „kwade trouw”, in de zin van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, voor zover het oogmerk van de aanvrager op het moment van de indiening van de aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk hierdoor wordt gekenmerkt, weliswaar een subjectief gegeven, maar moet het aan de hand van de objectieve omstandigheden van het voorliggende geval worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punt 42).
36 Wanneer het EUIPO vaststelt dat het vermoeden van goede trouw dat de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk geniet, op basis van de objectieve omstandigheden van het concrete geval waarop de verzoeker tot nietigverklaring zich beroept, kan worden weerlegd, staat het evenwel aan de houder van het merk om een plausibele verklaring met betrekking tot de doelstellingen en de commerciële logica van de aanvraag tot inschrijving van dit merk te geven.
37 De merkhouder is immers het best in staat om zijn bedoelingen bij indiening van de aanvraag tot inschrijving van dit merk aan het EUIPO toe te lichten en gegevens te verstrekken die het EUIPO ervan kunnen overtuigen dat dit oogmerk ondanks de in punt 36 hierboven bedoelde objectieve omstandigheden legitiem was [zie in die zin, naar analogie, arresten van 9 november 2016, Birkenstock Sales/EUIPO (Weergave van een patroon van elkaar kruisende golvende lijnen), T‑579/14, EU:T:2016:650, punt 136, en 5 mei 2017, PayPal/EUIPO – Hub Culture (VENMO), T‑132/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:316, punten 51-59].
38 Tegen de achtergrond van deze overwegingen dienen verzoeksters grieven te worden onderzocht.
Eerste grief: beoordelingsfout van de kamer van beroep betreffende het bestaan van overeenstemming tussen de conflicterende tekens waardoor verwarringsgevaar kan ontstaan, en het feit dat de houder van de litigieuze merken wist dat er een overeenstemmend merk bestond
39 Verzoekster stelt dat het bestaan van overeenstemming tussen de conflicterende tekens waardoor verwarringsgevaar kan ontstaan, en het feit dat de houder van de litigieuze merken wist dat er een overeenstemmend merk bestond, twee noodzakelijke voorwaarden zijn waaraan moet zijn voldaan opdat de merkhouder kwade trouw kan worden aangewreven.
40 De onderhavige grief bestaat uit twee onderdelen: het eerste betreft een fout bij de toepassing van de eerste voorwaarde en het tweede betreft een fout bij de toepassing van de tweede voorwaarde.
41 In het kader van het eerste onderdeel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep een fout heeft gemaakt door te oordelen dat er sprake was van tot verwarring leidende overeenstemming van de conflicterende tekens, terwijl de betrokken waren niet dezelfde of soortgelijk waren. Verzoekster stelt namelijk dat uit de praktijk van het EUIPO blijkt dat kleding en horloges verschillende waren zijn, zodat de consument geen verband tussen de betrokken merken zal leggen. Zij is bovendien van mening dat interveniënte de bekendheid van het oudere merk niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond.
42 In het kader van het tweede onderdeel betoogt verzoekster dat zij in casu op het tijdstip van indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken niet wist dat er een gelijk of overeenstemmend merk bestond waardoor verwarring kon ontstaan, dat wil zeggen dat er een ouder merk met de woordelementen „ann taylor” voor waren van klasse 14 was ingeschreven. Voorts is verzoekster van mening dat ook al zou zij geweten hebben dat een dergelijk merk voor kleding was ingeschreven, deze omstandigheid irrelevant is.
43 Het EUIPO en interveniënte betwisten dit betoog.
44 De twee onderdelen van deze grief moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
Eerste onderdeel: beoordelingsfout van de kamer van beroep betreffende het bestaan van overeenstemming tussen de conflicterende tekens waardoor verwarringsgevaar kan ontstaan
45 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat dit onderdeel op drie premissen is gebaseerd.
46 In de eerste plaats stelt verzoekster, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, dat interveniënte, gelet op de criteria die zijn omschreven in het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C‑529/07, EU:C:2009:361), ten bewijze van de kwade trouw moest aantonen dat er in de Unie ter aanduiding van dezelfde waar een teken bestond dat gelijk was aan of overeenstemde met het aangevraagde teken waardoor verwarringsgevaar ontstond.
47 In de tweede plaats baseert verzoekster zich impliciet maar noodzakelijkerwijs op de veronderstelling dat de kamer van beroep in casu heeft vastgesteld dat er in de Unie een dergelijk gelijk of overeenstemmend teken voor een gelijke of overeenstemmende waar bestond, waardoor verwarringsgevaar ontstond.
48 In de derde plaats is verzoekster van mening dat interveniënte ten bewijze van de kwade trouw moest aantonen dat het oudere merk in de Unie bekend was.
49 Deze drie premissen zijn echter onjuist.
50 Wat allereerst de eerste premisse betreft, zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de kwade trouw van de aanvrager ten tijde van indiening van de inschrijvingsaanvraag globaal moet worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante factoren van het concrete geval (arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punten 35 en 37).
51 Dergelijke relevante factoren zijn volgens het Hof met name het feit dat de aanvrager weet of behoort te weten dat een derde in ten minste één lidstaat een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of een soortgelijke waar, waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvan inschrijving is aangevraagd, het oogmerk van de aanvrager om die derde het verdere gebruik van dit teken te beletten, alsook de omvang van de rechtsbescherming die het teken van de derde en het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd, genieten (arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punt 53).
52 Uit de rechtsoverwegingen van het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C‑529/07, EU:C:2009:361), volgt niettemin dat de in punt 51 hierboven opgesomde drie factoren slechts voorbeelden zijn van factoren waarmee rekening kan worden gehouden bij de uitspraak over de kwade trouw van een merkaanvrager op het moment van indiening van de aanvraag [arrest van 14 februari 2012, Peeters Landbouwmachines/BHIM – Fors MW (BIGAB), T‑33/11, EU:T:2012:77, punt 20]. In dat arrest heeft het Hof namelijk enkel de vragen van de nationale rechter beantwoord, die in wezen betrekking hadden op de vraag of dergelijke factoren relevant waren (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punten 22 en 38). De afwezigheid van een van deze factoren vormt dan ook niet noodzakelijkerwijs een beletsel voor de vaststelling van de kwade trouw van de aanvrager naargelang de specifieke omstandigheden van het concrete geval (zie in die zin arrest van 7 juli 2016, LUCEO, T‑82/14, EU:T:2016:396, punt 147).
53 Dienaangaande moet worden benadrukt dat het begrip „kwade trouw” in de zin van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, zoals advocaat-generaal Sharpston heeft opgemerkt in punt 60 van haar conclusie in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C‑529/07, EU:C:2009:148), niet kan worden beperkt tot een afgebakende categorie bijzondere omstandigheden. De in punt 33 hierboven uiteengezette doelstelling van algemeen belang van deze bepalingen om onrechtmatige of met de eerlijke zaken- en handelspraktijken strijdige inschrijvingen van merken tegen te gaan, zou immers in gevaar worden gebracht indien de kwade trouw slechts zou kunnen worden aangetoond aan de hand van de in het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C‑529/07, EU:C:2009:361), limitatief opgesomde omstandigheden (zie in die zin, naar analogie, arrest van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing, C‑569/08, EU:C:2010:311, punt 37).
54 Zo kan volgens vaste rechtspraak bij de globale beoordeling van de vraag of de aanvrager te kwader trouw was, ook rekening worden gehouden met de oorsprong van het litigieuze teken en met het gebruik ervan sinds zijn ontstaan, met de commerciële logica die met de indiening van de Uniemerkaanvraag voor dit teken wordt gevolgd, alsook met de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die deze indiening hebben gekenmerkt [zie arrest van 26 februari 2015, Pangyrus/BHIM – RSVP Design (COLOURBLIND), T‑257/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:115, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55 Overigens dient erop te worden gewezen dat kwade trouw van de aanvrager bij de indiening van een merkaanvraag, die een van de in artikel 59, lid 1, van verordening 2017/1001 genoemde absolute nietigheidsgronden vormt, anders dan de in artikel 60 van deze verordening vermelde nietigheidsgronden, niet uitsluitend strekt tot bescherming van de particuliere belangen van houders van bepaalde oudere rechten die met het betrokken merk conflicteren, maar tot bescherming van het algemene belang. Derhalve kunnen de beoordelingen die relevant zijn om een van deze relatieve nietigheidsgronden vast te stellen, niet noodzakelijkerwijs worden toegepast voor de vaststelling dat er sprake is van kwade trouw (zie in die zin, naar analogie, arrest van 22 oktober 2015, BGW, C‑20/14, EU:C:2015:714, punten 23-34).
56 Met name kan van de verzoeker tot nietigverklaring die kwade trouw aanvoert, niet systematisch worden verlangd dat hij aantoont dat er in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 gevaar bestaat voor verwarring van zijn oudere merk met het litigieuze merk. Zoals het EUIPO en interveniënte ter terechtzitting hebben opgemerkt, zou daarmee namelijk artikel 59, lid 1, onder b), van verordening nr. 2017/1001 grotendeels zijn nuttige werking verliezen. Bovendien kunnen deze bepalingen, die strekken tot bescherming van het algemeen belang, door iedere natuurlijke of rechtspersoon, en niet enkel door houders van oudere rechten, worden ingeroepen.
57 In casu volstaat het vast te stellen dat interveniënte ten bewijze van verzoeksters kwade trouw bij indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken voor het EUIPO omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot het feit dat de eerste van deze twee vennootschappen in Mexico merken heeft aangevraagd en gebruikt die gelijk zijn aan die litigieuze merken, welke omstandigheden volgens haar een uiting vormen van het oogmerk van die vennootschap om zich haar in de Verenigde Staten voor kleding ingeschreven overeenstemmende merk op oneerlijke wijze toe te eigenen. De voorwaarden van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 kunnen uiteraard echter geen geschikte criteria zijn om te beoordelen of die omstandigheden relevant zijn.
58 Wat vervolgens de tweede premisse van het onderhavige onderdeel betreft, volstaat het op te merken dat de kamer van beroep in casu enkel heeft vastgesteld dat de litigieuze merken en interveniëntes tekens gelijk waren of overeenstemden en dat er een correlatie bestond tussen de door deze merken bedoelde horloges van klasse 14 en de waren uit de kledingsector van klasse 25 waarvoor bovengenoemde tekens werden gebruikt. Zoals verzoekster zelf heeft opgemerkt, heeft de kamer van beroep in punt 26 van de bestreden beslissingen evenwel uitdrukkelijk verklaard dat deze waren niet konden worden geacht overeen te stemmen in de zin van het arrest van 29 september 1998, Canon (C‑39/97, EU:C:1998:442), dat betrekking had op de vraag in welke omstandigheden verwarringsgevaar kan ontstaan vanwege het feit dat waren of diensten soortgelijk zijn. De kamer van beroep kan dus niet worden verweten de bestreden beslissingen te hebben gebaseerd op onjuiste feitelijke overwegingen op grond dat zij in casu ten onrechte heeft vastgesteld dat er verwarringsgevaar bestond.
59 Wat ten slotte de derde premisse van het onderhavige onderdeel betreft, moet worden opgemerkt dat de bekendheid van het oudere merk met name een voorwaarde voor de toepassing van artikel 8, lid 5, en artikel 60, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 is, die kan worden ingeroepen wanneer het gevaar bestaat dat door het gebruik van het aangevraagde merk ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidende vermogen of de reputatie van het oudere merk. Volgens vaste rechtspraak zijn de in deze bepalingen bedoelde inbreuken, wanneer zij zich voordoen, het gevolg van een zekere mate van overeenstemming tussen het oudere merk en het aangevraagde merk, op grond waarvan het betrokken publiek een samenhang ziet tussen beide merken, dat wil zeggen een verband ertussen legt, ook al verwart het deze merken niet noodzakelijkerwijs [zie arrest van 11 december 2014, Coca-Cola/BHIM – Mitico (Master), T‑480/12, EU:T:2014:1062, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
60 Hoewel de bekendheid in de Unie van een ouder teken, naargelang van de omstandigheden van het geval, relevant kan zijn voor de beoordeling van de kwade trouw, kan om soortgelijke redenen als die welke in de punten 55 en 56 hierboven zijn aangevoerd, van de verzoeker tot nietigverklaring die dit gegeven aanvoert daarentegen niet worden verlangd de bekendheid van het oudere teken systematisch aan te tonen, zoals is vereist voor degene die onder verwijzing naar de voorwaarden van artikel 60, lid 1, onder a), en artikel 8, lid 5, van verordening 2017/1001 om nietigverklaring verzoekt. Zoals in punt 35 hierboven in herinnering is gebracht, is kwade trouw een kenmerk van het oogmerk van de aanvrager op het moment van indiening van de inschrijvingsaanvraag. Zoals interveniënte ter terechtzitting heeft opgemerkt, zijn de eventuele gevolgen van het gebruik van dit merk voor de bekendheid van een ouder merk daarentegen niet noodzakelijkerwijs relevant.
61 Zelfs indien de bekendheid van interveniëntes merken in casu relevant zou zijn, zou, gelet op de door interveniënte aangevoerde omstandigheden, hoe dan ook niet hun bekendheid in de Unie, maar hun bekendheid in de Verenigde Staten en Mexico in aanmerking moeten worden genomen. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, beroept zij zich enkel op het feit dat interveniëntes merken op het grondgebied van de Unie niet bekend zijn.
62 Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep in casu geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een beoordelingsfout op grond dat er geen gelijk of overeenstemmend teken voor dezelfde of een soortgelijke waar bestaat waardoor verwarring kan ontstaan met de tekens waarvoor inschrijving is aangevraagd, of op grond dat interveniëntes oudere tekens in de Unie niet bekend zijn.
63 Ofschoon de premissen van dit onderdeel onjuist zijn, moet de gegrondheid ervan worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op de fout die de kamer van beroep zou hebben gemaakt door te oordelen dat er een correlatie bestond tussen de door de litigieuze merken aangeduide waren en de waren waarop de door interveniënte gebruikte tekens betrekking hebben, en voor zover deze correlatie relevant was om vast te stellen dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag voor deze merken te kwader trouw was.
64 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het bestaan van gelijke of overeenstemmende tekens die worden gebruikt voor waren die behoren tot een marktsegment dat grenst aan het segment van de waren waarvoor het litigieuze merk is ingeschreven, relevant kan blijken te zijn om de kwade trouw van de aanvrager aan te tonen.
65 Ook al zijn de door de gelijke of overeenstemmende tekens aangeduide waren in een dergelijk geval verschillend, de aanvrager van het litigieuze merk kan, als dat zijn bedoeling is, immers strategieën ontplooien om dit merk te exploiteren op een wijze die in strijd is met de goede zeden of eerlijke zaken- en handelspraktijken, vanwege het feit dat de respectieve marktsegmenten aan elkaar grenzen. Zo kan hij het merk exploiteren om doelbewust, bij vakmensen of bij het publiek, een associatie tot stand te brengen met de onderneming die gelijke of overeenstemmende tekens in eigendom heeft of gebruikt, of om te verhinderen dat die onderneming haar activiteiten uitbreidt tot het marktsegment waarvoor zijn merk is ingeschreven, terwijl deze uitbreiding van haar activiteiten voor die onderneming een legitieme strategie ter uitbreiding van de handelsactiviteiten kan vormen.
66 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de beoordelingen van de kamer van beroep met betrekking tot ten eerste de exploitatie door interveniënte van het teken ANN TAYLOR (of het in hoge mate overeenstemmende teken ANNTAYLOR) en ten tweede de gelijkenis of overeenstemming van de litigieuze merken met deze tekens geen fouten bevatten.
67 In dit verband volstaat het vast te stellen dat de kamer van beroep, gelet op de bewijzen die interveniënte in de nietigheidsprocedure heeft overgelegd, heeft kunnen vaststellen dat het merk ANN TAYLOR sinds 1954 door deze onderneming wordt gebruikt, althans in de Verenigde Staten, met name voor kledingstukken, en dat zij in bijna negentig landen houdster is van verschillende inschrijvingen voor gelijke of overeenstemmende merken, met name voor dezelfde waren. Met name zij opgemerkt dat interveniënte bij het EUIPO en de autoriteiten van bepaalde lidstaten merkaanvragen heeft ingediend voor het teken ANN TAYLOR of voor tekens die vóór indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken in hoge mate overeenstemden.
68 Voorts moet worden vastgesteld dat het litigieuze woordmerk en het woordmerk ANN TAYLOR waarvan interveniënte houdster is, identiek zijn en dat het woordmerk overeenstemming vertoont met een van haar andere woordmerken, ANNTAYLOR, met als enige verschil, in dat laatste geval, dat er een spatie ontbreekt tussen het element „ann” en het element „taylor”. Bovendien is het juist, zoals blijkt uit de beoordelingen van de nietigheidsafdeling, die door de kamer van beroep zijn bevestigd, dat de algemene indruk die het litigieuze beeldmerk oproept, niet fundamenteel verschilt van de algemene indruk van interveniëntes bovengenoemde merken omdat daarin het in hoofdletters geschreven element „ANN TAYLOR” is opgenomen en een zelfstandige onderscheidende en dominerende plaats inneemt.
69 In de derde plaats volgt uit de rechtspraak dat waren van klasse 14 zoals horloges en waren van klasse 25 zoals kledingstukken, ongeacht of deze waren soortgelijk zijn in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, tot aangrenzende marktsegmenten behoren. Met name op het gebied van luxeartikelen worden deze waren onder bekende merken van vermaarde designers en fabrikanten verkocht en richten kledingfabrikanten zich dus vaak op de markt van waren van klasse 14, waaronder de markt van horloges [zie in die zin arrest van 12 februari 2015, Compagnie des montres Longines, Francillon/BHIM – Cheng (B), T‑505/12, EU:T:2015:95, punten 47-49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
70 Voorts volgt uit de rechtspraak dat weliswaar niet op basis van de complementariteit van horloges en kleding kan worden vastgesteld of deze waren soortgelijk zijn, maar dat zij gemeen hebben dat zij een rol spelen in het uiterlijk van een persoon, zodat de aankoop ervan, althans deels, kan zijn ingegeven door het imago dat zij voor deze persoon uitstralen, en zelfs door een zekere „esthetische complementariteit” die ermee moet worden bewerkstelligd [zie in die zin, naar analogie, arresten van 9 juli 2015, CMT/BHIM – Camomilla (Camomilla), T‑98/13 en T‑99/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:480, punt 75, en 28 september 2016, The Art Company B & S/EUIPO – G-Star Raw (THE ART OF RAW), T‑593/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:572, punt 42].
71 De kamer van beroep heeft dus geen fout gemaakt door vast te stellen dat er sprake is van een correlatie tussen de door de litigieuze merken aangeduide waren en de waren van de kledingsector waarvoor interveniëntes merken zijn gebruikt of aangevraagd. Bovendien heeft de kamer van beroep terecht vastgesteld dat de praktijk van modeontwerpers om hun aanbod uit te breiden tot waren die tot marktsegmenten behoren die aan de kledingsector grenzen, in casu werd geïllustreerd door de uitbreiding van het assortiment van waren waarop interveniëntes merken betrekking hebben, tot andere waren dan kledingstukken, zoals schoenen, sieraden, zonnebrillen, parfums en horloges.
72 Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat het feit dat merken die gelijk zijn aan of sterk overeenstemmen met de litigieuze merken, sinds 1954 werden geëxploiteerd en beschermd voor waren van een aangrenzend marktsegment, in casu een relevante factor vormde om te beoordelen of de aanvrager bij indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken te kwader trouw was.
73 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van verzoekster en de elementen die zij ter ondersteuning van haar betoog aandraagt.
74 Ten eerste moet het EUIPO, gelet op het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur, weliswaar rekening houden met beslissingen die inzake soortgelijke aanvragen reeds zijn genomen en zeer aandachtig onderzoeken of al dan niet een soortgelijke beslissing moet worden genomen, maar moet de toepassing van die beginselen worden verzoend met het wettigheidsbeginsel (zie in die zin, naar analogie, arrest van 28 juni 2018, EUIPO/Puma, C‑564/16 P, EU:C:2018:509, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 In casu verwijst verzoekster voor het Gerecht in de eerste plaats naar twee beslissingen die na de [beslissingen van de kamer van beroep van 2 november 2017 (zaak R 2370/2016‑2) en 8 november 2017 (zaak R 2371/2016‑2) (hierna: „bestreden beslissingen”)] zijn genomen. Bijgevolg kan de kamer van beroep niet worden verweten deze beslissingen niet in aanmerking te hebben genomen. Volgens vaste rechtspraak is het in artikel 65 van verordening 2017/1001 bedoelde beroep bij het Gerecht gericht op toetsing van de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep en moet in het kader van een vordering tot vernietiging de rechtmatigheid van de bestreden handeling worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Derhalve is het niet de taak van het Gerecht om de feiten opnieuw te onderzoeken tegen de achtergrond van bewijsmateriaal dat voor het eerst voor hem wordt overgelegd [arrest van 21 maart 2012, Feng Shen Technology/BHIM – Majtczak (FS), T‑227/09, EU:T:2012:138, punt 25, bevestigd bij beschikking van 7 februari 2013, Majtczak/Feng Shen Technology en BHIM, C‑266/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:73, punt 45].
76 In de tweede plaats betoogt verzoekster met betrekking tot de beslissingen van het EUIPO die zij in het kader van de nietigheidsprocedure heeft aangevoerd, enkel dat dit er meer dan vijftig waren en dat daarin telkens is vastgesteld dat er een verschil tussen horloges en kledingstukken bestaat, zonder specifiek naar een van deze beslissingen te verwijzen. Deze overwegingen volstaan kennelijk niet om aan te tonen dat de kamer van beroep die beslissingen in aanmerking moest nemen. Volgens vaste rechtspraak kan voorts een algemene verwijzing naar andere geschriften het ontbreken van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die in het verzoekschrift zelf moeten worden vermeld, niet verhelpen. Derhalve is het in het kader van een beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO niet de taak van het Gerecht om in het dossier van de procedure voor het EUIPO te zoeken naar de argumenten waarnaar verzoekster zou kunnen verwijzen, en dient het Gerecht deze evenmin te onderzoeken [zie in die zin arrest van 17 juni 2008, El Corte Inglés/BHIM – Abril Sánchez en Ricote Saugar (BoomerangTV), T‑420/03, EU:T:2008:203, punten 92 en 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
77 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de overwegingen betreffende het verschil tussen horloges en kleding in de beslissingen die verzoekster zowel voor het EUIPO als voor het Gerecht heeft aangevoerd, zijn gemaakt in het kader van de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 of van artikel 8, lid 5, van die verordening. Om de in de punten 55 tot en met 61 hierboven genoemde redenen zijn die beslissingen derhalve niet relevant.
78 Ten tweede kan niet worden ingestemd met verzoeksters overwegingen inzake het ontbreken van een verband tussen de litigieuze merken en interveniëntes oudere merken op grond dat zij bestaan uit een gangbare vrouwelijke voornaam en een gangbare familienaam. Zoals de kamer van beroep in punt 25 van de bestreden beslissingen terecht heeft vastgesteld, betekent het feit dat de voornaam Ann en de achternaam Taylor in Engelstalige landen vaak voorkomen, namelijk niet noodzakelijkerwijs dat de combinatie van beide ook gangbaar is. Zoals de kamer van beroep ook heeft vastgesteld, wordt overigens niet gesteld dat derden andere merken met deze combinatie in de handel gebruiken. Een dergelijke omstandigheid vloeit evenmin voort uit de stukken van het dossier van de nietigheidsprocedure bij het EUIPO. Bijgevolg wordt het verband tussen de litigieuze merken en interveniëntes merken, die gelijk zijn of in hoge mate overeenstemmen, niet zwakker door de mate van intrinsiek onderscheidend vermogen van deze merken of van het gebruik ervan.
79 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van de eerste grief worden afgewezen.
Tweede onderdeel van de eerste grief: beoordelingsfout van de kamer van beroep betreffende het feit dat verzoekster op het tijdstip van indiening van de aanvraag van de litigieuze merken kennis had van interveniëntes gelijke of overeenstemmende merken
[omissis]
83 In casu heeft de kamer van beroep geoordeeld dat op basis van de hiernavolgende omstandigheden was komen vast te staan dat verzoekster kennis had van interveniëntes rechten op tekens die gelijk waren aan of overeenstemden met de litigieuze merken, ter aanduiding van kledingstukken.
84 In de eerste plaats heeft de kamer van beroep in de punten 33 tot en met 37 van de bestreden beslissingen, op basis van schriftelijke verklaringen onder ede van advocaten die interveniëntes belangen behartigden en een e-mail van verzoeksters advocaat aan een van deze raadslieden van interveniënte, opgemerkt dat was aangetoond dat verzoeksters directeur, Holzer, begin 2000 had getracht contact op te nemen met interveniëntes managers om een mondiale licentieovereenkomst te verkrijgen. De kamer van beroep heeft vastgesteld dat deze feiten dateerden van vóór de indiening, in 2003, van de aanvraag voor het merk ANN TAYLOR in Mexico, verzoeksters eerste merk dat in dat land was ingeschreven en de woordelementen „ann taylor” bevatte, op basis waarvan zij haar strategie ter uitbreiding van haar handelsactiviteiten tot de Unie rechtvaardigt. Volgens de kamer van beroep had verzoekster het bestaan van deze poging in weerwil van haar betoog erkend. [omissis]
91 Voorts betwist verzoekster de geldigheid van zowel de schriftelijke verklaringen onder ede van interveniëntes advocaten, op grond dat deze advocaten in dienstverband bij haar werken, als de e-mail van een van haar eigen advocaten, op grond dat de advocaat in kwestie niet rechtstreeks op de hoogte was van de inhoud en het doel van de stappen van Holzer en het EUIPO die e-mail niet in aanmerking kon nemen omdat het een vertrouwelijk bericht was.
92 In casu zij opgemerkt dat uit het dossier geenszins kan worden afgeleid dat de advocaten die deze verklaringen hebben opgesteld en die interveniëntes belangen vertegenwoordigen, in dienstverband bij haar werken of anderszins aan haar zijn verbonden.
93 Uit de bijlagen bij de vordering tot nietigverklaring die deze verklaringen bevatten, blijkt daarentegen dat twee van die advocaten partner zijn bij het advocatenkantoor F., Z., L. en Z., gevestigd te New York (Verenigde Staten), en dat de twee andere advocaten partner zijn bij twee advocatenkantoren in Mexico, een bij A. & L. en een bij O. & Cia.
94 Hieruit moet dus worden afgeleid dat deze advocaten onafhankelijk zijn en derden zijn ten opzichte van interveniënte.
95 Daarenboven zijn advocaten in beginsel aan gedragsrechtelijke voorwaarden onderworpen op grond waarvan zij met name eerlijkheid moeten betrachten op straffe van tuchtrechtelijke vervolging (zie in die zin arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punten 42 en 45).
96 Bijgevolg is de bewijswaarde van de betrokken verklaringen onder ede noodzakelijkerwijs hoger dan die van werknemers van interveniënte of van personen die op een of andere wijze met haar zijn verbonden [zie in die zin arrest van 13 juni 2012, Süd-Chemie/BHIM – Byk-Cera (CERATIX), T‑312/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:296, punt 30]. [omissis]
102 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten op Unieniveau moet worden beschermd, voor zover de communicatie met de advocaat verband houdt met de verdediging van de cliënt en die advocaat onafhankelijk is (zie arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Op het gebied van mededinging heeft die bescherming tot gevolg dat deze communicatie aan de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie wordt onttrokken en zij op basis van deze communicatie geen boete kan opleggen wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie (arrest van 29 februari 2016, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑267/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:110, punt 49).
103 Gesteld dat deze rechtspraak van toepassing is op de bewijselementen die in procedures bij het EUIPO zijn overgelegd, is de in punt 84 hierboven bedoelde e-mail van verzoeksters advocaat gericht aan een van interveniëntes advocaten. Het betreft dus geen communicatie tussen advocaten en cliënten in de zin van de in punt 102 hierboven aangehaalde rechtspraak. Hoewel in deze e-mail elementen aan bod komen die verzoekster ter kennis van haar advocaat heeft gebracht, moet worden vastgesteld dat zij niet stelt geen toestemming te hebben gegeven voor de openbaarmaking van die elementen aan vertegenwoordigers van interveniënte en evenmin aan interveniënte zelf, hetgeen overigens nergens uit die e-mail blijkt. De waarschuwing onderaan deze e-mail, die gewoonlijk in zakelijke correspondentie wordt opgenomen, staat enkel in de weg aan openbaarmaking van die e-mail aan derden of aan publicatie ervan en kan op zich geen belemmering vormen voor het gebruik ervan in de litigieuze nietigheidsprocedure, die betrekking heeft op verzoekster en interveniënte zelf.
104 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat de in die e-mail ter sprake gebrachte elementen betreffende de bedoeling van Holzer toen hij met interveniënte contact opnam, ook zijn terug te vinden in de verklaringen onder ede van interveniëntes advocaten en door verzoekster zelf in haar eigen verklaringen voor het EUIPO gedeeltelijk zijn overgenomen. Deze elementen waren op zich dus niet vertrouwelijk.
105 Bijgevolg was de kamer van beroep op goede gronden van oordeel dat de schriftelijke verklaringen onder ede van interveniëntes advocaten en de e-mail van een van haar advocaten geldige en bewijskrachtige elementen waren op basis waarvan kon worden vastgesteld welke bedoeling Holzer voor ogen had toen hij met interveniënte contact opnam voordat het merk ANN TAYLOR in Mexico werd ingeschreven.
106 Voor het overige moet worden opgemerkt dat verzoekster weliswaar betwist dat deze stappen ertoe strekten een overeenkomst voor de verkoop van horloges onder het merk ANN TAYLOR te sluiten, maar geenszins heeft toegelicht wat het doel en de inhoud zouden zijn geweest van die handelingen, waarvan zij nochtans het bestaan erkent. Zij was echter het best in staat om de bedoelingen van die stappen aan de kamer van beroep toe te lichten en haar in weerwil van bovengenoemde bewijzen ervan te overtuigen dat die stappen geen verband hielden met de commerciële exploitatie van het merk ANN TAYLOR. [omissis]
Tweede grief: beoordelingsfout van de kamer van beroep met betrekking tot verzoeksters oogmerk bij indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken
111 De tweede grief bestaat uit twee onderdelen.
112 Ten eerste betoogt verzoekster dat de omstandigheden op basis waarvan de kamer van beroep tot de conclusie is gekomen dat de houder van de litigieuze merken het bewuste voornemen had om een associatie tussen deze merken en interveniëntes merken tot stand te brengen, niet in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien deze omstandigheden niet rechtstreeks aan haar kunnen worden toegeschreven en zij hierop evenmin invloed heeft.
113 Ten tweede stelt verzoekster dat de kamer van beroep andere omstandigheden die haar handelwijze kunnen verklaren en haar goede trouw kunnen aantonen, niet in aanmerking heeft genomen. In dit verband voert zij in de eerste plaats aan dat haar niet kan worden verweten de reputatie van interveniëntes merk te hebben misbruikt, omdat dat merk geen bekend merk is, er een verschil bestaat tussen de door de conflicterende tekens beschermde waren en de twee litigieuze merken normaal en ononderbroken worden geëxploiteerd. In de tweede plaats stelt zij dat niet kan worden vastgesteld dat de inschrijving van de litigieuze merken, die een logische stap in haar handelsstrategie was, tot doel had een derde te verhinderen om tot de markt toe te treden. In de derde plaats betoogt zij dat geen eerdere relatie met interveniënte kon worden vastgesteld en dat de litigieuze merken onafhankelijk zijn ontworpen.
114 Het EUIPO en interveniënte betwisten dit betoog.
Eerste onderdeel van de tweede grief: onterechte inaanmerkingneming van omstandigheden die niet aan verzoekster kunnen worden toegeschreven
[omissis]
124 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de kamer van beroep, zoals blijkt uit de punten 87 tot en met 105 hierboven, geen fout heeft gemaakt door te oordelen dat rechtens genoegzaam was aangetoond dat verzoekster vóór indiening van de aanvraag voor het eerste Mexicaanse merk ANN TAYLOR had gepoogd het recht te verkrijgen om horloges onder hetzelfde merk als dat van interveniënte in de handel te brengen, en dat interveniënte had geweigerd op die poging in te gaan.
125 Bijgevolg kon de kamer van beroep concluderen dat deze omstandigheden een eerste aanwijzing van verzoeksters kwade trouw vormden. De opeenvolging van de feiten die deze omstandigheden kenmerkt, suggereert immers dat het gebruik van het merk ANN TAYLOR door verzoekster is terug te voeren op het oogmerk om zich dit teken toe te eigenen voor de verkoop van haar horloges en om een associatie tot stand te brengen met interveniëntes gelijke of overeenstemmende oudere merken, zonder interveniëntes toestemming, daar zij geen toestemming had verkregen, en ofschoon interveniënte zich uitdrukkelijk tegen een dergelijk gebruik van dit merk had verzet.
126 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het gebruik van het litigieuze teken, zoals in punt 54 hierboven in herinnering is gebracht, een element kan vormen dat in aanmerking moet worden genomen voor de kwalificatie van het oogmerk dat ten grondslag lag aan de aanvraag tot inschrijving van dit teken, met inbegrip van het gebruik na de datum van die aanvraag. Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geconcludeerd dat de door interveniënte aangevoerde omstandigheden met betrekking tot het gebruik van verzoeksters Mexicaanse merken zich weliswaar na indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken hebben voorgedaan, maar haar bedoelingen op het moment van indiening van die aanvraag konden verduidelijken en om die reden in aanmerking moesten worden genomen [zie in die zin, naar analogie, arrest van 16 mei 2017, Airhole Facemasks/EUIPO – sindustrysurf (AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT), T‑107/16, EU:T:2017:335, punt 41]. [omissis]
Tweede onderdeel van de tweede grief: verzuim van de kamer van beroep om de door verzoekster aangevoerde omstandigheden die haar goede trouw konden aantonen, in aanmerking te nemen
157 Volgens verzoekster ontbreken in casu omstandigheden die in de eerdere rechtspraak als mogelijk bewijs van kwade trouw zijn aanvaard, zoals een poging om in het kielzog van het bekende oudere merk te varen of voordeel te halen uit de bekendheid ervan [arrest van 8 mei 2014, Simca Europe/BHIM – PSA Peugeot Citroën (Simca), T‑327/12, EU:T:2014:240, punt 56], het feit dat een aanvraag tot inschrijving van een merk uitsluitend tot doel heeft een derde te verhinderen om tot de markt toe te treden en zijn eigen merk te gebruiken (arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punt 44), het feit dat er een financiële vergoeding wordt gevraagd (arrest van 8 mei 2014, Simca, T‑327/12, EU:T:2014:240, punt 72), alsook de omstandigheden waarin het litigieuze teken is ontworpen, het gebruik dat sinds het ontwerp ervan is gemaakt, de commerciële logica die aan de aanvraag tot inschrijving van het teken als Uniemerk ten grondslag lag, en de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die tot indiening van deze aanvraag hebben geleid.
158 Dienaangaande volgt in de eerste plaats uit de in punt 52 hierboven aangehaalde rechtspraak dat het ontbreken van een factor die het Gerecht of het Hof in de bijzondere context van het geschil of van de vraag die het toen had te beslechten, relevant had geacht om de kwade trouw van de aanvrager aan te tonen, niet noodzakelijkerwijs eraan in de weg staat dat de kwade trouw van de merkaanvrager ook in andere omstandigheden wordt vastgesteld. Zoals in punt 53 hierboven in herinnering is gebracht, kan het begrip „kwade trouw” in de zin van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 namelijk niet worden beperkt tot een afgebakende categorie bijzondere omstandigheden.
159 In de tweede plaats vormen zowel de omstandigheden waarin het litigieuze teken is ontworpen als het gebruik dat ervan is gemaakt, alsook de commerciële logica die ten grondslag ligt aan indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken en de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die tot indiening van deze aanvraag hebben geleid, anders dan verzoekster stelt, in casu relevante gegevens op grond waarvan haar kwader trouw kan worden aangetoond.
160 Aangezien, zoals verzoekster zelf aangeeft, met de litigieuze merken wordt beoogd de bescherming uit te breiden van gelijke merken die voor het eerst in Mexico zijn aangevraagd, heeft de kamer van beroep de omstandigheden waarin zij waren ontworpen, het gebruik dat ervan was gemaakt, de commerciële logica die eraan ten grondslag lag en de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die tot indiening van de aanvraag hadden geleid, immers terecht in aanmerking genomen. Zoals uit de punten 124 tot en met 155 hierboven blijkt, heeft de kamer van beroep enerzijds uit de opeenvolging van feiten die het ontstaan van verzoeksters eerste Mexicaanse merk ANN TAYLOR kenmerken kunnen afleiden dat zij het voornemen had om het gelijke merk van interveniënte zonder haar toestemming te exploiteren door een associatie daarmee tot stand te brengen, en anderzijds uit het gebruik van dit Mexicaanse merk dat er een commerciële strategie ten uitvoer is gelegd die tot een dergelijke associatie moest leiden.
161 Het feit dat deze omstandigheden niet rechtstreeks betrekking hebben op de indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken en het gebruik van die merken in de Unie, doet niet ter zake, aangezien verzoekster niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat met die aanvraag en dat gebruik andere doelen werden nagestreefd dan het aanvragen en gebruiken van de merken die zij in Mexico had ingeschreven. Volgens de verklaringen van verzoekster zelf zijn de aanvragen voor de litigieuze merken juist ingediend in het kader van een commerciële strategie die ertoe strekt de bescherming van haar oudere Mexicaanse merken uit te breiden.
162 In de derde plaats kan niet worden ingestemd met verzoeksters redenering dat haar niet kan worden verweten in het kielzog van interveniëntes bekende merk ANN TAYLOR te willen varen omdat het geen bekend merk was.
163 Ten eerste blijkt uit de bewijzen waarop de kamer van beroep zich bij gebreke van een geloofwaardige andere verklaring heeft gebaseerd, immers dat de exploitatie van een associatie tussen interveniëntes Amerikaanse merk ANN TAYLOR en verzoeksters gelijke Mexicaanse merk deel uitmaakte van verzoeksters commerciële strategie. Bijgevolg moet hieruit worden afgeleid dat verzoekster meende belang bij een dergelijke exploitatie te hebben, los van de vraag of de bekendheid van interveniëntes merk was aangetoond.
164 Ten tweede zij eraan herinnerd dat interveniënte bij het EUIPO en de autoriteiten van de lidstaten merkaanvragen voor het teken ANN TAYLOR of voor overeenstemmende tekens heeft ingediend vóór indiening van de aanvragen voor de litigieuze merken. Bovendien heeft interveniënte elementen aangevoerd die erop duiden dat haar merk bij sommige vakmensen in de modesector in het Verenigd Koninkrijk bekend was en dat in de Unie gevestigde consumenten waren hadden gekocht die onder dit merk op de markt waren gebracht. Deze elementen wijzen erop dat interveniënte een commerciële strategie voerde die op consumenten van de Unie was gericht, waarvan verzoekster, gelet op haar eigen strategie, kon profiteren. Zij doen dus niet af aan de redenering van de kamer van beroep dat de indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken deel uitmaakt van dezelfde commerciële strategie om een associatie met interveniëntes merk ANN TAYLOR tot stand te brengen als de strategie die ten grondslag ligt aan de indiening van de aanvraag voor en het gebruik van verzoeksters Mexicaanse merken, waarvan zij de bescherming beogen uit te breiden. [omissis]
166 In de vijfde plaats vormt noch de omstandigheid dat verzoekster interveniënte niet om een financiële vergoeding heeft verzocht, noch het feit, ook al zou dit zijn aangetoond, dat de litigieuze merken sinds de aanvraag ervan normaal en ononderbroken zijn geëxploiteerd, gelet op de omstandigheden van het geval, een element op grond waarvan kan worden aangetoond dat die aanvraag met een legitiem oogmerk was ingediend. De door de kamer van beroep aan verzoekster toegerekende kwade trouw heeft immers noch betrekking op de poging om interveniënte ertoe te dwingen haar financieel te vergoeden, noch op de indiening van een aanvraag voor een zuiver speculatief merk, maar op het oogmerk om zich het teken ANN TAYLOR zonder interveniëntes toestemming toe te eigenen en om bewust een associatie tot stand te brengen met haar gelijke of overeenstemmende oudere merken. [omissis]
173 Bijgevolg kon de kamer van beroep op goede gronden concluderen dat de in de punten 169 en 170 hierboven bedoelde stappen van verzoekster een uiting waren van haar oogmerk om interveniënte te beletten het gebruik van haar merk ANN TAYLOR uit te breiden tot de horlogesector in de Unie, welke uitbreiding voor interveniënte, als dat haar voornemen was, een legitieme commerciële strategie kon vormen. Omgekeerd kan verzoeksters poging tot verzet, aangezien is aangetoond dat indiening van de aanvraag voor de litigieuze merken deel uitmaakte van een strategie van kwade trouw die ertoe strekte om zich het teken ANN TAYLOR zonder interveniëntes toestemming toe te eigenen en een associatie tot stand te brengen met haar gelijke of overeenstemmende merken, niet worden geacht te beantwoorden aan het legitieme doel om die litigieuze merken te beschermen tegen oneerlijk gebruik van een gelijk of overeenstemmend teken door een recente marktdeelnemer (zie in die zin, naar analogie, arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punten 46-49).
174 Gelet op al het voorgaande moet het tweede onderdeel van de tweede grief, en derhalve de tweede grief in haar geheel, worden afgewezen.
Derde grief: beoordelingsfout van de kamer van beroep betreffende de bewijswaarde van de bewijzen die interveniënte ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring heeft aangedragen en betreffende de bewijslast
175 Verzoekster stelt dat de conclusies van de kamer van beroep op bijkomstige, zwakke en twijfelachtige bewijzen berusten en dat de kamer van beroep van haar verlangt te bewijzen dat gebeurtenissen zich niet hebben voorgedaan, hetgeen neerkomt op een probatio diabolica.
176 Het EUIPO en interveniënte betwisten dit betoog.
177 Dienaangaande volstaat het op te merken dat de bewijzen waarop de conclusies van de kamer van beroep zijn gebaseerd, niet als zwak, bijkomstig of twijfelachtig kunnen worden beschouwd, zoals is gebleken uit de analyse in het onderzoek van de eerste twee grieven.
178 Ten eerste volgt uit de punten 91 tot en met 103 hierboven dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de bewijzen die interveniënte heeft verzameld om aan te tonen dat Holzer een poging heeft ondernomen om van haar een licentieovereenkomst te verkrijgen, geen bewijskracht hadden of niet door de kamer van beroep in aanmerking hoefden te worden genomen.
179 Ten tweede is de kamer van beroep, zoals blijkt uit de punten 126 tot en met 152 hierboven, terecht tot de slotsom gekomen dat de door interveniënte overgelegde bewijzen betreffende de commerciële exploitatie van verzoeksters Mexicaanse merk ANN TAYLOR aan haar konden worden toegerekend. Ook blijkt uit de punten 153 tot en met 155 en de punten 169 tot en met 173 hierboven dat de kamer van beroep op goede gronden heeft kunnen oordelen dat deze bewijzen werden bevestigd door elementen die betrekking hadden op het feit dat verzoekster aanvragen had ingediend voor merken die gelijk waren aan bekende oudere merken, zonder toestemming van de houders ervan, en de stappen die zij had ondernomen om zich te verzetten tegen het gebruik van interveniëntes merk ANN TAYLOR voor horloges in de Unie.
180 Bijgevolg kan verzoekster niet stellen dat de kamer van beroep de bewijslast in haar nadeel heeft omgekeerd en haar de verplichting heeft opgelegd om bewijzen over te leggen die onmogelijk te leveren zijn.
181 Zoals verzoekster in herinnering brengt, staat het inderdaad aan de verzoeker tot nietigverklaring om de omstandigheden aan te tonen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag voor het litigieuze merk te kwader trouw was. Zoals in punt 36 hierboven is opgemerkt, staat het echter aan de aanvrager, die hiertoe het beste in staat is, om een plausibele verklaring te verstrekken die het EUIPO ervan kan overtuigen dat zijn bedoelingen legitiem waren, ondanks het feit dat zich objectieve omstandigheden voordeden die het vermoeden van goede trouw dat aan een dergelijke aanvraag verbonden is, kunnen weerleggen. In casu was er sprake van dergelijke objectieve omstandigheden, maar heeft verzoekster geen plausibele verklaring gegeven aan de hand waarvan de kamer van beroep kon vaststellen dat de aanvraag voor de litigieuze merken ondanks die omstandigheden met een legitiem oogmerk werd ingediend.
182 Uit het voorgaande volgt dat de derde grief moet worden afgewezen en de beroepen derhalve in hun geheel moeten worden verworpen. [omissis]
HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) De beroepen worden verworpen.
2) Holzer y Cia, SA de CV wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en van Annco, Inc.
Gratsias Labucka Ulloa Rubio Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 mei 2019. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 28 juni 2018, C-564/16, ECLI:EU:C:2018:509
- Gerecht EU 16 mei 2017, T-107/16, ECLI:EU:T:2017:335
- Gerecht EU 9 november 2016, T-579/14, ECLI:EU:T:2016:650
- Gerecht EU 7 juli 2016, T-82/14, ECLI:EU:T:2016:396
- HvJ EU 22 oktober 2015, C-20/14, ECLI:EU:C:2015:714
- Gerecht EU 11 december 2014, T-480/12, ECLI:EU:T:2014:1062
- Gerecht EU 13 juni 2012, T-312/11, ECLI:EU:T:2012:296
- Gerecht EU 21 maart 2012, T-227/09, ECLI:EU:T:2012:138
- Gerecht EU 14 februari 2012, T-33/11, ECLI:EU:T:2012:77
- HvJ EU 14 september 2010, C-550/07, ECLI:EU:C:2010:512
- HvJ EU 3 juni 2010, C-569/08, ECLI:EU:C:2010:311
- HvJ EU 11 juni 2009, C-529/07, ECLI:EU:C:2009:361
- HvJ EU 18 december 2008, C-16/06, ECLI:EU:C:2008:739
- Gerecht EU 17 juni 2008, T-420/03, ECLI:EU:T:2008:203
- HvJ EU 14 december 2000, C-110/99, ECLI:EU:C:2000:695
- HvJ EU 29 september 1998, C-39/97, ECLI:EU:C:1998:442